|
Noot E.J. Dommering bij
de zaak Ekin,
EHRM 17 juli 2001.
1. De vereniging Ekin
is een Baskische organisatie die een boek in
verschillende talen uitbrengt over het Baskische verzet,
getiteld Euskadi in oorlog. Het in Frankrijk
geïmporteerde boek wordt in beslaggenomen op grond van
artikel 14 van een uit 1881 daterende wet die een
discretionaire bevoegdheid verschaft aan de Minister van
Binnenlandse Zaken uit het buitenland afkomstig drukwerk
in beslag te doen nemen en de circulatie daarvan te
verbieden. De criteria waaraan dit moet worden getoetst
zijn uitgewerkt in de jurisprudentie, maar komen neer op
het belang van de openbare orde en de nationale
veiligheid. De minister meent dat het boek aanzet tot
geweld en separatisme bevordert. De administratieve
rechtsgang die het nationale recht openstelt tegen de
beslissing van de minister voert naar de Conseil d'État
die een opmerkelijke beslissing neemt. De Raad toetst de
desbetreffende wetsbepaling aan artikel 10 EVRM, maar
acht deze opzichzelf niet in strijd met dit artikel. De
uitspraak van de Raad zelf in deze zaak moet aan de
redengeving van dit oordeel bijdragen, omdat hij beslist
dat artikel 10 vergt dat er een rechtsgang is die de
uitoefening van de discretionaire bevoegdheid toetst.
Het opmerkelijke schuilt er nu in dat de Raad in deze
zaak beslist dat de toetsing van de rechter, in
tegenstelling tot eerdere uitspraken van de Raad, zich
niet moet beperken tot wat wij noemen een marginale
toetsing, maar moet zijn een integrale toetsing. De
mogelijkheid van zo'n integrale toetsing ontneemt de
mogelijke strijd met artikel 10 EVRM aan de nationale
bepaling. Op grond van die integrale toetsing vernietigt
de Raad de beslissing van de Minister. Ekin krijgt dus
in hoogste nationale instantie gelijk. Hoe kan dit dan
in Straatsburg leiden tot een veroordeling van Frankrijk
van schending van artikel 10 EVRM?
2. De veroordeling in
Straatsburg berust op het feit dat de verbodsbepaling te
vaag is. Dit betekent dat het Hof de dreiging die van
een te vage verbodsnorm uitgaat, omdat de burger niet
weet waar hij aan toe is en daarom uitingen achterwege
zal laten, doorslaggevend acht. Tot dusver heeft het Hof
een dergelijke abstracte toetsing van een bepaling
slechts aanvaard in het kader van de vraag of de
beperking voorzien is bij wet. Voor die stap in de
toetsing heeft het de criteria 'voorzienbaarheid' en
'toegankelijkheid' ontwikkeld. In de zaak Worms was in
een dissenting opinion al eens de vraag opgeworpen of in
het kader van de materiële toetsing van artikel 10 niet
de verbodsbepalingen zelf op deze criteria moeten worden
getoetst (zie EHRM 29 augustus 1997, NJ 1999,
710, mnt EJD, m.n. onder punt 3). Het interessante van
deze zaak is dat het Hof in de overwegingen 44- 47 een
redenering op grond van de 'voorzienbaarheid bij wet' op
basis van zijn laatste precedent op dit gebied (de
vaagheid van de Franse afluisterbepalingen: de zaak
Huvig & Kruslin, 24 april 1990, NJ 1991, 553,
mnt EJD) begint, maar deze niet afmaakt. Het argument in
overweging 46 is dat het niet verder op deze kwestie
hoeft in te gaan, gelet op de materiële toetsing van de
noodzakelijkheid van de beperking.
3. De vereniging Ekin
had (zie overweging 51) aangevoerd dat de bepaling een
permanente dreiging vormde die als een zwaard van
Damocles boven haar hoofd had gehangen in een procedure
die uiteindelijk maar liefst negen jaar had geduurd. Het
Hof stelt in zijn beslissing voorop (overweging 57) dat
het hier gaat om een totaal verspreidingsverbod dat het
op een lijn stelt met censuur. Hoewel artikel 10 censuur
(en een absoluut verspreidingsverbod) niet verbiedt,
zoals het Hof nu in de laatste alinea van overweging 56
expliciet zegt, acht het Hof dit zulke vergaande
ingrepen dat een nauwkeurig onderzoek door het Hof naar
alle merites van de zaak noodzakelijk is (vgl. De zaken
Spycatcher en Wingrove: ik verwijs naar punt 3 van mijn
noot in laatstgenoemde zaak, NJ 1998, 359). In
overweging 61 acht het Hof de tijdsduur van de procedure
en de martelende onzekerheid waarin de klagers hebben
geleefd mede een argument om de beperking ontoelaatbaar
te achten. Het betrekt ook het mogelijke discriminatoire
effect van de bepaling (die zich richt tegen uit het
buitenland afkomstig drukwerk) bij zijn afweging. In
overweging 64 formuleert het Hof het dan zo dat de
inmenging in de uitingsvrijheid die artikel 14 van de
wet van 1881 oplevert ('que constitue l'article 14')
niet noodzakelijk is in een democratische samenleving.
4. De beslissing van
het Hof is sterk toegesneden op de lengte van de
procedure en de onduidelijkheid van de jurisprudentie,
toch schuift zij op in de richting van de rechtspraak
van het Amerikaanse Supreme Court, die het leerstuk van
het chilling effect heeft ontwikkeld:
verbodsbepalingen die zowel toegestane als niet
toegestane uitingen kunnen treffen, vormen een
bedreiging voor de uitingsvrijheid, omdat het de burger
er toe kan brengen bepaalde uitingen niet te doen uit
angst ('to be chilled by') onder het verbod te vallen
(vgl. A.J. Nieuwenhuis, Over de grens van de
uitingsvrijheid, Nijmegen: Ars Aequi 1997, p. 95).
5. De lange duur van de
procedure komt Frankrijk ook te staan op een
veroordeling van artikel 6 van het Verdrag.
6. Het arrest is ook
geannoteerd door A.E.
Nieuwenhuis in Mediaforum 2001-9, p. 273.
EJD. |