|
|
|
|
|
|
Fortuyn, de LPF en het Vrije woord
Verschenen in: Ars Aequi 51 (2002), p.
615-617.
E.J.
Dommering [1]
|
| |
|
In het interview van 9 februari 2002 in de
Volkskrant dat een orkaan van verontwaardiging deed losbarsten, zei Fortuyn
letterlijk: 'Ik sta achter wat Voltaire zegt: ik kan uw mening nog zo abject
vinden, maar ik zal Uw recht verdedigen om die te uiten. Ik ben ook voor het
afschaffen van dat rare Grondwetsartikel: gij zult niet discrimineren. Prachtig.
Maar als dat betekent dat mensen geen discriminerende opmerkingen meer mogen
maken, en die maak je in dit land nogal snel, dan zeg ik: dit is niet goed. Laat
mensen die maar maken. Er is een grens, en die vind ik heel belangrijk: je mag
nooit aanzetten tot fysiek geweld.' [2] Hoe
kan het zijn dat na zijn dood er, zogenaamd namens hem, een strafklacht wordt
ingediend tegen politici en media wegens overtreding van artikel 137d Sr dat
verbiedt om aan te zetten tot haat, discriminatie of geweld jegens
bevolkingsgroepen op grond van ras, godsdienst, levensovertuiging of sexuele
geaardheid? Dat moet voornamelijk geschoven worden op het conto van de
publicitaire lawaaimakers Spong en Hammerstein die als strafadvocaten grossieren
in strafklachten in het belang van het volk. Het is een methode die de
advocatuur helaas heeft overgenomen van het Openbaar Ministerie: gooi een zware
aanklacht in de publiciteit en als er later niets meer van komt, kraait er geen
haan meer naar. Ooit nog iets gehoord van die strafklacht tegen Nina Brink naar
aanleiding van World Online? Antwoord: er wordt niet vervolgd. De publicitaire
aandacht voor het optreden van de advocaten en de schade aan de slachtoffers
heeft door het met veel vertoon openbaarmaken van de aanklacht wel plaatsgehad.
Exit de daders: volgende zaak.
Al aan de hand van de geciteerde uitlating van
Fortuyn zelf kan worden vastgesteld dat de advocaten niet een duidelijke en
ondubbelzinnige opdracht kunnen hebben gehad om deze aanklacht te doen. [3]
Wat mij hier echter meer interesseert is het perspectief van de vrijheid van
meningsuiting. Daarover gaan de volgende opmerkingen.
Eerst iets over artikel 137d Sr. Het artikel
maakt onderdeel uit van een reeks uitingsdelicten die zijn ingevoerd na de
ratificatie van het Internationaal Verdrag van New York inzake de uitbanning van
rassendiscriminatie en zij moeten dan ook tegen die achtergrond begrepen worden.
Het gaat er om dat een uitlating 'de eigenwaarde van een groep aantast of in
discrediet brengt'. [4] De term
'levensovertuiging' moet zo worden uitgelegd dat het gaat om een 'voor de
betrokken persoon heilige en existentiële opvatting over de betekenis van zijn
bestaan en de wijze waarop dat geleefd moet worden.' De uitlating is
strafrechtelijk laakbaar omdat zij de betrokkene niet zozeer bij het debat
betrekt, maar juist er buiten plaatst, alleen omdat hij tot een bepaalde groep
behoort. Politieke overtuigingen worden doorgaans niet onder de werking van het
artikel begrepen, omdat het daarbij juist gaat over de uitwisseling van
opvattingen over de wenselijke inrichting van de samenleving. [5]
Als iemand zou zeggen dat de LPFers bedriegers zijn omdat ze zich niet aan hun
verkiezingsbeloften houden (En hij zou daarmee niet op dun ijs staan: Pim's
overtuiging: 'De kabinetskeuze voor die nieuwe JSF-straaljager zal uitlopen op
een Betuwe-debacle in de lucht', [6] was de
eerste die door zijn partij, eenmaal gezeten op het Haagse pluche, onderuit werd
gehaald) dan zou hij een uitspraak doen over de geringe consistentie van die LPF
opvattingen en hun daden en niet iets over een eigenschap die herleid kan worden
tot een lidmaatschap van een groep.
De betekenis van uitingen moet tenslotte
contextueel (in het geheel van de uitlating, in het debat waarin zij zijn
gedaan) beoordeeld worden en dat is een situatie die hier wel bij uitstek aan de
orde was. Het is echter duidelijk dat de heftige publieke reacties op de
uitlatingen van Fortuyn ook overigens niet binnen de beoogde werking van dit
artikel kunnen worden geplaatst. De vraag is immers of er, behalve de markante
opvattingen van Pim zelf, zoiets als een groep met Fortuynistische overtuigingen
bestaat. [7] Fortuyn heeft als charismatisch
leider binnen korte tijd een ongearticuleerde volksbeweging op gang gebracht.
Behalve door de uitstraling van zijn persoon, werd zijn aantrekkingskracht
onweerstaanbaar omdat hij niet tot het politieke establishment behoorde en de
zittende politici de stommiteit begingen om hem tijdens de campagne als een
underdog neer te zetten. Meestal duidt men een volksbeweging die niet zozeer
steunt op een politieke partij, maar op een direct contact met de leider aan als
populistische bewegingen die 'de verlossing' als einddoel hebben. Fortuyn's
verlossingsdoel omschreef hij op een verkiezingsbijeenkomst eens als: 'Wij
willen het land teruggeven aan de mensen. Wij leiden het paard naar de haver.
Dat paard bent u.' [8] Wij kennen deze
bewegingen van links tot rechts: Van Castro tot Perón, van Ghandi tot
Mussolini. Wat het Fortuynisme voor beweging achter laat zal nog moeten blijken,
maar het is duidelijk dat de politici en de pers die reageerden op zijn
uitlatingen in het Volkskrant interview niet spraken over een politieke richting
(en als zij dat al deden wisten zij niet wat dat voor richting was, laat staan
dat zij daar haat tegen konden zaaien), maar over de opvattingen van een persoon
die zij verwierpen en waarvan zij de brede steun die die opvattingen verwierven,
vreesden.
Er is van deze casus strafrechtelijk dus geen
eetbaar koekje te bakken. Maar is het vrije woord jegens Fortuyn niet
onrechtmatig gebruikt? We praten dan dus over een onrechtmatige daadsvordering
die (evenals trouwens de strafrechtelijke sancties) in het licht van artikel 10
EVRM moet worden beoordeeld. Het antwoord is weer negatief. Ook hier geldt de
norm van de vrijheid van het heftige (en helaas soms: grove) debat in de
verkiezingsstrijd. [9] Daarmee zijn de
deelnemers aan het debat niet vogelvrij, maar in het licht van de uitlatingen
die zijn gedaan is er geen grond voor een dergelijke actie, omdat het gaat over
waarde-oordelen, d.w.z. subjectieve kwalificaties van de aard van de opvattingen
van Fortuyn. Fortuyn wist er ook raad mee. Hij was in zoverre moderner dan zijn
tegenstanders dat hij vergelijkingen met de fanatieke Islam introduceerde door
mevrouw Borst een groter gevaar voor de volksgezondheid te noemen dan Osama bin
Laden. [10] Zeker in het openbare debat
over en tussen politici trekt het EHRM een ruime grens in de vrijheid
waarde-oordelen (die feitelijk niet behoeven te worden bewezen) te gebruiken. [11]
Zo achtte het Hof de beschuldiging tijdens een verkiezingscampagne aan het adres
van de Oostenrijkse FPÖ dat deze partij een rascistische hetze bedreef
toelaatbaar. [12] Maar de vergelijkingen
met het Nationaal Socialisme? Kennisneming van de gewraakte uitspraken leert dat
slechts in een geval die vergelijking expliciet werd gemaakt, en dat het verder
ging over vergelijkingen met extreem rechts en populisitische bewegingen. [13]
De vergelijking met Mussolini werd het eerst gemaakt door Jan Blokker in een
column, maar is om geheimzinnige redenen niet in de aanklacht betrokken, ondanks
zijn openbare sollicitatie daartoe. [14]
Een vergelijking met het Nationaal Socialisme (al is het maar op afstand) roept
in Nederland, zo blijkt ook nu weer, een latent afweersysteem in werking waarbij
de emoties vrij snel hoog oplopen. [15]
Is het dan allemaal een storm in een glas
water? Ik denk van niet. De actie heeft namelijk schade toegebracht aan het
openbare debat, omdat het de deelnemers daarvan bedreigt als zij bepaalde dingen
zeggen. Dat noemen wij met een omschrijving die komt uit het Amerikaanse recht
het (potentiële) chilling effect. Daarmee bedoelen wij dat de deelnemers
aan het debat zelfcensuur gaan bedrijven, omdat zij geen zin hebben in alle
sores rond openbare beschuldigingen en strafklachten. Zij gaan op hun woorden
letten. Het chilling effect is een van de grootste gevaren voor een vrij
debat. Daarom dat het Amerikaanse Supreme Court bijvoorbeeld vage normen
steevast veroordeelt, omdat de burger niet weet waar hij aan toe is en daarom in
zijn uitingen belemmert. [16] Het EHRM
beoordeelt de hoogte van de sancties vanuit dat perspectief. [17]
Het indienen van strafklachten kan hetzelfde effect hebben, omdat zij een
potentiële dreiging leggen over iedere uiting. Wie het openbare debat na de
strafklacht nauwkeurig heeft gevolgd heeft dat effect bij de media en de
politici kunnen waarnemen. Het smaakt bovendien naar meer. Als NOVA een
uitzending maakt over fanatieke Immans roepen die ook onmiddellijk dat het gaat
om een laakbare demonisering. Zo roept de ene klacht de andere op en ontstaat
een klimaat van onderlinge bedreiging.
Wat is hierbij de rol van de LPF? De LPF heeft
zich nooit geheel achter de aanklacht gesteld, maar er zich ook niet van
gedistancieerd. Zodra zij het Haagse pluche aan het zitvlak voelde, gaf zij
officieel af op de berichtgeving over de partij in de media die niet objectief
zou zijn geweest. Spoedig daarna kwamen er (overigens tegenstrijdige)
uitlatingen van die zijde dat de Raad van Bestuur van de NOS moest worden
vervangen om de objectiviteit te bevorderen. En bij het afronden van dit stuk
werd duidelijk dat het staatssecretariaat voor Cultuur waar de publieke omroep
onder ressorteert, naar de LPF gaat. Wie weet wordt dat wel omgedoopt tot het
Staatssecretariaat van de Objectieve Berichtgeving. U begrijpt: ik zie af van
historische vergelijkingen. |
[1]
Hoogleraar Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam en advocaat in
onder meer mediazaken. Medewerkers van het Instituut voor Informatierecht
verzorgen de rubriek actualiteiten op dit vakgebied in dit blad en keuzevakken
op dit terrein. In 2003 gaat een landelijke Masteropleiding verzorgd door het
Instituut van start.
[2] Het
Fenomeen Fortuyn, Amsterdam: De Volkskrant/Meulenhoff 2002, p. 63.
[3] Zie ook
Judith Pieters, 'De
maatschappelijke verantwoordelijkheid van de advocaat', in: Advocatenblad
2002/12, p. 514.
[4] T.J.
Noyon, G.E. Langemeyer & J. Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht,
Arnhem: Gouda Quint 1972- …, aantekening 7a bij art. 137c Sr.
[5] Zie ook A.w.
noot 4 aantekening 4 bij art. 137c Sr.
[6] A.w.
noot 2, p. 79.
[7] Zie ook
Y. Buruma, 'Over
haat zaaien en stemmen oogsten', in: NJB 2002, /21, p. 1024.
[8] A.w.
noot 2, p. 75.
[9] Voor de
jurisprrudentie, zie G.A.I. Schuijt
(red), in: Losbladige Onrechtmatige Daad VII, aant. 72.
[10]
Behalve deze uitspraak is het meest volledige overzicht is te vinden in Elsevier
1-6-2002, p. 14 e.v.
[11] Voor
de Europese en nationale jurisprudentie zie A.w. noot 9, nrs 12 en 73.
Vgl ook Wouter Hins, 'Mediaplichtigheid',
in: Mediaforum 2002-6, p. 195.
[12] EHRM
26 februari 2002, Mediaforum 2002-4, p. 114.
[13] Zie A.w.
noot 10.
[14] A.w.
noot 2, p.27, p. 171.
[15] Zie
mijn artikel naar aanleiding van de Graa Boomsma affaire die deelnemers aan de
Indonesische politionele akties vergeleek met SSers, E.J. Dommering, 'De
Nederlandse publieke discussie en de politionele acties in Indonesië', in: NJB
1994-9, p. 277-290 ) en J.M. de Meij,
''Ze waren geen SSers…', in: NJB 1995-15, p. 549-550.
[16] Zie A.J.
Nieuwenhuis, Over de grens van de uitingsvrijheid, Nijmegen: Ars
Aequi Libri 1997, p.95.
[17] Zie
bijvoorbeeld EHRM 13 juli 1995 NJ 1995, 544 mnt EJD. |
|
|
Geplaatst 17.09.2002
|
|
|
|