Belgisch rechts-extremisme en parlementaire onschendbaarheid
1.
De eiser in deze zaak is de Belgische arts Daniel Féret, ten tijde
dat deze zaak in België begint te spelen (1999), president van het Walloonse
Front National. Tegen hem waren,
naar aanleiding van
zijn uitlatingen in het openbaar, tientallen strafklachten ingediend wegens
haatzaaien, aanzetten tot geweld en discriminatie tegen een bevolkingsgroep
op grond van hun ras, huidskleur, herkomst en nationaliteit. Een klacht richtte zich tegen
het partijprogramma dat zich in diverse toonaarden keerde tegen de islamisering
van België, later (in 2001) ook tegen een aantal pamfletten van die
strekking. Nieuwe
klachten volgden tegen
een oproep met
een foto van Féret
om lid te worden van het
FN die
de slogan bevatte: Belgen en Europeanen eerst.’
In oktober 2001 gebeurde hetzelfde
naar aanleiding van een
affiche dat een gesluierde vrouw en een man
met een tulband afbeeldde onder de
titel: Het is de couscous clan’. De man en een vrouw droegen een papier met een duidelijke leesbare tekst: De Koran zegt: doodt
de ongelovigen in een bloedbad.’ Onderaan het affiche stond in het rood: Het FN zegt NEE.’
Na 9/11 verscheen er een nieuwe versie van
dit affiche met
als bovenschrift: Aanslag op de VS: het is de couscous clan.’
Al deze klachten en meer werden in een strafzaak samengevoegd. Wij herkennen
in de bestreden uitlatingen het repertoire
van extreem rechts
van politici als De Winter, Le Pen en in Nederland van de Centrumpartij van
Janmaat tot de PVV
van Wilders.
2. Féret is parlementslid. België
kent in twee opzichten
een ruimere parlementaire
onschendbaarheid
dan in Nederland. Zij geldt ook voor
uitlatingen door
een parlementariër gedaan
buiten het parlement.
Vervolging is slechts mogelijk nadat het Parlement de onschendbaarheid voor
de concrete rechtszaak heeft opgeheven.
De in dit geval daartoe ingestelde parlementaire commissie
adviseerde tot opheffing in juni 2002. De motivering is interessant.
De Commissie oordeelde dat de uitlatingen van Féret niet waren gedaan
ter vervulling van zijn parlementaire ambt, en, vervolgde de Commissie
met een beroep op het EVRM, ook de uitlatingen
van parlementariërs
kunnen aan beperkingen
onderhevig zijn.
Men moet daarbij de uitlatingen
waar het om gaat,
die niet louter politiek van aard zijn,
als een geheel zien. Het parlement volg
de het advies. In
de daarop aansluitende
strafprocedure weigerde
de correctionele rechtbank zich over de zaak zelf uit te spreken, omdat het
eerst een heropening wilde van het debat over de positie van een parlementslid. Het hiertegen gerichte hoger beroep
strandde in een debat over de ontvankelijkheid van het beroep ingesteld door
de civiele partijen. Het Hof van Beroep achtte
het beroep van die
partijen ontvankelijk, het tegen
die beslissing gerichte
cassatieberoep werd verworpen. In februari 2006
startte het Hof van Beroep met een gehele nieuwe behandeling ten gronde van
de zaak. Het Hof
oordeelde dat de uitlatingen die voorwerp van de procedure vormden uitdrukkelijk
en soms impliciet aanzetten tot, zoniet geweld, tot discriminatie, tweespalt
(ségrégation’) of haat jegens een groep, een gemeenschap
of leden daarvan op grond van ras, huidskleur, nationale of
etnische herkomst. Het Hof legt een taakstraf van 250 werkuren op,
te vervullen in de sector die zich bezighoudt met de integratie van buitenlanders, alsook een uitsluiting van verkiesbaarheid
van 10 jaar, waarbij
het Hof overweegt dat het delict ook een aantasting vormt van democratische
waarden, reden waarom
er streng gestraft moet worden. Het cassatieberoep
werd verworpen.
Artikel 10 EVRM en artikel
17 EVRM
3.
Bij de uitleg van artikel 10 EVRM betrekt het Hof van Beroep en ook het EHRM
de Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa
R (97)20 van 30 oktober 1997 over de discours de haine’, waaronder
de Aanbeveling verstaat:
alle uitingsvormen die propageren, uitlokken tot, bewegen tot of rechtvaardigen
rassenhaat, vreemdelingenhaat, antisemitisme of andere vormen van haat gebaseerd
op intolerantie, die tot uitdrukking komen in agressieve vormen van nationalisme,
etnocentrisme, discriminatie en vijandigheid tegen minderheden en (potentiële)
immigranten. De
Aanbeveling reserveert in de principes 4 en 5’ uitdrukkelijk
het recht van de nationale autoriteiten om concrete uitlatingen van discours
de haine ’ (hate speech) in het licht van
de vrijheid van meningsuiting te onderzoeken en zo nodig proportionele sancties
op te leggen. Onder de relevante stukken worden ook twee rapporten van de
Europese Commissie tegen racisme en intolerantie met betrekking tot België
van 21 maart 2000 en 27 januari 2004 genoemd.
4. Het Hof onderzoekt eerst het beroep
op artikel 17 van de Conventie, dat de Belgische regering had gedaan. Artikel 17 bepaalt dat, kort
gezegd, misbruik van de rechten die de Conventie toekent, geen aanspraak
kan maken op bescherming.
Het is een niet-ontvankelijkheidsverweer.
De Commissie paste artikel 17 toe in de Glimmerveenzaak (Decision
11 october
1979, D&R 18 (1980), p. 187).
Het EHRM heeft artikel
17 enkele malen bij hate speech toegepast, te weten bij een
geval van holocaustontkenning (Garaudy van
24 juni 2003, appl. 65831/01)
en bij een anti moslimaffiche naar aanleiding van 9/11 (Decision
16 november
2004, inzake Norwood, appl. 23131/03, zie ook mijn noten onder de zaken
Vajnai en
Leroy,
NJ
2009,
371 en 378). Zonder
het artikel 17 verweer expliciet te verwerpen zegt het Hof nu dat de argumenten
die de Belgische regering aanvoert, zo nauw verweven zijn met de hoofdzaak
dat het Hof het verweer onder artikel 10 lid 2 dat de beperking noodzakelijk
was in een democratische samenleving
tegelijk met het beroep op artikel 17 onderzoekt (ro 52: La Cour joint
donc l’exception au fond’). Artikel 17 beoogt de democratische instituties te beschermen en vergt een beoordeling of de
uitoefening van de bij uitstek democratische vrijheden van de artikelen 10 en 11 EVRM
geen ander doel
dient dan de ondermijning van de democratie.
Omdat de toepassing een inhoudelijke beoordeling van de klacht uitsluit,
moet het strikt
worden toegepast. Geheel consistent is de jurisprudentie niet, eerder pragmatisch.
Is er teveel discussie over, in het geval van artikel 10, de strekking van
een uiting, dan
is het beter die op de merites zelf te onderzoeken.
It is desirable that in case article 17 is invoked by a respondent
State to justify restrictive measures, the Committee of three judges at the
admissibility stage, if it does not hold the applicability of Article 17
as manifestly ill founded, joins its examination to the
merits, and a full-fledged review of the merits is conducted by a Chamber
of the Court. Whether or not article 17 is applicable, is largely dependent
on the substance of the complaints. The finding that there has been an abuse
of rights on the part of the individual
persons, inevitably implies that the State concerned has not violated the
Convention rights.’ (Van Dijk & Van Hoof,
fourth edition, Antwerpen-Oxford: Intersentia 2006, p. 1086, met instemming
geciteerd door Harris,
O’Boyle & Warbrick,
Law of the European Convention on Human Rights,
second edition, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 648-652).
Hate speech’
of discourse de haine’
5. De Belgische regering
had bij haar beroep
op artikel 10 lid 2 in combinatie met artikel 17
aangevoerd dat de partij van Féret een doelstelling voorstond die
onverenigbaar was met de democratie, in welk verband zij zich beriep op de
beslissingen van het Hof ten aanzien van de Turkse Refah partij (zie
NJ 2005, 73
m.nt. E.A. Alkema). Féret stelde dat hij langs democratische weg een
aantal politieke kwesties aan de orde had gesteld. Het Hof plaatst
in de overwegingen 63, 64 en 65 naast elkaar dat het politieke debat nauwelijks
beperkingen toelaat, dat tolerantie en respect
gelijkheid van menselijke
waardigheid eist,
dat alle vormen van hate speech’
moeten worden bestreden
en dat de vrijheid van een parlementariër door het EHRM nauwkeurig moet
worden bewaakt (het Hof citeert de zaken Castells, EHRM
23 april 1992,
NJ
1994, 102, m.nt. EJD en
Jerusalem/Oostenrijk, EHRM
27 februari 2001, appl. 26958/95). Dit is dus
het toetsingskader.
6. In rechtsoverweging 69 stelt het
Hof vast dat de uitingen van Féret de immigranten voorstellen als
een criminogeen milieu’, profiteurs van voorzieningen in België
en een voorwerp van spot. Dergelijke uitingen zijn volgens het Hof geschikt
om onder het (minder geïnformeerde) publiek, gevoelens van verachting,
afkeer en bij sommigen haat jegens buitenlanders op te wekken. De Belgische
rechter heeft de concrete uitingen vanuit deze gezichtspunten
beoordeeld en geen oordeel gegeven over het partijprogramma. Het Hof benadrukt daarbij dat
het de presentatie
na 9/11 van alle
moslims als terrorist ziet als haatzaaien (ro 70-71).
Daarbij is het volgens het Hof niet van belang dat niet wordt aangezet tot
een concrete daad van geweld of een ander strafbaar feit. Bestrijding van
racisme en discriminatie heeft volgens het Hof, onder verwijzing naar de
geciteerde Aanbeveling van het Comité van Ministers binnen Europa,
de hoogste prioriteit (ro 72).
De hoedanigheid van parlementariër moet in dit verband gezien worden
als een verzwaring van verantwoordelijkheid: qu’il est d’une
importance cruciale
que les hommes politiques, dans leurs discours publics, évitent de
diffuser des propos
susceptibles de nourrir l’intolérance.’ (ro 75).
En dat geldt dan
vooral ook in een
verkiezingscampagne (ro 76). Het Hof brengt
de opgelegde beperkingen onder het hoofd noodzakelijk in een democratische
samenleving, en past daarom artikel 10 lid 2 in plaats van artikel 17 toe.
De minderheidsopinie: John
Stuart Mill
7.
Het gaat om een meerderheidsopinie onder leiding van
de Belgische mevrouw
Tulkens, een gerespecteerde liberal’ in het Hof (zij zat ook de nagenoeg gelijke kamer voor in de zaak Vajnai, zie
NJ
2009, 371), gesteund door de Portugese, Letse en Servische rechter. Er is een dissenting
opinion geschreven door de rechter uit
Hongarije, gesteund
door de Georgische en Italiaanse rechter. De minderheid erkent dat de vorming
van een xenofobe mentaliteit bij de bevolking een langzaam sluipend proces
is, maar zij kiest voor een aanpak van vrije uitwisseling van meningen. Anders
dan de meerderheid gaat zij daarbij uit
van een rationele toehoorder van het debat die in staat is geïnformeerde
keuzes te maken, en die zich niet laat leiden door irrationele emoties. Zij erkent dat er een situatie
kan ontstaan dat de
democratie in gevaar kan zijn
(volgt verwijzing naar de racistische propaganda in Hitler-Duitsland geflankeerd
door het straatgeweld’ van paramilitaire organisaties). Een dergelijke
intimiderende situatie deed zich, naar het oordeel van de meerderheid, niet voor.
De minderheid meent
dat de zachte’ criteria die de meerderheid hanteert, zonder dat
tot concreet geweld wordt aangezet,
te vaag zijn. Zij
hanteert daarbij een hellend vlak redenering’, dat wil zeggen
dat hantering van deze criteria tot steeds verder gaande censurering van
het debat zal leiden.
Toutes ces spéculations quant au danger nient le pouvoir de
la contre argumentation et l’indépendance de jugement.’.
8.
De controverse tussen de meerderheid en de minderheid gaat terug op het honderdvijftig jaar oude
On Liberty (1859) van John Start Mill, dat ik nu maar even samenvat
als beter de leugen verspreiden om haar in het openbaar te weerleggen,
dan haar te onderdrukken en haar een clandestien bestaan te gunnen.’
Deze theorie vooronderstelt het rationele
tot oordelen bevoegde gehoor waar de minderheid het over heeft. De ondergrens
die Mill trekt, en die ook
die van de minderheid is, is die van aanzetten tot concreet geweld. Mill
geeft in hoofdstuk II van zijn boek het voorbeeld
dat de opinie dat
graanhandelaren uitbuiters van de armen zijn, vrij in de pers mag circuleren,
maar tot geweld aanzet wanneer uitgeroepen ten overstaan van een woedende
menigte die demonstreert voor het huis van een graanhandelaar. Empirisch onderzoek heeft de fictie
van de rationele toehoorder doorgeprikt: het gehoor polariseert rond eigen standpunten waarmee het naar het debat
luistert of kijkt en bepaalt voorkeuren
niet op de inhoud van argumenten, maar door emotionele drijfveren.
De door Mill aan
het eind van hoofdstuk I (in een door veel
Mill lezertjes die zich in het Nederlandse debat roeren, over het hoofd geziene
passage) uitgesproken
hoop dat er een
morality of the public debate’ zou zijn waarin argumenten met
volledige weergave van de feiten op een faire basis in het openbaar worden
gepresenteerd, is
een illusie die
we achter ons hebben gelaten. Ook onze opvattingen over geweld’
en schade’ zijn geëvolueerd.
Er bestaat zoiets als psychisch
(verbaal) geweld
en immateriële schade. Al deze noties hebben ook hun weg gevonden naar
de theorie over vrijheid van meningsuiting waarin Mill niet meer zaligmakend
is (voor een begin van analyse zie
mijn bijdrage en andere bijdragen aan
de door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
geredigeerde bundel opstellen, Polarisatie
Bedreigend en verrijkend, Amsterdam: Uitgeverij SWP 2009).
Ook de politicologen die de hatelijkheid’ van het publieke debat voor lief nemen hanteren drie grondregels voor een democratisch debat: Niet aanzetten tot geweld, niet
oproepen tot uitsluiting van burgers van het publieke debat en publieke besluitvorming,
en het erkennen van de menselijke waardigheid van de tegenstander (Zie M.
Fennema, Noot
onder de Wildersbeschikking’, in:
Strafblad 2009,
p. 200 en J. Tillie,
Gedeeld land Het multiculturele ongemak van Nederland, Amsterdam: Meulenhoff 2008, p.
55). Juridische vertaling van die criteria komt uit op de bepaling van de
grens van hate speech’, waarbij ik er van uit ga dat de stigmatiserende
meningen die Féret
uitsprak indirect de moslims van gelijkwaardige deelname aan het politieke
debat uitsloten en
(op den duur)
het verbale geweld hun
menselijke waardigheid schaadde. Dit kan zich
uiten in een reactie van
de moslimbevolkingsgroep van
terugschelden, maar vaker van
afsluiting, terugtrekking, en onverschilligheid, een proces dat wij de laatste
jaren in Nederland
hebben kunnen waarnemen.
De politieke keuze tegen
ernstige vormen van hate speech op te treden met juridische maatregelen;
het verschil
tussen Europa en de VS
9.
Het is een rechtspolitieke keuze om al in
een eerder stadium,
en niet pas als het te laat is, juridische maatregelen te nemen. In dit opzicht
past dit concept evenzeer in dat van een weerbare democratie’
als de opvatting die de dissenters over de vrijheid van meningsuiting over dat concept hebben.
Het inzetten van juridische maatregelen (dat zeker tegen
politici, zoals het Hof in het Castell arrest benadrukt
ultimum remedium
moet zijn: de regering moet eerst naar andere middelen zoeken) kan averechtse gevolgen hebben,
omdat het vervolgde
politieke leiders
het zo gekoesterde
underdog effect
in de schoot werpt waar kiezers als bijen op de honing op afkomen. Het door Jaap van Donselaar in
1995 uitgevoerde onderzoek naar de juridische bestrijding van extreem-rechts
in vijf West-Europese landen, laat zien dat de
ze negatieve effecten
gerelativeerd moeten worden, en dat er evenzeer de gewenste ontregelende
en ontmoedigende effecten
voor de aanhangers van
extremistische opvattingen
van uit kan
gaan. (J. van Donselaar,
De staat paraat,
Babylon-De Geus 1995, p. 287-294). Waarschijnlijk is de door Van Donselaar
gesignaleerde faalangst van overheden
om op te treden, die
in de Wilderszaak
bezit lijkt te hebben genomen van het OM
(gevoed door politici die bevreesder zijn voor electoraal verlies dan voor
schade aan de menselijke waardigheid van een bevolkingsgroep) een gevolg van de laatste
jaren opgetreden
gewenning. Door
gewenning kan een probleem inburgeren en kan verschuiving teweeg worden gebracht
van de grens tussen wat wel en niet als acceptabel wordt beschouwd. De gewenning
aan uitingen van racisme en rechts-extremisme is een belangrijke factor die
remmend werkt op overheidsoptreden.’ (Van Donselaar a.w. p. 288).
10. Wat er verder van deze discussie
zij, vastgesteld kan worden dat de Raad van Europa (waar Nederland deel van
uit maakt) en met hem het EHRM een keuze hebben gemaakt om in het belang van de democratie
beperkingen op te leggen aan
de grenzen van het
publieke debat en de rol die politici daarin spelen.
Binnen die democratische grens kunnen aan het politieke debat nauwelijks
beperkingen worden gesteld. Europa,
dat als Europese Unie ook de
Internationale Conventie tegen de Eliminatie van alle vormen van rassendiscriminatie
van 4 januari 1969
(waar Nederland in de VN de grote gangmaker
van was en dat het zonder voorbehoud heeft
geratificeerd) heeft onderschreven (dat mede aan de artikelen 137c
en d Sr ten grondslag ligt)
gaat door haar geheel andere historische ervaring
daarin een andere
weg dan de Verenigde Staten, dat hate speech
nagenoeg ongemoeid laat. Vele Nederlandse publicisten en ook de VVD, die zich dit jaar over dit
onderwerp hebben uitgesproken, baseren zich (stilzwijgend) op die Amerikaanse
opvatting, of omdat
zij het Europese
acquis
(bewust)
negeren of omdat
zij eigenlijk van deze verdragen afwillen.
De verantwoordelijkheid
van de politicus
11.
Politici hebben
volgens het EHRM
ten deze een bijzondere verantwoordelijkheid waarop ze ook juridisch kunnen
worden aangesproken. Dit is al een eerder ingezette lijn en het arrest komt
dan ook niet uit de lucht vallen.
Gelet op de grote bescherming die zij anderzijds genieten, zal er een duidelijke
afbakening moeten plaatsvinden tussen
haat en extreme
politieke standpunten. Om die afbakening uit te voeren zul je dus ook naar
het geheel van uitspraken en beweringen moeten kijken: het gaat niet zozeer
om het kwetsende of schokkende karakter daarvan als wel om de systematische
aanval en uitsluiting van een bepaalde bevolkingsgroep die aan die uitspraken
ten grondslag ligt. Zonder verder in
te gaan op de merites van de Wilderszaak
(zie daarvoor R. Lawson, Wild, wilder,
wildst’, in
NJCM Bulletin
jrg. 33 (2008), nr 4. , p. 469 e.v.), concludeer ik dat de beschikking van het Hof Amsterdam
21 januari 2009 waarin de vervolging
van Wilders werd bevolen
(NJ 2009, 191, m.nt. Y. Buruma;
Mediaforum
2009-3, nr. 8 m.nt. A.E. Nieuwenhuis)
kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen, welke keuze Nederland door ondertekening van
deze verdragen op dit vlak heeft
gemaakt.