|
|
|
Annotatie bij EHRM 2
oktober 2008 (Leroy)
Verschenen in NJ
2009, 378, p. 3759-3766
E.J. Dommering
|
|
1.
Dit is een Frans-Baskische zaak. Zij gaat over een cartoon die twee dagen
na de calamiteit van 9/11 (dus op 13 september 2001) in een Baskisch Weekblad
Ekaizita verscheen, dat onmiddellijk na
verschijnen door de Franse Justitie
in beslag werd genomen. De Franse Autoriteiten reageren allergisch op publicaties
in het Baskenland, een potentiële bron van politiek geweld. Ik roep
in herinnering de zaak Ekin, die ging over een importverbod van een Baskisch
boek dat door de
Franse Justitie
subversief werd geacht (EHRM
17 juli 2001
NJ 2002, 444
met
annotatie EJD). Dat verbod sneuvelde in Straatsburg.
Ditmaal liep het anders, maar dat ligt aan de aard van de zaak.
2. Sony maakt al jaren in Frankrijk
reclame voor haar producten met de slogan Vous en avez rêvé,
Sony l’a fait.’ U hebt er van gedroomd, maar Sony maakt het.
En het ene product is een nog grotere droom dan
het andere. Het
is typisch het soort slogan dat onderdeel
kan worden
van een parodie, zeker door de intensiteit waarmee het publiek ermee werd
geconfronteerd.
De cartoonist Denis Leroy (pseudoniem voor een Baskische naam Guezmer) deed
dat op 13 september 2001 in een wel zeer explosieve context. Hij tekende
een cartoon van vier (niet twee) in stofwolken instortende wolkenkrabbers
en zette er als tekst onder Nous en avions tous rêvé..l’Hamas
l’a fait.’ Wij hadden er
allemaal van gedroomd,
de Hamas heeft het gedaan.
Hoe die cartoon er precies heeft uitgezien, weten wij niet. Geen enkele
nasporing op internet heeft de cartoon aan het licht kunnen brengen. Na de
inbeslagneming van het Baskische blaadje is zij van de aardbodem verdwenen.
Maar ook zonder het plaatje kunnen we ons het schokeffect op 13 september
2001 voorstellen. 3. De cartoonist voerde het verweer
dat hij de ineenstorting van een aantal symbolen van de kapitalistische samenleving
had willen illustreren en niet het menselijke leed door de aanslag was veroorzaakt,
had willen vergroten. Maar , voegde hij er aan toe,
was dat groter dan het leed van de door Amerikaanse
en Britse vliegtuigen
gebombardeerde inwoners
van Irak?
De Franse rechters hadden weinig begrip voor dit verweer. De cartoonist
werd veroordeeld voor wat heet de apologie van het terrorisme’
(de verheerlijking van het terrorisme).
In Nederland is dat vooralsnog geen apart delict.
4. De Franse regering had bij het Hof
het verweer gevoerd dat de zaak een geval van toepassing van artikel 17 EVRM
betrof (misbruik van recht er op gericht de verdragsvrijheden te vernietigen).
Dit verwijst naar de jurisprudentie van het Hof
over artikel 17
(de zaken
Garaudy van 24 juni 2003, appl. 65831/01 en
Lehideux & Isorni,
23 september 1998, Judgements and Decisions 1998-VII
met betrekking tot
Holocaustontkenning
en andere zaken over racisme). Het Hof paste in de zaken
betreffende Holocaust ontkenning
overigens artikel 17 alleen toe in de Garaudyzaak.
Dat deed het op grond van zijn beoordeling van het boek in kwestie,
waarvan the real purpose was to rehabilitate the National Socialist
regime and so to accuse the victims themselves of falsifying history.’
De ontkenning van
misdrijven tegen de menselijkheid
is een van de meest
serieuze vormen van belediging van een bevolkingsgroep en de aanzetting van
haat tegen die groep. Het
is er op gericht
to undermine the values on which the fight against racism and anti-Semitism
is based and constitute a threat
to public order.’
In de zaak Lehidieux achtte het Hof de kwestie nog te behoren tot een historisch
debat. Artikel 17
werd weer wel toegepast in een zaak van islamofobie (Decision 16 november
2004, inzake
Norwood, appl. 23131/03), waarover hierna
onder 5. 5. Het Hof
verwerpt het verweer
van de Franse regering dat dit een artikel 17’
zaak is. De boodschap van Leroy (verpakt
als cartoon) was de vernietiging van het Amerikaanse imperialisme en niet
de vernietiging van mensenrechten, zoals antisemitisme of islamofobie wel die boodschap (kunnen) hebben. In verband
met islamofobie
is de al in 4 genoemde
Norwood beslissing
interessant. De
zaak betrof
een demonstratie van een lid van de rechtse British National Party die na 9/11
een poster had opgeplakt van de brandende Twin
Towers
vergezeld van een
verbodsbord met
een Islamitische
ster er in afgebeeld
en een slogan Islam out of Britain - Protect the People’. Norwood
werd vervolgd en veroordeeld wegens haatzaaien.
Het Hof paste artikel 17 toe, omdat the
words and the images on the poster amounted
to a public expression of attack
on all Muslims in the United Kingdom. Such a general, vehement attack against
a religious group, linking the group as a whole with grave acts of terrorism,
is incompatible with the values proclaimed and garantueed by the Convention,
notably tolerance, social peace and discrimination.’
(Ik verwijs naar een soortgelijke formulering in de zaak
Vajnai, zie mijn
noot onder 4 in die zaak, NJ 2009 371). Het Hof gaf dus aan deze vorm van islamofobie geen bescherming onder artikel 10. In de zaak Leroy gaf het die bescherming
wel, maar uit het vervolg blijkt dat het Hof
dan toch nog heel ruimhartig kijkt naar een restrictief beleid van de nationale
autoriteiten voeren
ter bestrijding
van terrorisme.6. Het Hof stelt in zijn beoordeling
voorop dat het gaat om politieke satire (EHRM
25 januari 2007, Vereinigung
Bildender Künstler, 38353/01)
die bij uitstek bedoeld is om te schokken en te verontrusten. Via een lange slalom van overwegingen
wordt dan toch de
beslissing van de Franse rechters goedgepraat. De kern zit voor mij in overweging
45 waar het Hof alles ophangt aan het tijdstip van publicatie. Het tijdstip
van publicatie had de cartoonist tot meer terughoudendheid moeten brengen.
Ook de publicatie in een politiek gevoelig’ gebied had tot
grotere voorzichtigheid moeten nopen.
Dat verwijst naar het voor geweldadige politieke agitatie bekend staande
Baskenland. 7. De beslissing van het Hof is dus
erg op de concrete omstandigheden toegesneden. Zij had met een groter tijdsverloop
tussen feit en publicatie anders kunnen uitvallen. Interessant is hoe het
Hof de zaak contrasteert met
de artikel 17 zaken’ Garaudy en Norwood.
Er is een verschil tussen een aanval op een groep en een (voor bepaalde groepen)
schokkende uiting die wel bescherming geniet, maar onder specifieke omstandigheden
beperkt kan worden
wegens de verwachte
grote sociale effecten van die uitlating. Past men dat criterium toe op de film
Fitna van Wilders
dan valt deze naar
mijn mening in de Norwood categorie, omdat
de film moeilijk anders kan worden opgevat dan
een vehement
attack against a relgious
group, linking the
group as a whole with grave acts of terrorism.’
(vgl. R. Lawson Wild, Wilder, Wildst’,
NJCMBulletin
2008, 33 (4), p. 496-471). |
|
|
Geplaatst
16.09.2009
|
|
|