|
1.
De Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtK) stelt zich ten doel het publiek
tegen alternatieve genezers te waarschuwen. Zij hanteert daarvoor als norm,
zoals zij stelt, dat van twintigste eeuwse kwakzalvers sprake is bij (a)
elk beroepsmatig handelen in relatie tot de gezondheidstoestand dat (b) niet
gefundeerd is op toetsbare en voor de tijd logische dan wel empirisch-houdbare
hypothesen en theorieën, die (c) actief onder het publiek wordt verspreid
(d) zonder dat toetsing binnen de beroepsgroep op effectiviteit en veiligheid
heeft plaatsgevonden en (e) die (veelal) zonder overleg met medebehandelaars
wordt toegepast. Dit is een exacte definitie die overeenstemt met die welke
het woordenboek Van Dale als eerste definitie van de term geeft. Op basis
van deze definitie had de VtK de manuele therapie, als kwakzalverij
aangemerkt en opgenomen in een in 2000 uitgegeven lijst van kwakzalvers’
en in een in 2001 uitgegeven lijst van notoire genezers’. Daarbij nam de VtK vooral stelling
tegen het feit dat de Manuele Therapie gaandeweg steeds ruimere claims was
gaan doen, ver buiten het gebied van de oorspronkelijk manuele therapie.
Hiertegen waren de manuele therapeuten opgekomen, omdat ze de kwalificatie
kwakzalver’ beledigend achtte.
Het Hof had in deze
zaak geoordeeld
dat het publiek de term kwakzalver’ zal opvatten in de overdrachtelijke
betekenis van boerenbedrieger, oplichter of knoeier’ (die Van
Dale als tweede betekenis geeft), acht
te het gebruik daarvan
onrechtmatig, verbood het gebruik
voor de toekomst (evenals de term notoire genezer’) en wees
een omvangrijke rectificatie toe.
Deze uitspraak wordt in cassatie vernietigd.
2.
Hoe moeten wij omgaan met een dubbelzinnige term in het openbare debat?
Deze semantische kwestie vertoont gelijkenis met het gebruik van dubbelzinnige
symbolen, wat aan de orde was in de zaak Vajnai
tegen Hongarije (EHRM 8 juli 2008
NJ 2009, 371)
. Daar ging het om het gebruik van
een niet eenduidig symbool als de rode ster. Een ander precedent waar het
ging over de mogelijk negatieve bijklank’ van
een term betrof de zaak
EHRM 27 februari 2001 (de zaak
Jerusalem v. Austria, appl. 26958/95).
Het ging over
een openbare discussie
over de subsidiëring van een instelling die hulp verleende aan ouders
van kinderen die in sekten waren verzeild geraakt. Het gemeenteraadslid Suzanne
Jerusalem had in een gemeenteraad daarvoor een lans gebroken. Zij noemde
deze sekten, zoals het Institut zur Förderung der Psychologische Menschenkenntnis
dat haar later aanklaagde, totalitair met fascistische tendensen, er op gericht
om de identiteit van de persoon ondergeschikt te maken aan de groepsidentiteit.
Jerusalem werd door de Oostenrijkse rechters veroordeeld om de uitlatingen
recht te zetten. Jerusalem voerde het verweer dat zij waardeoordelen had
gegeven die ze bovendien kon staven met bewijs, welk bewijs de Oostenrijkse
rechters hadden geweigerd. Het EHRM veroordeelt de aanpak van de Oostenrijkse
rechters, omdat
men de inhoud van het debat niet moet baseren op de dubbelzinnigheid van
de gebruikte waardeoordelen, maar op de werkelijke inhoud van het debat. Ik citeer het
Hof: The question remains whether there existed a sufficient factual basis for
such value judgements. In this regard, the Court notes that the applicant
offered documentary evidence, especially articles from newspapers and magazines,
on the internal structure and the activities of the plaintiffs, as well as
a German court on this matter. In the Court’s view, such material may
have been relevant to show a prima facie case that the value judgement expressed
by the applicant was a fair comment. (…)
The Court considers that the distinction drawn by the Austrian Courts between
sect’ and psycho-sect showing totalitarian features’
was artificial and disregarded the true nature of the debate in which the
applicant was involved.’
3.
Hoe gaat de HR met deze materie om? De Advocaat Generaal had
onder 3.11 van zijn conclusie
de volgende redenering opgezet. Uit de jurisprudentie van het EHRM dat de beperkingen op de vrijheid van
meningsuiting beperkt moeten worden uitgelegd,
destilleert hij de regel dat het feit dat een term die VtK neutraal hanteert ook negatief kan worden opgevat,
haar niet spoedig zal mogen worden toegerekend’. Voor
toerekening lijkt niet eerder plaats’, aldus de Advocaat Generaal, dan wanneer er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat
in de kring van personen tot wie de Vereniging zich richt, de term
toch in negatieve betekenis zou worden opgevat en de Vereniging zich om die
omstandigheid niet zou hebben bekommerd.’ De HR (ro 3.4.3) heeft een andere aanpak. Hij gaat
er met het Hof van uit dat de publicaties
over de uitlatingen van de VtK over kwakzalverij’
in de publieksmedia door het brede publiek in de negatieve betekenis van
het woord zullen worden opgevat. Nu de VtK zelf gemotiveerd de term in neutrale
betekenis hanteert, behoeft zij
zich in het kader
van het maatschappelijk debat, niet te laten weerhouden van het gebruik van het woord “kwakzalverij”
(…) in de daarbij door haar vermelde en toegelichte betekenis.(…).
Daarbij is in aanmerking te nemen dat de Vereniging het grote publiek heeft
willen waarschuwen voor wat zij als kwakzalverij beschouwen, en dat zij zelf
door de inhoud en context van hun publicaties geen onduidelijkheid heeft
laten bestaan over wat zij daarmee bedoelt. In dit verband
beroept zij zich terecht op artikel 10
EVRM.’
4.
Ik denk dat de benadering van de HR beter past in de door mij geciteerde
arresten van het EHRM.
Wie aan het openbare debat deelneemt, bepaalt zelf de voorwaarden van inhoud
en vorm waarop hij dat doet, als hij over de eigen bedoelingen maar duidelijk
is. Het maakt daarbij
niet uit of delen van het publiek die bedoelingen miskennen of de gebruikte
uitdrukkingsvormen anders opvatten. Het door de Advocaat Generaal gehanteerde
criterium is een erg civielrechtelijk getint toerekeningscriterium,
dat veel minder ruimte
aan deelname aan het debat geeft, omdat de ruimte daarvan door het publiek
dat andere spelregels
hanteert, kan worden
ingeperkt.
5.
De beslisregel in deze zaak is een
verfijning op de regel dat zware negatieve waardeoordelen moeten worden onderbouwd.
Het gaat immers om een term die zowel een neutrale (wetenschappelijke) betekenis
als een negatieve (in het spraakgebruik voorkomende) betekenis heeft. In uitingszaken gaat het wel vaker over dergelijke ambivalente termen. Ik noem als voorbeeld
sekte’
dat in HR 27 januari 1984,
NJ 1984, 803 een rol speelde. De HR
en de Advocaat-Generaal
Franx verschilden
van mening, omdat de Advocaat Generaal de kwalificatie sekte’ en hersenspoeling’ in een kritisch consumentenprogramma
om een groepering die daarvan de kenmerken vertoonde te typeren, wel geoorloofd
achtte, maar de HR niet. Ik denk dat de zaak nu anders zou zijn beslist.
Overigens is bij dit soort semantische kwesties
niet alleen de dikke Van Dale’ doorslaggevend, maar zijn
ook de binnen de wetenschap gangbare definities van belang.
|