Publicaties
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 


Annotatie bij HR 15 mei 2009 (Vereniging tegen de Kwakzalverij)
Verschenen in NJ 2009-36/37, nr. 372, p. 3668-3689.

E.J. Dommering


1. De Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtK) stelt zich ten doel het publiek tegen alternatieve genezers te waarschuwen. Zij hanteert daarvoor als norm, zoals zij stelt, dat van twintigste eeuwse kwakzalvers sprake is bij (a) elk beroepsmatig handelen in relatie tot de gezondheidstoestand dat (b) niet gefundeerd is op toetsbare en voor de tijd logische dan wel empirisch-houdbare hypothesen en theorieën, die (c) actief onder het publiek wordt verspreid (d) zonder dat toetsing binnen de beroepsgroep op effectiviteit en veiligheid heeft plaatsgevonden en (e) die (veelal) zonder overleg met medebehandelaars wordt toegepast. Dit is een exacte definitie die overeenstemt met die welke het woordenboek Van Dale als eerste definitie van de term geeft. Op basis van deze definitie had de VtK de manuele therapie, als kwakzalverij aangemerkt en opgenomen in een in 2000 uitgegeven lijst van ’kwakzalvers’ en in een in 2001 uitgegeven lijst van ’notoire genezers’. Daarbij nam de VtK vooral stelling tegen het feit dat de Manuele Therapie gaandeweg steeds ruimere claims was gaan doen, ver buiten het gebied van de oorspronkelijk manuele therapie. Hiertegen waren de manuele therapeuten opgekomen, omdat ze de kwalificatie ’kwakzalver’ beledigend achtte. Het Hof had in deze zaak geoordeeld dat het publiek de term ’kwakzalver’ zal opvatten in de overdrachtelijke betekenis van ’boerenbedrieger, oplichter of knoeier’ (die Van Dale als tweede betekenis geeft), acht te het gebruik daarvan onrechtmatig, verbood het gebruik voor de toekomst (evenals de term ’notoire genezer’) en wees een omvangrijke rectificatie toe. Deze uitspraak wordt in cassatie vernietigd.

2. Hoe moeten wij omgaan met een dubbelzinnige term in het openbare debat? Deze semantische kwestie vertoont gelijkenis met het gebruik van dubbelzinnige symbolen, wat aan de orde was in de zaak Vajnai tegen Hongarije (EHRM 8 juli 2008 NJ 2009, 371) . Daar ging het om het gebruik van een niet eenduidig symbool als de rode ster. Een ander precedent waar het ging over de mogelijk negatieve ’bijklank’ van een term betrof de zaak EHRM 27 februari 2001 (de zaak Jerusalem v. Austria, appl. 26958/95). Het ging over een openbare discussie over de subsidiëring van een instelling die hulp verleende aan ouders van kinderen die in sekten waren verzeild geraakt. Het gemeenteraadslid Suzanne Jerusalem had in een gemeenteraad daarvoor een lans gebroken. Zij noemde deze sekten, zoals het Institut zur Förderung der Psychologische Menschenkenntnis dat haar later aanklaagde, totalitair met fascistische tendensen, er op gericht om de identiteit van de persoon ondergeschikt te maken aan de groepsidentiteit. Jerusalem werd door de Oostenrijkse rechters veroordeeld om de uitlatingen recht te zetten. Jerusalem voerde het verweer dat zij waardeoordelen had gegeven die ze bovendien kon staven met bewijs, welk bewijs de Oostenrijkse rechters hadden geweigerd. Het EHRM veroordeelt de aanpak van de Oostenrijkse rechters, omdat men de inhoud van het debat niet moet baseren op de dubbelzinnigheid van de gebruikte waardeoordelen, maar op de werkelijke inhoud van het debat. Ik citeer het Hof: ’The question remains whether there existed a sufficient factual basis for such value judgements. In this regard, the Court notes that the applicant offered documentary evidence, especially articles from newspapers and magazines, on the internal structure and the activities of the plaintiffs, as well as a German court on this matter. In the Court’s view, such material may have been relevant to show a prima facie case that the value judgement expressed by the applicant was a fair comment. (…) The Court considers that the distinction drawn by the Austrian Courts between ’sect’ and ’psycho-sect showing totalitarian features’ was artificial and disregarded the true nature of the debate in which the applicant was involved.’

3. Hoe gaat de HR met deze materie om? De Advocaat Generaal had onder 3.11 van zijn conclusie de volgende redenering opgezet. Uit de jurisprudentie van het EHRM dat de beperkingen op de vrijheid van meningsuiting beperkt moeten worden uitgelegd, destilleert hij de regel dat het feit dat een term die VtK neutraal hanteert ook negatief kan worden opgevat, haar ’niet spoedig zal mogen worden toegerekend’. ’Voor toerekening lijkt niet eerder plaats’, aldus de Advocaat Generaal, ’dan wanneer er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat in de kring van personen tot wie de Vereniging zich richt, de term toch in negatieve betekenis zou worden opgevat en de Vereniging zich om die omstandigheid niet zou hebben bekommerd.’ De HR (ro 3.4.3) heeft een andere aanpak. Hij gaat er met het Hof van uit dat de publicaties over de uitlatingen van de VtK over ’kwakzalverij’ in de publieksmedia door het brede publiek in de negatieve betekenis van het woord zullen worden opgevat. Nu de VtK zelf gemotiveerd de term in neutrale betekenis hanteert, ’behoeft zij zich in het kader van het maatschappelijk debat, niet te laten weerhouden van het gebruik van het woord “kwakzalverij” (…) in de daarbij door haar vermelde en toegelichte betekenis.(…). Daarbij is in aanmerking te nemen dat de Vereniging het grote publiek heeft willen waarschuwen voor wat zij als kwakzalverij beschouwen, en dat zij zelf door de inhoud en context van hun publicaties geen onduidelijkheid heeft laten bestaan over wat zij daarmee bedoelt. In dit verband beroept zij zich terecht op artikel 10 EVRM.’

4. Ik denk dat de benadering van de HR beter past in de door mij geciteerde arresten van het EHRM. Wie aan het openbare debat deelneemt, bepaalt zelf de voorwaarden van inhoud en vorm waarop hij dat doet, als hij over de eigen bedoelingen maar duidelijk is. Het maakt daarbij niet uit of delen van het publiek die bedoelingen miskennen of de gebruikte uitdrukkingsvormen anders opvatten. Het door de Advocaat Generaal gehanteerde criterium is een erg civielrechtelijk getint toerekeningscriterium, dat veel minder ruimte aan deelname aan het debat geeft, omdat de ruimte daarvan door het publiek dat andere spelregels hanteert, kan worden ingeperkt.

5. De beslisregel in deze zaak is een verfijning op de regel dat zware negatieve waardeoordelen moeten worden onderbouwd. Het gaat immers om een term die zowel een neutrale (wetenschappelijke) betekenis als een negatieve (in het spraakgebruik voorkomende) betekenis heeft. In uitingszaken gaat het wel vaker over dergelijke ambivalente termen. Ik noem als voorbeeld ’sekte’ dat in HR 27 januari 1984, NJ 1984, 803 een rol speelde. De HR en de Advocaat-Generaal Franx verschilden van mening, omdat de Advocaat Generaal de kwalificatie ’ sekte’ en ’hersenspoeling’ in een kritisch consumentenprogramma om een groepering die daarvan de kenmerken vertoonde te typeren, wel geoorloofd achtte, maar de HR niet. Ik denk dat de zaak nu anders zou zijn beslist. Overigens is bij dit soort semantische kwesties niet alleen de ’dikke Van Dale’ doorslaggevend, maar zijn ook de binnen de wetenschap gangbare definities van belang.

 


Geplaatst 15.09.2009