Annotatie bij EHRM 3 april 2007 (Copland / Verenigd Koninkrijk)
Verschenen in NJ 2007-50, nr. 617, p. 6232-6236.

E.J. Dommering


1. Mevrouw Copland werkt bij het Carmarthenshire College, een openbare school voor voortgezet onderwijs in Wales. Via haar stiefdochter, waar inlichtingen worden ingewonnen door haar werkgever over door haar op haar werk verzonden e-mails, komt zij er achter dat haar telefoongebruik al achttien maanden, en haar e-mail verkeer al zes maanden door haar werkgever worden gemonitord. Zij wist daar niets van. Bij het College bestond geen interne regeling over het monitoren van de elektronische communicaties van de werknemers. Copland beklaagde zich bij haar werkgever. Uit de weergave van de feiten blijkt dat daarover wel het nodige te doen is geweest op de school, maar dat er geen procedure bij een rechter is gevolgd. Onderdeel van de klacht is dan ook schending van artikel 13 (het ontbreken van een behoorlijk rechtsmiddel), waar het Hof echter niet meer op ingaat wegens de gegrond bevinding van de klacht onder artikel 8 van het Verdrag.

2. Het Hof trekt in deze beslissingen drie lijnen door: a. Ook op de werkplek bestaat privacy voor elektronische communicaties, ongeacht of deze een privé karakter hebben: ook de 'zakelijke' communicatie valt onder de bescherming van artikel 8 (in verband met de uitleg van 'home' dat ook kantoor omvat, zie de zaak Niemietz, EHRM 16 december 1992, NJ 1993, 400, m.nt. EJD); b. 'Private correspondence' in artikel 8 wordt 'dynamisch'(zoals dat in het jargon heet) uitgelegd, naar de stand van de techniek. Het omvat ook e-mail verkeer en internetgebruik (overweging 41); c. 'Private correspondence' slaat niet alleen op de inhoud van de communicatie, maar ook op de verkeersgegevens over gesprekken en andere elektronische communicaties (met wie is wanneer gecommuniceerd: zaak Malone, EHRM 2 augustus 1984, NJ 1988, 534) Onder verwijzing naar de zaak Amann betrekt het Hof daarbij uitdrukkelijk dat deze vorm van monitoring het opslaan van persoonsgegevens oplevert, welke activiteit ook een inbreuk op de privacy is (overweging 43). Men kan deze uitspraak zo lezen dat het ook slaat op de verwerking van gegevens nadat deze zijn opgeslagen.

3. Het Hof volgt in deze uitspraak in overweging 42 de beslissing inzake Halford (EHRM 25 juni 1997, NJ 1998, 506, m.nt. PJB):

“The applicant in the present case had been given no warning that her calls would be liable to monitoring, therefore she had a reasonable expectation as to the privacy of calls made from her work telephone. The same expectation should apply in relation to the applicant's e-mail and internet usage.”

Deze algemene formulering kan licht tot de volgende verwarrende cirkelredenering leiden. Een werkgever waarschuwt zijn werknemers: Wie mijn onderneming betreedt, behoeft niet op privacy te rekenen. De werknemers hebben dus geen privacyverwachting. Ergo: hun privacy kan niet meer worden geschonden. Zo is het niet. Naar mijn oordeel gaat het om twee dingen: de controle van de gedragingen van de werknemer, ongeacht of deze betrekking hebben op zijn werk en de vrijheid van de werknemer voor privé handelingen binnen het werk. In het eerste geval gaat het om de onbevangenheid waarmee de werknemer, niet gadegeslagen, op of in verband met zijn werk handelingen kan verrichten. Dat loopt van controle op aanwezigheid (prikklokken) en beweging (cameratoezicht) tot het monitoren van elektronische communicatie (telefoon, e-mail, internet). In het tweede geval gaat het om de vrijheid die de werknemer heeft om tijdens werktijd privé handelingen te verrichten: een persoonlijk telefoongesprek, het boeken van een vakantiereis, het kopiëren van een belastingaangifte. In deze casus vielen de eerste en tweede categorie samen: mevrouw Copland werd er op gecontroleerd of zij privé gesprekken voerde. Van de eerste categorie kan men met deze uitspraak in de hand zeggen dat er voor monitoring op het werk geen plaats is als daarvoor niet een behoorlijk gepubliceerde regeling bestaat, zodat de werknemer zijn verwachtingen daarop kan afstellen. Of dat steeds het geval is, is trouwens de vraag. Er zijn functies waarvan de werknemer naar hun aard behoort te verwachten dat deze zullen worden gemonitord, zoals bijvoorbeeld het voeren van telefoongesprekken in call centra. Bij de tweede categorie gaat het om de omgangsvormen binnen een onderneming, die meer of minder strikt kunnen zijn en die het arbeidsklimaat mede bepalen. In het algemeen kan de werknemer ervan uit gaan dat hij geen 'expectancy of privacy' heeft als er in concreto geen toestemming voor privé handelingen is, maar zal daarbij snel van een de minimis beleid door de werkgever sprake zijn: kleine dingen zullen door de vingers worden gezien.

4. In beide gevallen is privacy niet een feitelijk maar een normatief verwachtingspatroon. Wat mag een werknemer in de gegeven omstandigheden, en gelet op de heersende maatschappelijke opvattingen, verwachten, en welke verwachtingen behoort een werkgever daarbinnen te honoreren. Binnen een zakelijke werkomgeving kan privacy meer worden beperkt dan in de privésfeer (zie overweging 31 in de Niemietz zaak). Beperkingen zullen ook in de werksfeer op gerechtvaardigde doelstellingen en proportionaliteit moeten worden getoetst. Dat kan betekenen dat te belastende vormen van monitoring danwel een compleet verbod op kleine privé handelingen een ongeoorloofde schending van privacy kunnen opleveren. Ik volg niet de opvatting dat dit soort vragen zich geheel oplossen in het recht van de arbeidsovereenkomst (zie bijvoorbeeld in andere zin, J.H.J. Terstegge, 'Privacybescherming van werknemers; actie door Europa?', in: P&I 2002/1, p. 31-34).

5. Het Hof onderzoekt nauwkeurig of er een voldoende wettelijke grondslag is voor de inbreuk op de privacy. Het antwoord is negatief, omdat de wettelijke regeling waar het VK zich op had beroepen, niet voldeed aan de hoge kwaliteitseisen die het Hof heeft ontwikkeld als het gaat om afluisteren (zie Khan, EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180, m.nt. Sch, par. 26; P.G. en J.H., EHRM 25 september 2001, NJ 2003, 670, m.nt. EJD, par. 44). Soortgelijke eisen stelt het bij video-observatie in het kader van de strafvordering (EHRM 17 juli 2003, NJ 2006, 40, de zaak Perry). Dergelijke wettelijke regelingen moeten over het algemeen aan de volgende kwaliteitseisen voldoen: zij moeten de bevoegdheden voor controle op een voor het datasubject eenduidige manier vastleggen, er moet toestemming tot controle vooraf (in geval van de arbeidsovereenkomst in een met de werknemers overeengekomen regeling) of notificatie achteraf zijn en tijdsduur en intensiteit van de controle moeten beperkt zijn. Geheime controle is iets wat het Hof vrijwel altijd afwijst. De wettelijke bevoegdheid van de school om datgene te doen wat 'necessary and expedient' was, was te vaag en bevatte bovendien geen enkele waarborg voor het datasubject. Het VK heeft in 2000 kennelijk op grond van de Telecommunications Regulations een regeling “Lawful Business Practice' gemaakt, maar die was nog niet van kracht.

6. Voor een overzicht van de Nederlandse praktijk en rechtspraak verwijs ik naar H.H. de Vries, 'Privacy op de werkplek', in: J.M.A. Berkvens & J.E.J. Prins (red.), Privacyregulering in theorie en Praktijk, Deventer: Kluwer 2007 (4e druk), p. 185-200. De algemene bepalingen van arbeidsrecht geven niet een specifieke wettelijke grondslag, en, stelt de Vries, de Wbp is niet toegesneden op arbeidsverhoudingen. Een poging een aparte richtlijn te maken is gestrand (de Vries, a.w. p. 190-191).

7. Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft een geactualiseerde versie van het rapport Goed werken in netwerken van de Registratiekamer gemaakt (Achtergrondstudies en Verkenningen nr. 21, Den Haag april 2002). Dit document bevat talrijke verstandige aanwijzingen hoe met dit soort problematiek om te gaan (in ieder geval een behoorlijk reglement dat werkgever en vertegenwoordigers van werknemers binnen de onderneming met elkaar zijn overeengekomen). Het wijst verschillende wettelijke grondslagen voor dit soort regelingen aan. Bij gebreke van een specifieke wettelijke regeling, moeten mijns inziens monitorregelingen (mede) worden gebaseerd op de Wbp, omdat er vrijwel altijd opslag en verwerking van persoonsgegevens in de zin van deze wet in het geding is. Het CBP gaat daar ook vanuit. Dat betekent dus ook dat deze regelingen moeten voldoen aan de kwaliteitseisen die de Wbp stelt. Dat zou mijns inziens ook voldoen aan de kwaliteitseis van de wetgeving die het EHRM in het kader van artikel 8 EVRM bij dit soort zaken stelt.


Geplaatst 19.12.2007