Annotatie bij HR 17 oktober 2006
Verschenen in NJ 2007-3, 25, p. 249-259.

E.J. Dommering


1. In 2002 stond er in het in Nederland verschijnende Turkse tijdschrift Dünya een artikel in de Nederlandse taal naar aanleiding van de zogenaamde Alanya zaak: de verkrachting van vier Nederlandse toeristes en de moord op een van hen tijdens hun vakantie in de Turkse badplaats Alanya. De hele zaak en de afhandeling daarvan door de Turkse autoriteiten kreeg veel publiciteit in Nederland en leidde tot de afgelasting van het bezoek van prins Willem Alexander aan Turkije. De schrijver wilde in zijn artikel aan de orde stellen dat de Nederlandse vrouwen medeschuld hadden aan het gebeurde wegens hun uitdagende seksueel gedrag. De titel van het artikel luidde: “Nederland moet de hand in eigen boezem steken”. In het artikel werden de drie vrouwen bij naam genoemd. Dezen dienen een klacht in wegens smaad waarvoor de schrijver wordt veroordeeld. In de procedure beroept de verdachte zich op artikel 10 EVRM met het argument dat hij een bijdrage heeft willen leveren aan het maatschappelijke debat, en een tegengeluid heeft willen laten horen in de anti-Turkse stemming die er in Nederland door deze affaire was ontstaan. Dit verweer wordt niet gehonoreerd.

2. De HR acht doorslaggevend dat de verdachte geruchten als feiten heeft gepresenteerd, zonder eerst de juistheid daarvan te verifiëren. Pas na publicatie heeft hij de ware toedracht gelezen. Het feit dat hij een verkeerd beeld heeft gegeven en de onmiskenbaar grievende bewoordingen acht de HR doorslaggevend.

3. Op het punt van de smaad jurisprudentie brengt de uitspraak niet veel nieuws (zie A.L.J. Janssen & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2005, Studiepockets Strafrecht 36, pp. 40-53). Interessant is dat de Advocaat Generaal in zijn conclusie de zaak McVicar aanhaalt (EHRM 7 mei 2002 NJ 2004, 337, met annotatie EJD). De beslissende overweging in dat arrest is “that special grounds were required before a newspaper could be dispensed from its obligation to verify factual statements that were defamatory of private individuals. The questions whether such grounds existed depended in particular on the nature and degree of the defamation in question and the extent to which the newspaper could reasonably regard its sources as reliable with respect to the allegations.“ Een opiniërende stellingname die op zichzelf behoort tot de vrije sfeer van de waarde-oordelen, kan dus ook smaad zijn als daarin ernstige beschuldigingen jegens met name genoemde personen en instellingen zijn vervat die gebaseerd zijn op niet geverifieerde geruchten.

4. De uitspraak lijkt mij van belang voor degenen die 'Name and Shame' sites op internet redigeren waarin vermeend wangedrag van personen of instellingen aan de kaak wordt gesteld. Internet is een typische geruchtenmachine en wie daar zijn brood mee wil verdienen zal dus enige voorzorgen in acht moeten nemen met het publiceren van 'feiten' over met naam en toenaam genoemde personen en instellingen die voor de betrokkenen in hoge mate diffamerend en grievend kunnen zijn. Er bestaat in Nederland een wijdverbreid bijgeloof dat columnisten alles kunnen zeggen. Dit heeft zich vastgezet in de term 'columnistenvrijheid' (Onrechtmatige Daad VII (Schuijt) nr. 80). In de vorm en met het wapen van de ironie hebben zij inderdaad meer vrijheid, maar ik vrees dat ook columnisten die zich uitsluitend op geruchten baseren bij persoonlijke aanvallen op personen en instellingen aan de norm van de hiervoor genoemde McVicar uitspraak mogen worden gemeten.


Geplaatst 21.02.2007