|
1.
In 2002 stond er in het in Nederland verschijnende
Turkse tijdschrift Dünya een artikel in de
Nederlandse taal naar aanleiding van de zogenaamde
Alanya zaak: de verkrachting van vier Nederlandse
toeristes en de moord op een van hen tijdens hun
vakantie in de Turkse badplaats Alanya. De hele zaak en
de afhandeling daarvan door de Turkse autoriteiten kreeg
veel publiciteit in Nederland en leidde tot de
afgelasting van het bezoek van prins Willem Alexander
aan Turkije. De schrijver wilde in zijn artikel aan de
orde stellen dat de Nederlandse vrouwen medeschuld
hadden aan het gebeurde wegens hun uitdagende seksueel
gedrag. De titel van het artikel luidde: “Nederland
moet de hand in eigen boezem steken”. In het artikel
werden de drie vrouwen bij naam genoemd. Dezen dienen
een klacht in wegens smaad waarvoor de schrijver wordt
veroordeeld. In de procedure beroept de verdachte zich
op artikel 10 EVRM met het argument dat hij een bijdrage
heeft willen leveren aan het maatschappelijke debat, en
een tegengeluid heeft willen laten horen in de
anti-Turkse stemming die er in Nederland door deze
affaire was ontstaan. Dit verweer wordt niet
gehonoreerd.
2.
De HR acht doorslaggevend dat de verdachte geruchten als
feiten heeft gepresenteerd, zonder eerst de juistheid
daarvan te verifiëren. Pas na publicatie heeft hij de
ware toedracht gelezen. Het feit dat hij een verkeerd
beeld heeft gegeven en de onmiskenbaar grievende
bewoordingen acht de HR doorslaggevend.
3.
Op het punt van de smaad jurisprudentie brengt de
uitspraak niet veel nieuws (zie A.L.J. Janssen &
A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer:
Kluwer 2005, Studiepockets Strafrecht 36, pp. 40-53).
Interessant is dat de Advocaat Generaal in zijn
conclusie de zaak McVicar aanhaalt (EHRM 7
mei 2002 NJ 2004, 337, met annotatie
EJD). De beslissende overweging in dat arrest is “that
special grounds were required before a newspaper could
be dispensed from its obligation to verify factual
statements that were defamatory of private individuals.
The questions whether such grounds existed depended in
particular on the nature and degree of the defamation in
question and the extent to which the newspaper could
reasonably regard its sources as reliable with respect
to the allegations.“ Een opiniërende stellingname die
op zichzelf behoort tot de vrije sfeer van de
waarde-oordelen, kan dus ook smaad zijn als daarin
ernstige beschuldigingen jegens met name genoemde
personen en instellingen zijn vervat die gebaseerd zijn
op niet geverifieerde geruchten.
4.
De uitspraak lijkt mij van belang voor degenen die 'Name
and Shame' sites op internet redigeren waarin vermeend
wangedrag van personen of instellingen aan de kaak wordt
gesteld. Internet is een typische geruchtenmachine en
wie daar zijn brood mee wil verdienen zal dus enige
voorzorgen in acht moeten nemen met het publiceren van
'feiten' over met naam en toenaam genoemde personen en
instellingen die voor de betrokkenen in hoge mate
diffamerend en grievend kunnen zijn. Er bestaat in
Nederland een wijdverbreid bijgeloof dat columnisten
alles kunnen zeggen. Dit heeft zich vastgezet in de term
'columnistenvrijheid' (Onrechtmatige Daad VII (Schuijt)
nr. 80). In de vorm en met het wapen van de ironie
hebben zij inderdaad meer vrijheid, maar ik vrees dat
ook columnisten die zich uitsluitend op geruchten
baseren bij persoonlijke aanvallen op personen en
instellingen aan de norm van de hiervoor genoemde
McVicar uitspraak mogen worden gemeten. |