|
De
besproken zaken
1.
In twee zaken gaat het om een conflict tussen de
godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. De
zaak Alinak valt enigszins buiten dit patroon, omdat zij
gaat over het aanzetten tot haat tussen de Turken. Zij
biedt echter interessant vergelijkingsmateriaal met de
andere Turkse zaak İA.
Ik parafraseer kort de feiten in de verschillende zaken.
Voor een uitvoeriger overzicht zij verwezen naar de
samenvattingen voor de arresten.
2.
In de zaak Alinak gaat het om een roman De opwinding
van Şiro
die gebaseerd is op waar gebeurde feiten in de provincie
Şirnak
in het Zuidoosten van Turkije, grenzend aan Irak,
behorend tot het voormalige Kurdistan. In de door het
Openbaar Ministerie gewraakte passage in het boek zegt Şiro,
de hoofdpersoon van het boek, tegen een vriend, dat hij
Mizrak, hoofd van de veiligheidstroepen, aangeduid als
een tiran die in de provincie had huisgehouden, wil
oppakken, van zijn kleren ontdoen, afranselen, met een
touw om zijn nek naakt rond Ankara jagen, villen en met
zout vullen – dit alles om aan andere tirannen een
voorbeeld te stellen. Zijn vriend vermaant hem dat het
ter dood brengen van tirannen niet helpt, alleen als
allen in opstand komen is de tirannie te bestrijden. In
Turkije wordt de schrijver veroordeeld wegens het
aanzetten tot haat doordat een verschil tussen Turken
wordt gemaakt op grond van etnische identiteit. Het EHRM
acht unaniem schending van artikel 10 aanwezig.
3.
In de zaak İA
gaat het om een publicatie van het boek God, de
Religie, de Profeet en het Heilige Boek, dat op
romanachtige manier ('dans une style romanesque')
filosofische en theologische kwesties aan de orde stelt.
De schrijver van het boek wordt vervolgd wegens
belediging van God, de religie en de profeet. De
veroordeling volgt op basis van een deskundigenrapport
waarin wordt geconstateerd dat de auteur religie
gelijkstelt met obscurantisme: gelovigen volgen als
blinden een imaginaire god. Meer in het bijzonder valt
de Turkse rechter over een passage, aangewezen door een
tweede deskundige, waarin wordt gesteld dat de
boodschapper van God (Mohammed) de regel van de vasten
breekt door sexueel verkeer te hebben na het eten, maar
voor het gebed. Mohammed verbiedt, volgens de schrijver,
bovendien niet sexueel contact met een overleden mens of
een dier. Het EHRM (de Kamer had een nagenoeg gelijke
samenstelling als in de zaak Alinak) acht met vier tegen
drie geen schending van artikel 10 aanwezig. Dissenters
zijn Costa (kamerpresident in beide zaken), Cabral
Barreto en Jungwiert (die niet in de Alinak kamer zat).
4.
Giniewski noemt zichzelf journalist, socioloog en
historicus. In 1994 bekritiseert hij in Le Quotidien
de Paris de pauselijke encycliek De lichtende
straling van de waarheid (Veritatis Splendor) in een
artikel getiteld 'De duisternis van de dwaling'. Hij
stelt daarin dat vele Christenen erkennen dat het
anti-judaïsme in de Schrift naar het antisemitisme
leidt en de weg bereid heeft naar Auschwitz. De Franse
rechter veroordeelt hem wegens discriminatie van een
groep personen die tot een bepaald geloof behoren. Het
EHRM (in nagenoeg gelijke samenstelling als de andere
kamers) acht unaniem schending van artikel 10 aanwezig.
De
'Turkse jurisprudentie' van het Hof
5.
De eerste twee zaken betreffen Turkije en het heeft
daarom zin een ogenblik stil te staan bij de 'Turkse
jurisprudentie' van het Hof. Het gaat om vele honderden
uitspraken. Niet alleen het grote aantal zaken (niet
alleen met betrekking tot artikel 10), maar ook de
structurele problemen bij de implementatie van
uitspraken van het Hof, zijn reden voor zorg. De Raad
van Europa heeft daarover op 18 september 2006 een
resolutie aangenomen (doc. 11020). Ik probeer een paar
lijnen te trekken. De eerste lijn betreft het verbod op
separatistische propaganda en met name de bescherming
van de eenheid van de Turkse staat die in het Turkse
Wetboek van Strafrecht met een speciale strafbepaling is
bedacht. Er worden met grote regelmaat door de Turkse
rechter veroordelingen uitgesproken wegens het in gevaar
brengen van de Turkse zaak. Ook de tegen de Nobelprijs
winnaar Omar Pamuk aangespannen maar weer afgeblazen
zaak, was op deze strafbepaling gebaseerd. Het gaat dan
om de 'Armeense kwestie' (genocide of niet), de
'Koerdische kwestie' of politieke aanvallen van rechter
of linkerzijde op de eenheidsstaat. De Koerdische
kwestie (oproepen tot Koerdisch separatisme) voert in de
veroordelingen in Turkije de boventoon (Vgl. D.
Voorhoof, 'Het Europese 'First Amendment', De
Straatsburgse jurisprudentie over artikel 10 EVRM
(1996-1999), in Mediaforum 1999-10 in het
bijzonder met betrekking tot Turkije, p. 269-271 en de
periode 1999-2003, in Mediaforum 2004-6, in het
bijzonder pagina 207). Het Hof laveert hier door tussen
geoorloofde separatistische propaganda en het af te
wijzen aanzetten tot haat en geweld tegen de staat. Het
Hof acht de meeste veroordelingen in strijd met artikel
10 EVRM, maar trekt de grens bij aanzetten tot geweld
(zie bijvoorbeeld recente beslissingen EHRM
7 maart 2006, inzake Hocaogullari, appl. 77109/01 en
EHRM 10 oktober 2006 inzake Halis Doğan, appl.
4119/02). Het gaat om uitingen in vergaderingen,
pamfletten, artikelen, maar ook om wetenschappelijke en
literaire werken, zoals in de eerder in de NJ
gepubliceerde zaak Baskaya (EHRM
8 juli 1999 NJ 2001, 62, m.nt. EJD, maar zie
bijvoorbeeld ook EHRM
4 maart 2003, Yasar Kemal Gökçeli, appl. 27215/95,
EHRM
13 juli 2004, Zarakolu 26971/95 en 37933/97, EHRM 19
mei 2005, Turhan, appl. 48176/99, EHRM 8 februari 2005,
Erdost, appl. 50747/99). De zaak Alinak past in deze
reeks. In de onderhandelingen in najaar 2006 met de EU
over het toetredingstraject, heeft de Turkse regering
toegezegd de strafbepaling die de eenheid van Turkije
beoogt te beschermen, te schrappen.
6.
Een tweede lijn betreft de inrichting van de staat. Het
secularisatieproces dat daar aan ten grondslag ligt
kreeg vorm in de tweede helft van de 19e
eeuw, en was gemodelleerd naar het Franse voorbeeld
omdat veel Frans recht werd geïmporteerd (E.J. Zürcher
& H van der Linden, Zoeken naar de breuklijn,
in: WRR rapport nr. 69, De Europese Unie, Turkije en
de islam, Amsterdam: Amsterdam University Press
2004, p. 95). Na de kemalistische revolutie werd onder
Atatürk de scheiding van kerk en staat op jacobijnse
leest geschoeid en werd de openbare ruimte en het
onderwijs geheel geseculariseerd. De islam kwam onder
staatscontrole en de mystieke broederschappen (tarikats)
werden afgeschaft. Men kan dit als een georganiseerde
aanval op de islamitische cultuur omschrijven (Zürcher
& Van der Linden, p. 99), die dichter in de buurt
komt van het huidige Franse laïcisme dan de meer
gematigde vormen van secularisme in andere West-Europese
landen (zie voor een analyse van de verschillende
varianten Olivier Roy, De islam en de scheiding van
kerk en staat, Amsterdam: Van Gennep 2006 (vertaling
van La laïcité face à l'islam). De van bovenaf
afgedwongen modernisering leidde tot veel spanningen.
Dat zien we in de rechtspraak van het Hof op
verschillende niveaus terug. In de openbare discussie
zien we tegenover elkaar staan kemalisten (aanhangers
van het gedachtengoed van de stichter van de Turkse
eenheidsstaat Atatürk) en de meer fundamentalistische
varianten van de islam, onder meer uitgedragen door de
inmiddels weer gedoogde tarikats. Een voorbeeld
daarvan is de zaak Günduz (EHRM
4 december 2003, NJ 2005, 176, m.nt.
EJD). In de door het leger in 1997 gevoerde campagne
tegen de oplevende fundamentalistische islam die niet
paste in de door het leger voorgestane Turkse islam in
een geseculariseerde staat, kwam het tot een verbod van
Refah (Welvaart) partij van Erbakan (Zürcher & Van
der Linden, p. 89-90: de 'zachte staatsgreep' van
februari 1997). Het door het Turkse Constitutionele Hof
gesanctioneerde verbod was gebaseerd op de bescherming
van de geseculariseerde staatsvorm. Het EHRM oordeelde
dat een lidstaat dat een partij verbiedt op gronden dat
zij een reële bedreiging voor de democratie vormt niet
in strijd komt met de Conventie omdat de democratie de
hoeksteen vormt van de Europese rechtsorde (EHRM
31 juli 2001, appl. 41340/98 en EHRM
13 februari 2003 – Grand Chamber -, NJ
2005, 73 m.nt. EAA). Evenals bij de separatistische
propaganda trekt het Hof dus de grens tussen de vrije
uiting (Günduz) en de verboden ondemocratische praktijk
(Refah). Dit blijft een betrekkelijk diffuse scheidslijn
(vgl. ook mijn artikel
'De
extreem afwijkende mening', in: Mediaforum
2006-6, p. 162-172). Het Turkse leger is nog steeds het
kemalistische bolwerk van de moderne 'Turkse islam' en
heeft nog steeds grote politieke invloed. In de
onderhandelingen over de toetreding van Turkije tot de
EU is de Turkse regering vooralsnog niet bereid gebleken
de politieke rol van het leger te verminderen.
7.
De derde lijn vormt de godsdienst. Als uitvloeisel van
een secularisatie naar het model van het Franse
laïcisme geldt in Turkije een verbod tot het dragen van
een hoofddoek bij participatie in het onderwijs. Dit
verbod werd aangevochten door de studente Sahin aan de
Universiteit van Istanbul. Evenals in de Refah zaak koos
het Hof de zijde van de Turkse staat (EHRM 10 november
2005 – Grand Chamber- , NJ 2006, 170, m.nt.
EAA; zie voorts Titia Loenen & Ashley Terlouw, 'De
ondraaglijke zwaarte van de hoofddoek', in: NJCM-Bulletin,
jrg. 31 (2006), p. 213-233). Het laat een grote margin
of appreciation aan de lidstaten als de verhouding
tussen religie en de staat aan de orde is, in het
bijzonder als het gaat om regulering van religieuze
symbolen in het onderwijs. Alkema wijst in zijn noot op
de sterke Turkse connotatie van dit arrest. De Sahin
beslissing is echter in algemene zin richtinggevend
gebleven (zie de ontvankelijkheidbeslissing EHRM 24
januari 2006, de zaak Köse e.a., appl. 26625/02). Het
lijkt er dus op dat het Hof de nationale invulling van
het secularisme zal blijven respecteren (dus ook het uit
het Franse laïcisme voortvloeiende hoofddoekverbod, zie
daarover de hiervoor geciteerde Olivier Roy).
8.
De vierde lijn is theoretisch de minst Turkse, maar
praktisch wel. Het Hof wordt stelselmatig geconfronteerd
met zaken uit Turkije die daden van geweld tegen
persorganen en journalisten betreffen. Het Hof kiest
daarbij onvoorwaardelijk de zijde van de pers, geheel in
de geest van zijn constante jurisprudentie waarin aan de
pers in een democratische rechtsorde een
geprivilegieerde positie wordt toegekend (zie
bijvoorbeeld EHRM
16 maart 2000, inzake Gündem, Mediaforum 2000-5,
nr. 31 m.nt. A.E. Nieuwenhuis).
Kunst,
zeden en religie
9.
De besproken beslissingen raken ook aan kunst, religie
en zedelijkheid, met name de zaken İA
en Giniewski. Ik sta daarom nader stil bij de
jurisprudentie van het Hof in deze domeinen. Het Hof is
al vrij vroeg voor het anker gaan liggen dat het in
zaken van zedelijkheid en moraal, anders dan bij de
publieke discussie in het kader van de democratische
besluitvorming, niet richtinggevend wilde zijn:
lidstaten hebben hier dus een grote margin of
appreciation. Het principiële precedent is nog steeds
het Handyside arrest, een van de eerste arresten van het
Hof, dat nog dikwijls in de jurisprudentie van het Hof
wordt aangehaald (EHRM 12 december 1976, NJ 1978,
236; R.A. Lawson & H.G. Schermers, Leading Cases
of the European Court of Human Rights: Nijmegen: Ars
Aequi Libri 1997, p. 28). Het ging om het 'rode'
schoolboekje waarin vrijelijk seksuele voorlichting aan
schoolkinderen werd gegeven. De Engelse rechters
verboden de verdere verspreiding van het boekje. Het Hof
liet dat verbod overeind met de bekende redenering dat
het in zaken de zedelijkheid betreffende slechts een
marginale controle op nationale maatregelen wil
uitoefenen. De beslissing is van begin af aan
bekritiseerd (zie daarvoor R.A. Lawson & H.G.
Schermers, a.w.). In een recent commentaar (Helen
Fenwick & Gavin Phillipson, Media Freedom under
the Human Rights Act, Oxford: Oxford University
Press 2006, p. 93) is de uitspraak opnieuw scherp
aangevallen, omdat niet valt te ontkennen dat een
openlijke discussie van seksuele mores eind jaren zestig
onmiskenbaar een onderdeel was van een maatschappelijke
discussie. In navolging van anderen lanceren zij de
interessante stelling dat de keuze van het
beperkingsdoel bij toepassing van het tweede lid van
artikel 10, een minder formele aangelegenheid is dan
doorgaans wordt aangenomen. Wanneer het Hof kiest voor
de beperking 'zedelijkheid' of 'religie', komt het aan
de afweging of er voor die beperking een 'pressing
social need' was niet meer toe: de toetsing gaat op in
die van de aard van de uiting tegen de aard van de
beperking ('speech/harm balancing', Helen Fenwick &
Gavin Phillipson, a.w. p.97). Voorbeelden waarin het Hof
zich terugtrok omdat er zeden en godsdienst (of beide)
in het geding waren zijn EHRM
24 mei 1988, NJ 1991, 685, m.nt. EAA (de zaak
Müller, betreffende een door Zwitserse kantonale
autoriteiten in beslaggenomen schilderijen, omdat zij
door die autoriteiten obsceen werden geacht), EHRM
20 september 1994, NJ 1995, m.nt. EJD (de
zaak Otto Preminger, betreffende de vertoning van de
film 'Das Liebeskonzil' in een Tirools filmhuis die
aanstootgevend werd geacht voor de katholieke Tiroolse
bevolking), EHRM
25 november 1996, NJ 1998, 359, m.nt. EJD (de
zaak Wingrove betreffende een preventief
verspreidingsverbod van een door de Engelse autoriteiten
godslasterlijk geachte video) en EHRM
10 juli 2003, NJ 2005, 177, m.nt.
EJD (de zaak Murphy betreffende een verbod op de
Ierse televisie om religieuze reclame te maken). Een
recente toepassing laat de
niet-ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak betreffende
de film 'Baise-moi' zien (Décision 22 juni 2006,
V.D.2C4/France, reg. 68238/01).
10.
De zaak İA
waarvan de Turkse veroordeling in Straatsburg geen
schending opleverde, komt in het Handyside vaarwater
terecht. Bij het noemen van de precedenten waarmee het
Hof zijn uitspraken pleegt te motiveren zien we in de
overwegingen 23-28, te beginnen met Handyside, de
hiervoor genoemde arresten allemaal terug. Ik kan mij
niet aan de indruk onttrekken dat, wanneer het
feitenbestand religieus is, en bovendien seksueel
ingekleurd, er bij de concipiërende juristen van de
betreffende kamer een geconditioneerde reflex optreedt,
waardoor automatisch deze beslissingen als te citeren
precedenten uit de PC rollen, en het in de Kamer blijft
bij de beoordeling van de 'speech/harm balancing'
uitgevoerd door de nationale autoriteiten. Kunstuitingen
die door het Hof als 'politiek' worden geduid, kunnen
rekenen op meer bescherming (zie recentelijk EHRM
25 januari 2007, appl. 68354/01, Vereinigung
Bildener Künstler/Austria: betreffende een schilderij
van Otto Mühl dat politieke satire over een politicus
uitdrukte in seksueel getinte scènes; de zaak Alinak is
ook een voorbeeld dat literaire expressie die politiek
geduid wordt meer bescherming krijgt).
11.
Het Hof schenkt in de Alinak zaak veel aandacht aan het
feit dat de gewraakte uitingen werden gedaan in een
literair werk. Het impliceert daarmee dat er dan meer
vrijheid is in de vorm, men leze overweging 41:
“Taken
literary, certain passages might be construed as
inciting readers to hatred, revolt and the use of
violence. In deciding whether they in fact did so, it
must nevertheless be borne in mind that the medium
used by the applicant was a novel, a form of artistic
expression that appeals to a relatively narrow public
compared to, for example, the mass media.”
In
andere zaken laat het Hof inderdaad meewegen dat het om
een massamedium met een groot publiek gaat; zo
bijvoorbeeld in de zaak Murphy, hiervoor geciteerd.
Binnen een massamedium kan dan weer gedifferentieerd
worden als het om een nieuwsrubriek gaat met een
kritisch geïnformeerd publiek; zo in de Jersild zaak (EHRM
23 september 1994 NJ 1995, 382, m.nt. EJD).
Vergelijking tussen de zaken Alinak en İA
laat zien dat de literaire vorm wel wordt gehanteerd ter
rechtvaardiging van een 'aanstootgevende' politieke
expressie (Alinak), maar niet bij een 'aanstootgevende'
religieuszedelijke expressie. Dezelfde redenering dat de
uiting gedaan wordt op een geselecteerd forum voor een
geïnformeerd publiek is toepassing als het gaat om
artistieke fora voor beeldende kunst (een galerie, zoals
in de Müllerzaak) of film (een filmhuis in de zaak
Preminger). De benadering van het Hof is dus
inconsistent. Het zou heel wel denkbaar zijn dat het Hof
aan artistieke fora in het algemeen in een
democratie een geprivilegieerde positie toekent, omdat
dit broedplaatsen van nieuwe ideeën zijn die aan
geïnformeerde voorhoede worden gepresenteerd. Deze
verdienen ook in zaken van godsdienst en moraal
bescherming tegen de lokale conservatieve meerderheid.
Een dergelijke benadering betekent wel dat het Hof zijn
Handyside precedent na dertig jaar zou moeten
heroverwegen. Het zou passen in de institutionele
benadering die het Hof kiest, waarin de Pers als
belangrijk democratisch forum bijzondere
bescherming krijgt. Zie voor een afwijkende, maar met
name ten aanzien van het Otto Premingerarrest kritische
argumentatie A.E. Nieuwenhuis in zijn noten bij het
Alinakarrest en het İA-arrest
(Mediaforum 2005-5, nr. 18, Mediaforum 2005-10,
nr. 30).
12.
Tenslotte verdient de godsdienst de aandacht. Zoals bij
de extremistische mening het Hof de grens trekt tussen
de uiting van de opvatting en het aanzetten tot geweld,
zo lijkt het die bij godsdienst te trekken tussen
scherpe godsdienstkritiek en een aanval op de godsdienst
als zodanig. Het oordeelt daarom dat de veroordeling van
de mening dat de Bijbel antisemitisme heeft bevorderd
wel kan (Giniewski), maar de aanval op de profeet
Mohammed (de seksuele moraal van Mohammed) niet. Die
laatste noemt het Hof in de Franse tekst (overweging 29)
“une attaque injurieuse contre la personne du prophète
de l'Islam.” De minderheid is het daar op zich zelf
wel mee eens, maar vindt het disproportioneel om daarom
het hele boek te veroordelen. Het past de theorie van
het artistieke forum ook toe op het boek in de İA
zaak. Vermelding verdient dat zij daarbij ook de
precedenten Preminger en Wingrove kritisch tegen het
licht houden. (overwegingen 7 en 8 in de dissenting
opinion). Wie weet is dit het begin van een barst in de
bestaande, nog steeds door een meerderheid gedragen
precedentenpraktijk in zaken betreffende godsdienst en
moraal.
Evaluatie
van de besproken zaken
13.
Na het voorafgaande kan de bespreking van de arresten
kort zijn. Afgezien van de typisch Turkse aspecten en de
principiële kritiek op de Handyside jurisprudentie van
het Hof, past de uitkomst in de Nederlandse
rechtpraktijk. De ondemocratische mening wordt
beschermd, zolang zij niet aanzet tot geweld (Ik verwijs
naar de monogafie van A.L.J. Janssen & A.J.
Nieuwenhuis, Uitingsdelicten , Deventer: Kluwer
2005, Studiepockets Strafrecht 36, pp. 139-148). De
discussie over aanvallen op de profeet Mohammed kennen
wij in Nederland ook. Ayaan Hirshi Ali heeft hem ooit in
een interview wegens zijn seksuele omgang met
minderjarige meisjes een pederast genoemd, hetgeen de
voorzieningenrechter nog net door de vingers wilde zien,
omdat het een antwoord in een interview was (Vz. Rb. Den
Haag 15 maart 2005, Mediaforum 2005-4, nr. 15
m.nt. G.A.I. Schuijt die het punt dat een stelselmatige
aanval op de persoon van de profeet onrechtmatig werd
geacht door de rechter niet ziet). En bij de
Mohammedcartoons speelde dezelfde vraag (
'De
Deense Beeldenstorm', in Nederlandse Juristenblad
2006-11, 634-639). Zie voorts voor godslastering en
kunst Janssen & Nieuwenhuis a.w. p. 205-207 en
217-219. |