Annotatie bij EHRM 29 maart 2005 (Alinak / Turkije), EHRM 13 september 2005 (İA / Turkije) en EHRM 31 januari 2006 (Giniewski / Frankrijk)
Verschenen in NJ 2007-17, nrs. 198-200, p. 1998-2002.

E.J. Dommering


De besproken zaken

1. In twee zaken gaat het om een conflict tussen de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. De zaak Alinak valt enigszins buiten dit patroon, omdat zij gaat over het aanzetten tot haat tussen de Turken. Zij biedt echter interessant vergelijkingsmateriaal met de andere Turkse zaak İA. Ik parafraseer kort de feiten in de verschillende zaken. Voor een uitvoeriger overzicht zij verwezen naar de samenvattingen voor de arresten.

2. In de zaak Alinak gaat het om een roman De opwinding van Şiro die gebaseerd is op waar gebeurde feiten in de provincie Şirnak in het Zuidoosten van Turkije, grenzend aan Irak, behorend tot het voormalige Kurdistan. In de door het Openbaar Ministerie gewraakte passage in het boek zegt Şiro, de hoofdpersoon van het boek, tegen een vriend, dat hij Mizrak, hoofd van de veiligheidstroepen, aangeduid als een tiran die in de provincie had huisgehouden, wil oppakken, van zijn kleren ontdoen, afranselen, met een touw om zijn nek naakt rond Ankara jagen, villen en met zout vullen – dit alles om aan andere tirannen een voorbeeld te stellen. Zijn vriend vermaant hem dat het ter dood brengen van tirannen niet helpt, alleen als allen in opstand komen is de tirannie te bestrijden. In Turkije wordt de schrijver veroordeeld wegens het aanzetten tot haat doordat een verschil tussen Turken wordt gemaakt op grond van etnische identiteit. Het EHRM acht unaniem schending van artikel 10 aanwezig.

3. In de zaak İA gaat het om een publicatie van het boek God, de Religie, de Profeet en het Heilige Boek, dat op romanachtige manier ('dans une style romanesque') filosofische en theologische kwesties aan de orde stelt. De schrijver van het boek wordt vervolgd wegens belediging van God, de religie en de profeet. De veroordeling volgt op basis van een deskundigenrapport waarin wordt geconstateerd dat de auteur religie gelijkstelt met obscurantisme: gelovigen volgen als blinden een imaginaire god. Meer in het bijzonder valt de Turkse rechter over een passage, aangewezen door een tweede deskundige, waarin wordt gesteld dat de boodschapper van God (Mohammed) de regel van de vasten breekt door sexueel verkeer te hebben na het eten, maar voor het gebed. Mohammed verbiedt, volgens de schrijver, bovendien niet sexueel contact met een overleden mens of een dier. Het EHRM (de Kamer had een nagenoeg gelijke samenstelling als in de zaak Alinak) acht met vier tegen drie geen schending van artikel 10 aanwezig. Dissenters zijn Costa (kamerpresident in beide zaken), Cabral Barreto en Jungwiert (die niet in de Alinak kamer zat).

4. Giniewski noemt zichzelf journalist, socioloog en historicus. In 1994 bekritiseert hij in Le Quotidien de Paris de pauselijke encycliek De lichtende straling van de waarheid (Veritatis Splendor) in een artikel getiteld 'De duisternis van de dwaling'. Hij stelt daarin dat vele Christenen erkennen dat het anti-judaïsme in de Schrift naar het antisemitisme leidt en de weg bereid heeft naar Auschwitz. De Franse rechter veroordeelt hem wegens discriminatie van een groep personen die tot een bepaald geloof behoren. Het EHRM (in nagenoeg gelijke samenstelling als de andere kamers) acht unaniem schending van artikel 10 aanwezig.

De 'Turkse jurisprudentie' van het Hof

5. De eerste twee zaken betreffen Turkije en het heeft daarom zin een ogenblik stil te staan bij de 'Turkse jurisprudentie' van het Hof. Het gaat om vele honderden uitspraken. Niet alleen het grote aantal zaken (niet alleen met betrekking tot artikel 10), maar ook de structurele problemen bij de implementatie van uitspraken van het Hof, zijn reden voor zorg. De Raad van Europa heeft daarover op 18 september 2006 een resolutie aangenomen (doc. 11020). Ik probeer een paar lijnen te trekken. De eerste lijn betreft het verbod op separatistische propaganda en met name de bescherming van de eenheid van de Turkse staat die in het Turkse Wetboek van Strafrecht met een speciale strafbepaling is bedacht. Er worden met grote regelmaat door de Turkse rechter veroordelingen uitgesproken wegens het in gevaar brengen van de Turkse zaak. Ook de tegen de Nobelprijs winnaar Omar Pamuk aangespannen maar weer afgeblazen zaak, was op deze strafbepaling gebaseerd. Het gaat dan om de 'Armeense kwestie' (genocide of niet), de 'Koerdische kwestie' of politieke aanvallen van rechter of linkerzijde op de eenheidsstaat. De Koerdische kwestie (oproepen tot Koerdisch separatisme) voert in de veroordelingen in Turkije de boventoon (Vgl. D. Voorhoof, 'Het Europese 'First Amendment', De Straatsburgse jurisprudentie over artikel 10 EVRM (1996-1999), in Mediaforum 1999-10 in het bijzonder met betrekking tot Turkije, p. 269-271 en de periode 1999-2003, in Mediaforum 2004-6, in het bijzonder pagina 207). Het Hof laveert hier door tussen geoorloofde separatistische propaganda en het af te wijzen aanzetten tot haat en geweld tegen de staat. Het Hof acht de meeste veroordelingen in strijd met artikel 10 EVRM, maar trekt de grens bij aanzetten tot geweld (zie bijvoorbeeld recente beslissingen EHRM 7 maart 2006, inzake Hocaogullari, appl. 77109/01 en EHRM 10 oktober 2006 inzake Halis Doğan, appl. 4119/02). Het gaat om uitingen in vergaderingen, pamfletten, artikelen, maar ook om wetenschappelijke en literaire werken, zoals in de eerder in de NJ gepubliceerde zaak Baskaya (EHRM 8 juli 1999 NJ 2001, 62, m.nt. EJD, maar zie bijvoorbeeld ook EHRM 4 maart 2003, Yasar Kemal Gökçeli, appl. 27215/95, EHRM 13 juli 2004, Zarakolu 26971/95 en 37933/97, EHRM 19 mei 2005, Turhan, appl. 48176/99, EHRM 8 februari 2005, Erdost, appl. 50747/99). De zaak Alinak past in deze reeks. In de onderhandelingen in najaar 2006 met de EU over het toetredingstraject, heeft de Turkse regering toegezegd de strafbepaling die de eenheid van Turkije beoogt te beschermen, te schrappen.

6. Een tweede lijn betreft de inrichting van de staat. Het secularisatieproces dat daar aan ten grondslag ligt kreeg vorm in de tweede helft van de 19e eeuw, en was gemodelleerd naar het Franse voorbeeld omdat veel Frans recht werd geïmporteerd (E.J. Zürcher & H van der Linden, Zoeken naar de breuklijn, in: WRR rapport nr. 69, De Europese Unie, Turkije en de islam, Amsterdam: Amsterdam University Press 2004, p. 95). Na de kemalistische revolutie werd onder Atatürk de scheiding van kerk en staat op jacobijnse leest geschoeid en werd de openbare ruimte en het onderwijs geheel geseculariseerd. De islam kwam onder staatscontrole en de mystieke broederschappen (tarikats) werden afgeschaft. Men kan dit als een georganiseerde aanval op de islamitische cultuur omschrijven (Zürcher & Van der Linden, p. 99), die dichter in de buurt komt van het huidige Franse laïcisme dan de meer gematigde vormen van secularisme in andere West-Europese landen (zie voor een analyse van de verschillende varianten Olivier Roy, De islam en de scheiding van kerk en staat, Amsterdam: Van Gennep 2006 (vertaling van La laïcité face à l'islam). De van bovenaf afgedwongen modernisering leidde tot veel spanningen. Dat zien we in de rechtspraak van het Hof op verschillende niveaus terug. In de openbare discussie zien we tegenover elkaar staan kemalisten (aanhangers van het gedachtengoed van de stichter van de Turkse eenheidsstaat Atatürk) en de meer fundamentalistische varianten van de islam, onder meer uitgedragen door de inmiddels weer gedoogde tarikats. Een voorbeeld daarvan is de zaak Günduz (EHRM 4 december 2003, NJ 2005, 176, m.nt. EJD). In de door het leger in 1997 gevoerde campagne tegen de oplevende fundamentalistische islam die niet paste in de door het leger voorgestane Turkse islam in een geseculariseerde staat, kwam het tot een verbod van Refah (Welvaart) partij van Erbakan (Zürcher & Van der Linden, p. 89-90: de 'zachte staatsgreep' van februari 1997). Het door het Turkse Constitutionele Hof gesanctioneerde verbod was gebaseerd op de bescherming van de geseculariseerde staatsvorm. Het EHRM oordeelde dat een lidstaat dat een partij verbiedt op gronden dat zij een reële bedreiging voor de democratie vormt niet in strijd komt met de Conventie omdat de democratie de hoeksteen vormt van de Europese rechtsorde (EHRM 31 juli 2001, appl. 41340/98 en EHRM 13 februari 2003 – Grand Chamber -, NJ 2005, 73 m.nt. EAA). Evenals bij de separatistische propaganda trekt het Hof dus de grens tussen de vrije uiting (Günduz) en de verboden ondemocratische praktijk (Refah). Dit blijft een betrekkelijk diffuse scheidslijn (vgl. ook mijn artikel 'De extreem afwijkende mening', in: Mediaforum 2006-6, p. 162-172). Het Turkse leger is nog steeds het kemalistische bolwerk van de moderne 'Turkse islam' en heeft nog steeds grote politieke invloed. In de onderhandelingen over de toetreding van Turkije tot de EU is de Turkse regering vooralsnog niet bereid gebleken de politieke rol van het leger te verminderen.

7. De derde lijn vormt de godsdienst. Als uitvloeisel van een secularisatie naar het model van het Franse laïcisme geldt in Turkije een verbod tot het dragen van een hoofddoek bij participatie in het onderwijs. Dit verbod werd aangevochten door de studente Sahin aan de Universiteit van Istanbul. Evenals in de Refah zaak koos het Hof de zijde van de Turkse staat (EHRM 10 november 2005 – Grand Chamber- , NJ 2006, 170, m.nt. EAA; zie voorts Titia Loenen & Ashley Terlouw, 'De ondraaglijke zwaarte van de hoofddoek', in: NJCM-Bulletin, jrg. 31 (2006), p. 213-233). Het laat een grote margin of appreciation aan de lidstaten als de verhouding tussen religie en de staat aan de orde is, in het bijzonder als het gaat om regulering van religieuze symbolen in het onderwijs. Alkema wijst in zijn noot op de sterke Turkse connotatie van dit arrest. De Sahin beslissing is echter in algemene zin richtinggevend gebleven (zie de ontvankelijkheidbeslissing EHRM 24 januari 2006, de zaak Köse e.a., appl. 26625/02). Het lijkt er dus op dat het Hof de nationale invulling van het secularisme zal blijven respecteren (dus ook het uit het Franse laïcisme voortvloeiende hoofddoekverbod, zie daarover de hiervoor geciteerde Olivier Roy).

8. De vierde lijn is theoretisch de minst Turkse, maar praktisch wel. Het Hof wordt stelselmatig geconfronteerd met zaken uit Turkije die daden van geweld tegen persorganen en journalisten betreffen. Het Hof kiest daarbij onvoorwaardelijk de zijde van de pers, geheel in de geest van zijn constante jurisprudentie waarin aan de pers in een democratische rechtsorde een geprivilegieerde positie wordt toegekend (zie bijvoorbeeld EHRM 16 maart 2000, inzake Gündem, Mediaforum 2000-5, nr. 31 m.nt. A.E. Nieuwenhuis).

Kunst, zeden en religie

9. De besproken beslissingen raken ook aan kunst, religie en zedelijkheid, met name de zaken İA en Giniewski. Ik sta daarom nader stil bij de jurisprudentie van het Hof in deze domeinen. Het Hof is al vrij vroeg voor het anker gaan liggen dat het in zaken van zedelijkheid en moraal, anders dan bij de publieke discussie in het kader van de democratische besluitvorming, niet richtinggevend wilde zijn: lidstaten hebben hier dus een grote margin of appreciation. Het principiële precedent is nog steeds het Handyside arrest, een van de eerste arresten van het Hof, dat nog dikwijls in de jurisprudentie van het Hof wordt aangehaald (EHRM 12 december 1976, NJ 1978, 236; R.A. Lawson & H.G. Schermers, Leading Cases of the European Court of Human Rights: Nijmegen: Ars Aequi Libri 1997, p. 28). Het ging om het 'rode' schoolboekje waarin vrijelijk seksuele voorlichting aan schoolkinderen werd gegeven. De Engelse rechters verboden de verdere verspreiding van het boekje. Het Hof liet dat verbod overeind met de bekende redenering dat het in zaken de zedelijkheid betreffende slechts een marginale controle op nationale maatregelen wil uitoefenen. De beslissing is van begin af aan bekritiseerd (zie daarvoor R.A. Lawson & H.G. Schermers, a.w.). In een recent commentaar (Helen Fenwick & Gavin Phillipson, Media Freedom under the Human Rights Act, Oxford: Oxford University Press 2006, p. 93) is de uitspraak opnieuw scherp aangevallen, omdat niet valt te ontkennen dat een openlijke discussie van seksuele mores eind jaren zestig onmiskenbaar een onderdeel was van een maatschappelijke discussie. In navolging van anderen lanceren zij de interessante stelling dat de keuze van het beperkingsdoel bij toepassing van het tweede lid van artikel 10, een minder formele aangelegenheid is dan doorgaans wordt aangenomen. Wanneer het Hof kiest voor de beperking 'zedelijkheid' of 'religie', komt het aan de afweging of er voor die beperking een 'pressing social need' was niet meer toe: de toetsing gaat op in die van de aard van de uiting tegen de aard van de beperking ('speech/harm balancing', Helen Fenwick & Gavin Phillipson, a.w. p.97). Voorbeelden waarin het Hof zich terugtrok omdat er zeden en godsdienst (of beide) in het geding waren zijn EHRM 24 mei 1988, NJ 1991, 685, m.nt. EAA (de zaak Müller, betreffende een door Zwitserse kantonale autoriteiten in beslaggenomen schilderijen, omdat zij door die autoriteiten obsceen werden geacht), EHRM 20 september 1994, NJ 1995, m.nt. EJD (de zaak Otto Preminger, betreffende de vertoning van de film 'Das Liebeskonzil' in een Tirools filmhuis die aanstootgevend werd geacht voor de katholieke Tiroolse bevolking), EHRM 25 november 1996, NJ 1998, 359, m.nt. EJD (de zaak Wingrove betreffende een preventief verspreidingsverbod van een door de Engelse autoriteiten godslasterlijk geachte video) en EHRM 10 juli 2003, NJ 2005, 177, m.nt. EJD (de zaak Murphy betreffende een verbod op de Ierse televisie om religieuze reclame te maken). Een recente toepassing laat de niet-ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak betreffende de film 'Baise-moi' zien (Décision 22 juni 2006, V.D.2C4/France, reg. 68238/01).

10. De zaak İA waarvan de Turkse veroordeling in Straatsburg geen schending opleverde, komt in het Handyside vaarwater terecht. Bij het noemen van de precedenten waarmee het Hof zijn uitspraken pleegt te motiveren zien we in de overwegingen 23-28, te beginnen met Handyside, de hiervoor genoemde arresten allemaal terug. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat, wanneer het feitenbestand religieus is, en bovendien seksueel ingekleurd, er bij de concipiërende juristen van de betreffende kamer een geconditioneerde reflex optreedt, waardoor automatisch deze beslissingen als te citeren precedenten uit de PC rollen, en het in de Kamer blijft bij de beoordeling van de 'speech/harm balancing' uitgevoerd door de nationale autoriteiten. Kunstuitingen die door het Hof als 'politiek' worden geduid, kunnen rekenen op meer bescherming (zie recentelijk EHRM 25 januari 2007, appl. 68354/01, Vereinigung Bildener Künstler/Austria: betreffende een schilderij van Otto Mühl dat politieke satire over een politicus uitdrukte in seksueel getinte scènes; de zaak Alinak is ook een voorbeeld dat literaire expressie die politiek geduid wordt meer bescherming krijgt).

11. Het Hof schenkt in de Alinak zaak veel aandacht aan het feit dat de gewraakte uitingen werden gedaan in een literair werk. Het impliceert daarmee dat er dan meer vrijheid is in de vorm, men leze overweging 41:

“Taken literary, certain passages might be construed as inciting readers to hatred, revolt and the use of violence. In deciding whether they in fact did so, it must nevertheless be borne in mind that the medium used by the applicant was a novel, a form of artistic expression that appeals to a relatively narrow public compared to, for example, the mass media.”

In andere zaken laat het Hof inderdaad meewegen dat het om een massamedium met een groot publiek gaat; zo bijvoorbeeld in de zaak Murphy, hiervoor geciteerd. Binnen een massamedium kan dan weer gedifferentieerd worden als het om een nieuwsrubriek gaat met een kritisch geïnformeerd publiek; zo in de Jersild zaak (EHRM 23 september 1994 NJ 1995, 382, m.nt. EJD). Vergelijking tussen de zaken Alinak en İA laat zien dat de literaire vorm wel wordt gehanteerd ter rechtvaardiging van een 'aanstootgevende' politieke expressie (Alinak), maar niet bij een 'aanstootgevende' religieuszedelijke expressie. Dezelfde redenering dat de uiting gedaan wordt op een geselecteerd forum voor een geïnformeerd publiek is toepassing als het gaat om artistieke fora voor beeldende kunst (een galerie, zoals in de Müllerzaak) of film (een filmhuis in de zaak Preminger). De benadering van het Hof is dus inconsistent. Het zou heel wel denkbaar zijn dat het Hof aan artistieke fora in het algemeen in een democratie een geprivilegieerde positie toekent, omdat dit broedplaatsen van nieuwe ideeën zijn die aan geïnformeerde voorhoede worden gepresenteerd. Deze verdienen ook in zaken van godsdienst en moraal bescherming tegen de lokale conservatieve meerderheid. Een dergelijke benadering betekent wel dat het Hof zijn Handyside precedent na dertig jaar zou moeten heroverwegen. Het zou passen in de institutionele benadering die het Hof kiest, waarin de Pers als belangrijk democratisch forum bijzondere bescherming krijgt. Zie voor een afwijkende, maar met name ten aanzien van het Otto Premingerarrest kritische argumentatie A.E. Nieuwenhuis in zijn noten bij het Alinakarrest en het İA-arrest (Mediaforum 2005-5, nr. 18, Mediaforum 2005-10, nr. 30).

12. Tenslotte verdient de godsdienst de aandacht. Zoals bij de extremistische mening het Hof de grens trekt tussen de uiting van de opvatting en het aanzetten tot geweld, zo lijkt het die bij godsdienst te trekken tussen scherpe godsdienstkritiek en een aanval op de godsdienst als zodanig. Het oordeelt daarom dat de veroordeling van de mening dat de Bijbel antisemitisme heeft bevorderd wel kan (Giniewski), maar de aanval op de profeet Mohammed (de seksuele moraal van Mohammed) niet. Die laatste noemt het Hof in de Franse tekst (overweging 29) “une attaque injurieuse contre la personne du prophète de l'Islam.” De minderheid is het daar op zich zelf wel mee eens, maar vindt het disproportioneel om daarom het hele boek te veroordelen. Het past de theorie van het artistieke forum ook toe op het boek in de İA zaak. Vermelding verdient dat zij daarbij ook de precedenten Preminger en Wingrove kritisch tegen het licht houden. (overwegingen 7 en 8 in de dissenting opinion). Wie weet is dit het begin van een barst in de bestaande, nog steeds door een meerderheid gedragen precedentenpraktijk in zaken betreffende godsdienst en moraal.

Evaluatie van de besproken zaken

13. Na het voorafgaande kan de bespreking van de arresten kort zijn. Afgezien van de typisch Turkse aspecten en de principiële kritiek op de Handyside jurisprudentie van het Hof, past de uitkomst in de Nederlandse rechtpraktijk. De ondemocratische mening wordt beschermd, zolang zij niet aanzet tot geweld (Ik verwijs naar de monogafie van A.L.J. Janssen & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten , Deventer: Kluwer 2005, Studiepockets Strafrecht 36, pp. 139-148). De discussie over aanvallen op de profeet Mohammed kennen wij in Nederland ook. Ayaan Hirshi Ali heeft hem ooit in een interview wegens zijn seksuele omgang met minderjarige meisjes een pederast genoemd, hetgeen de voorzieningenrechter nog net door de vingers wilde zien, omdat het een antwoord in een interview was (Vz. Rb. Den Haag 15 maart 2005, Mediaforum 2005-4, nr. 15 m.nt. G.A.I. Schuijt die het punt dat een stelselmatige aanval op de persoon van de profeet onrechtmatig werd geacht door de rechter niet ziet). En bij de Mohammedcartoons speelde dezelfde vraag ( 'De Deense Beeldenstorm', in Nederlandse Juristenblad 2006-11, 634-639). Zie voorts voor godslastering en kunst Janssen & Nieuwenhuis a.w. p. 205-207 en 217-219.


Geplaatst 11.05.2007