|
1.
In deze twee Zwitserse zaken houdt het Hof zich bezig
met de vraag in hoeverre een journalist gebruik mag
maken van informatie die met schending van een
geheimhoudingsplicht in zijn of haar handen is gekomen.
Het Hof is eerder met dit soort vragen geconfronteerd in
de precedenten die het in beide zaken citeert (Dammann,
overweging 53 en Stoll, overweging 50). Meestal liet het
als factor van betekenis meewegen dat informatie al (min
of meer) tot het publieke domein behoorde (EHRM
26 november 1991, NJ 1992, 29 m.nt. EJD, de
zaak Spycatcher, over het uit de school klappende oud
lid van de Engelse geheime dienst; EHRM
21 januari 1999, NJ 1999, 713, m.nt. EJD, de
zaak Fressoz, over de belastingaangifte van de Franse
fabrieksdirecteur). Daarbij kan ook het tijdsverloop een
rol spelen (EHRM
22 mei 1990, NJ 1992, 29, m.nt. EJD, de zaak
Weber, over de persconferentie van de Zwitserse milieu
activist die kritiek had op de voorbereidende
strafprocedure; EHRM 18
mei 2004, NJ 2005, 410, m.nt.
EJD, de zaak Plon, over de uit de schoolklappende
lijfarts van president Mitterand).
2.
In deze zaken wordt het Hof directer met de vraag
geconfronteerd. In de zaak Dammann gaat het om een
journalist die een artikel schrijft over een grote
bankroof en die meer wil weten over de strafrechtelijke
achtergrond van de personen die zijn gearresteerd in
verband met de inbraak. Hij belt daartoe met het OM. De
secretaresse die hem te woord staat is zo onder de
indruk dat zij een bekende journalist aan de telefoon
krijgt dat zij meteen de strafbladen van de betrokkenen
naar hem toe faxt. Zij handelt daarmee erg naïef, maar
niettemin toch in strijd met haar ambtsgeheim. De
journalist wordt veroordeeld wegens uitlokking van
schending van het ambtsgeheim. De kamer van het Hof
(waarin zich ook de Zwitserse president van het Hof,
Wildhaber, bevindt) maakt korte metten met deze
veroordeling. Wanneer een lidstaat de geheimhouding van
dit soort gevoelige informatie wil waarborgen moet ze
maar betere veiligheidsmaatregelen nemen. Het
tekortschieten van de secretaresse komt op het conto van
Zwitserland. Bijkomende afwegingsfactoren zijn: de
journalist had volgens het Hof geen list of bedrog
toegepast om aan de informatie te komen; uiteindelijk
heeft hij journalistiek behoorlijk gehandeld door de
informatie die hij niet voldoende relevant achtte niet
te publiceren. Het valt op dat het Hof daarbij zijn
feitelijk oordeel in plaats stelt van de nationale
rechter die immers wel uitlokking van schending van een
ambtsgeheim aanwezig had geacht.
3.
Veel moeilijker heeft dezelfde kamer het met de zaak
Stoll. Onder aanvoering van Wildhaber stemmen drie
rechters tegen de meerderheid van vier die een schending
van artikel 10 aanwezig acht. De zaak hangt nog bij de
Grand Chamber. Het gaat om de publicatie van een gelekt
diplomatiek document. In deze nota, afkomstig van de
Zwitserse ambassadeur in de VS, verzonden aan selecte
kring van personen, geeft de ambassadeur zijn visie op
de opstelling die Zwitserland moet kiezen in de VS in de
kwestie van de vergoeding van schade geleden door
Holocaust slachtoffers. Het ging om de tegoeden op
Zwitserse rekeningen, die, doordat ze na WO II niet
waren opgeëist, aan de Zwitserse Staat waren vervallen.
Over dit onderwerp liep een heftig publiek debat in
Zwitserland. De Sonntags-Zeitung publiceert delen
uit het stuk en doet dat op een wijze die de ambassadeur
in een kwaad daglicht stelt (zie verder onder de
feitelijke samenvatting). De gehele kamer is het er over
eens dat schending van het vertrouwelijke diplomatieke
verkeer desastreuze gevolgen voor de internationale
betrekkingen kan hebben (overwegingen 48 en 52). De
meerderheid tilt net iets zwaarder aan het grote belang
van het publieke debat over deze kwestie (overweging
51). In de belangrijke dissenting opinion, die een
interessant debat in de Grand Chamber aankondigt,
benadrukt Wildhaber dat het in casu ging om puur
vertrouwelijke informatie waarvan de handhaving van de
vertrouwelijkheid een groot algemeen belang diende. De
publicatie uit het rapport van de ambassadeur diende,
naar zijn mening, een minder groot algemeen belang dan
bijvoorbeeld de Watergate of de Pentagon Papers.
Wildhaber hecht ook aan het feit dat de Zwitserse Raad
voor de Journalistiek had geoordeeld dat Sonntags-Zeitung
op een journalistiek onverantwoordelijke manier had
gepubliceerd.
4.
Aan de hand van deze twee beslissingen is het nog
moeilijk een algemene lijn in de benadering van het Hof
te onderkennen (ik verschil daarin van mening met D.
Voorhoof, zie zijn artikel in Mediaforum 2006-
7/8, p. 203-209). Het Hof blijft in concreto de feiten
van de casus afwegen. Afwegingsfactoren die van belang
zijn, zijn de volgende: heeft de overheid die
vertrouwelijkheid van informatie wil waarborgen
voldoende veiligheidsmaatregelen genomen die te
verzekeren (fouten daarin zijn haar toe te rekenen), hoe
zwaar is het algemeen belang om informatie die door een
niet aan de overheid toe te rekenen lek naar buiten is
gekomen te publiceren, heeft de journalist de schending
van het ambtsgeheim actief bevorderd, is bij de
publicatie journalistiek behoorlijk gehandeld? Hoe zwaar
was de opgelegde sanctie (een afwegingsfactor die het
Hof trouwens in elke zaak onder ogen ziet)?
5.
Voor de Nederlandse situatie wijs ik naar mijn noot
onder 3 bij de zaak Plon en voorts naar G.A.I.
Schuijt, Vrijheid van Nieuwsgaring, Den Haag:
Boom Juridisch 2006, hoofdstuk 3. De zaak Dammann lijkt
op de door hem besproken zaken van informatie die per
vergissing bij de pers terecht komt (de fax van de
advocaat aan zijn cliënt die per ongeluk bij de GPD
terecht komt en de geheime zitting in het proces Mink K.
waar per ongeluk de microfoon was blijven aanstaan,
zodat het verhandelde ter zitting in de wachtkamer was
te horen, Schuijt a.w. pp. 108-109). Het Hof Den Haag
achtte in het geval van de faxvergissing de normen van
de maatschapplijke zorgvuldigheid overschreden, omdat de
redactie niet van de per ongeluk ontstane doorbreking
van de vertrouwelijkheid had mogen profiteren (Hof Den
Haag 4 maart 1999, Mediaforum 1999-4, nr. 21) De
Raad van de Journalistiek achtte in het geval Mink K de
journalistieke normen overschreden. (Zie ook J. Mentink,
Veel Raad, weinig Baat , Rotterdam: Ad. Donker
2006, p. 123). Met de uitspraken van Stoll en Damann in
de hand is met name de beslissing in de zaak Mink. K. de
verkeerde kant op gevallen, omdat het een aan de
overheid toe te rekenen stomme fout betrof. Dat het Hof
het belang van het vertrouwelijke briefverkeer van de
advocaat aan zijn cliënt liet prevaleren, ondanks de
begane vergissing, lijkt mij juist. |