Annotatie bij EHRM 17 juli 2003 (Perry / Verenigd Koninkrijk)
Verschenen in NJ 2006, 40.

E.J. Dommering


1. De verdachte Perry heeft verschillende malen vast gezeten onder verdenking van het plegen van overvallen op onder meer taxi chauffeurs. Hij was een aantal keren vrij uit gegaan bij een herkenningsconfrontatie met ooggetuigen. Bij een laatste aanhouding voor een ander feit was een nieuwe identificatie parade afgesproken, omdat nog steeds roofovervallen waar hij bij betrokken was in onderzoek waren. Op de daarvoor afgesproken dag verschijnt Perry niet. De politie besluit daarom tot wat in het arrest genoemd wordt 'a video identification parade'. Daartoe vraagt de plaatselijke politie aan de districtscommandant toestemming om Perry in het geheim met een video camera te observeren. Met de aldus verkregen beelden wordt een compilatie gemaakt waarin Perry te zien is tussen opnamen van elf op Perry qua postuur gelijkende vrijwilligers die zijn opgenomen terwijl zij zo veel mogelijk Perry nadeden. Deze band werd door de Engelse onderzoeksrechter tot het bewijs toegelaten.

2. De klacht in Straatsburg spitst zich toe op de vraag of de inbreuk op de privacy van Perry 'in accordance with the law' was. In zaken waar strafvorderingbelangen conflicteren met de privacybelangen van de verdachte, stelt het Hof zware eisen aan het legaliteitsbeginsel, zodat de toetsing zich dikwijls daarop concentreert (vgl. de zaken Kruslin en Huvig, EHRM 24 april 1990, NJ 1991, 523, m.nt. EJD., Kahn, EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180, m.nt. Sch., P.G. en J.H., EHRM 25 september 2001, NJ 2003, 670, m.nt. EJD.). Daarbij neemt het Hof aan dat de Engelse regeling op zich zelf een voldoende wettelijke grondslag bood. Aangezien het volstaat met na te gaan of de eisen neergelegd in de Engelse regeling ook daadwerkelijk in acht zijn genomen, beslist het impliciet wat een proportionaliteitstoetsing in dit geval inhoudt. De belangrijkste elementen daarvan zijn (zie overweging 17) dat de verdachte wordt gevraagd om zijn toestemming voor een opname en dat hij vervolgens wordt geïnformeerd over het maken van de compilatievideo en over het doel daarvan, en, tenslotte, wordt geïnformeerd over de rechten die hij als verdachte met betrekking tot die video heeft (namelijk om die te zien en om zijn raadsman bij de confrontatie van de band met de getuigen aanwezig te laten zijn). Al deze eisen waren door de Engelse opsporingsinstanties niet in acht genomen.

3. Het arrest biedt over de band van het Engelse recht dus een aanwijzing welke bescherming artikel 8 EVRM aan een verdachte geeft bij identificatie parades. Of deze geheel identiek is aan de Engelse regels is echter onzeker. Met name de eis dat toestemming van de verdachte nodig is lijkt mij te ver gaan. Wel zou er 'een beginsel toestemming' kunnen gelden die 'overruled' kan worden als er een gewichtig opsporingsbelang is. De overige eisen volgen mijns inziens uit artikel 8 (vergelijk ook de notificatieplicht bij afluisteren, zie de zaak Malone, EHRM 2 augustus 1984, NJ 1988, 534), al zal daarbij een discussiepunt zijn, zeker in Nederland, in welke fase van het opsporingsonderzoek de raadsman aanwezig kan zijn. Mij lijkt effectieve controle op faire toepassing van de identificatieparade alleen mogelijk als de raadsman en Officier bij de eerste confrontatie aanwezig kunnen zijn. Opgemerkt mag worden dat met het voortschrijden van de techniek het mogelijk is deze virtuele videoparades samen te stellen aan de hand van in een databank opgeslagen videobeelden. Een dergelijk databestand moet uiteraard voldoen aan de eisen die persoonsregistratie wetgeving daaraan stelt. Het betekent mijns inziens ook dat wanneer de opsporingsbeambten parades aan de hand van videodatabanken gaan opstellen voor het gebruik daarvan in een procedure toestemming moet worden gevraagd en de raadsman bij de confrontatie tussen video identificatie parades en getuigen aanwezig moet kunnen zijn.

4. In Nederland is de confrontatie parade, wat hier heet de Oslo methode, geregeld in artikel 61a Sv. Op grond van artikel 61a lid 2 mag die alleen worden toegepast bij strafbare feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten. De nadere regels die het derde lid toelaat te stellen zijn verwerkt in het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Stb.2002, 640). Artikel 61a Sv lid 1 noemt onder a. het maken van fotografische en video opnamen en onder c de confrontatiemethode. Deze wordt verder uitgewerkt in paragraaf 3 van genoemd besluit. Wat daarbij op valt is dat de korpsbeheerder een niet genormeerde bevoegdheid voor toepassing van de methode krijgt. Van toestemming of notificatie wordt niet gerept. Wel voorziet artikel 9 in een recht van de Officier van Justitie en de raadsman van de verdachte om gehoord te worden, maar de bepaling is uiterst terughoudend geredigeerd: “De Officier van Justitie en de raadsman van de verdachte worden zo mogelijk in de gelegenheid gesteld om voorafgaande aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie, zonder dat de confrontatie daardoor mag worden opgehouden.” Aan deze regeling zou dus op basis van dit arrest een verdere inhoud kunnen worden gegeven.

5. De HR heeft zich niet eerder over de invulling van de Oslo methode uitgelaten. Wel heeft de Raad in een zaak met betrekking tot videobewaking van een verdachte in een cel geoordeeld dat bij videobewaking zonder dat de verdachte daarvan op de hoogte is gesteld een zo vergaande inbreuk op de privacy vormt dat op grond van artikel 8 EVRM daarvoor een afzonderlijke voorziening krachtens formele wet is vereist. (HR 19 maart 1996, NJ , 1997, 86 m.nt. Kn.). Video observatie tijdens de detentie is in de zaak Folkert van der G. onderwerp van discussie geweest, zonder dat daarbij overigens privacy vragen zijn opgeworpen (zie TK 2000-2001, Aanhangsel 1469, 1547). Video opnamen die door de politie worden gemaakt en opgeslagen vallen onder de Wet Politieregisters, Stb. 1990, 414. Het gebruik van gegevens uit het register, zonder dat bij de opslag daarvan de wettelijke regels in acht zijn genomen, leidt niet zonder meer tot bewijsuitsluiting (HR 7 februari 1995, NJ 1995, 308). Recentelijk besliste de HR dat het gebruik van pasfoto's uit de paspoorten of rijbewijsadministratie bij confrontaties is toegestaan, omdat deze foto's voor identificatiedoeleinden zijn bestemd (HR 18 januari 2005, NJ 2006, 12). De laatste wetswijziging in verband met de Wet Cameratoezicht, voorziet er in dat ook beelden die in het kader van het cameratoezicht op openbare plaatsen worden gemaakt, ten behoeve van opsporingsdoeleinden worden verstrekt, “indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat die beelden noodzakelijk zijn voor de opsporing van een gepleegd strafbaar feit. (Stb. 2005, 392).

6. Wanneer in het bij of krachtens 61 a Sv de proportionaliteitseisen (notificatie, bescherming van de rechten van de verdediging) worden gelezen, zou de Nederlandse wet dus een voldoende wettelijke grondslag hebben. Het is in het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek dan wel mager geregeld.

Overigens zal gebruik van identificatiegegevens uit databanken in het kader van de strafvordering steeds aan de eisen die artikel 8 stelt (m.n. de wettelijke grondslag) moeten worden getoetst.


Geplaatst 03.02.2006