|
1. De verdachte
Perry heeft verschillende malen vast gezeten onder verdenking van het plegen
van overvallen op onder meer taxi chauffeurs. Hij was een aantal keren vrij
uit gegaan bij een herkenningsconfrontatie met ooggetuigen. Bij een laatste
aanhouding voor een ander feit was een nieuwe identificatie parade afgesproken,
omdat nog steeds roofovervallen waar hij bij betrokken was in onderzoek waren.
Op de daarvoor afgesproken dag verschijnt Perry niet. De politie besluit
daarom tot wat in het arrest genoemd wordt 'a video identification parade'.
Daartoe vraagt de plaatselijke politie aan de districtscommandant toestemming
om Perry in het geheim met een video camera te observeren. Met de aldus verkregen
beelden wordt een compilatie gemaakt waarin Perry te zien is tussen opnamen
van elf op Perry qua postuur gelijkende vrijwilligers die zijn opgenomen
terwijl zij zo veel mogelijk Perry nadeden. Deze band werd door de Engelse
onderzoeksrechter tot het bewijs toegelaten. 2. De klacht
in Straatsburg spitst zich toe op de vraag of de inbreuk op de privacy van
Perry 'in accordance with the law' was. In zaken waar strafvorderingbelangen
conflicteren met de privacybelangen van de verdachte, stelt het Hof zware
eisen aan het legaliteitsbeginsel, zodat de toetsing zich dikwijls daarop
concentreert (vgl. de zaken Kruslin en Huvig, EHRM 24 april 1990,
NJ 1991, 523, m.nt. EJD., Kahn, EHRM 12 mei 2000, NJ 2002, 180, m.nt.
Sch., P.G. en J.H., EHRM 25 september 2001, NJ
2003, 670, m.nt.
EJD.). Daarbij neemt het Hof aan dat de Engelse regeling
op zich zelf een voldoende wettelijke grondslag bood. Aangezien het volstaat
met na te gaan of de eisen neergelegd in de Engelse regeling ook daadwerkelijk
in acht zijn genomen, beslist het impliciet wat een proportionaliteitstoetsing
in dit geval inhoudt. De belangrijkste elementen daarvan zijn (zie overweging
17) dat de verdachte wordt gevraagd om zijn toestemming voor een opname en
dat hij vervolgens wordt geïnformeerd over het maken van de compilatievideo
en over het doel daarvan, en, tenslotte, wordt geïnformeerd over de
rechten die hij als verdachte met betrekking tot die video heeft (namelijk
om die te zien en om zijn raadsman bij de confrontatie van de band met de
getuigen aanwezig te laten zijn). Al deze eisen waren door de Engelse opsporingsinstanties
niet in acht genomen.
3. Het arrest biedt over de band van
het Engelse recht dus een aanwijzing welke bescherming artikel 8 EVRM aan
een verdachte geeft bij identificatie parades. Of deze geheel identiek is
aan de Engelse regels is echter onzeker. Met name de eis dat toestemming
van de verdachte nodig is lijkt mij te ver gaan. Wel zou er 'een beginsel
toestemming' kunnen gelden die 'overruled' kan worden als er een gewichtig
opsporingsbelang is. De overige eisen volgen mijns inziens uit artikel 8
(vergelijk ook de notificatieplicht bij afluisteren, zie de zaak Malone,
EHRM 2 augustus 1984, NJ
1988, 534), al zal daarbij een discussiepunt zijn, zeker in Nederland, in
welke fase van het opsporingsonderzoek de raadsman aanwezig kan zijn. Mij
lijkt effectieve controle op faire toepassing van de identificatieparade
alleen mogelijk als de raadsman en Officier bij de eerste confrontatie aanwezig
kunnen zijn. Opgemerkt mag worden dat met het voortschrijden van de techniek
het mogelijk is deze virtuele videoparades samen te stellen aan de hand van
in een databank opgeslagen videobeelden. Een dergelijk databestand moet uiteraard
voldoen aan de eisen die persoonsregistratie wetgeving daaraan stelt. Het
betekent mijns inziens ook dat wanneer de opsporingsbeambten parades aan
de hand van videodatabanken gaan opstellen voor het gebruik daarvan in een
procedure toestemming moet worden gevraagd en de raadsman bij de confrontatie
tussen video identificatie parades en getuigen aanwezig moet kunnen zijn.
4. In Nederland is de confrontatie
parade, wat hier heet de Oslo methode,
geregeld in artikel 61a Sv. Op grond van artikel 61a lid 2 mag die alleen
worden toegepast bij strafbare feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten.
De nadere regels die het derde lid toelaat te stellen zijn verwerkt in het
Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Stb.2002,
640). Artikel 61a Sv lid 1 noemt onder a. het maken van fotografische en
video opnamen en onder c de confrontatiemethode. Deze wordt verder uitgewerkt
in paragraaf 3 van genoemd besluit. Wat daarbij op valt is dat de korpsbeheerder
een niet genormeerde bevoegdheid voor toepassing van de methode krijgt. Van
toestemming of notificatie wordt niet gerept. Wel voorziet artikel 9 in een
recht van de Officier van Justitie en de raadsman van de verdachte om gehoord
te worden, maar de bepaling is uiterst terughoudend geredigeerd: “De Officier
van Justitie en de raadsman van de verdachte worden
zo mogelijk in de gelegenheid gesteld om voorafgaande
aan de meervoudige confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen
selectie, zonder dat de confrontatie daardoor mag worden opgehouden.” Aan
deze regeling zou dus op basis van dit arrest een verdere inhoud kunnen worden
gegeven.
5. De HR heeft zich niet eerder over
de invulling van de Oslo methode uitgelaten. Wel heeft de Raad in een zaak
met betrekking tot videobewaking van een verdachte in een cel geoordeeld
dat bij videobewaking zonder dat de verdachte daarvan op de hoogte is gesteld
een zo vergaande inbreuk op de privacy vormt dat op grond van artikel 8
EVRM daarvoor een afzonderlijke voorziening krachtens formele wet is vereist.
(HR 19 maart 1996, NJ
, 1997, 86 m.nt. Kn.). Video observatie tijdens de detentie is in de zaak
Folkert van der G. onderwerp van discussie geweest, zonder dat daarbij overigens
privacy vragen zijn opgeworpen (zie TK 2000-2001, Aanhangsel 1469, 1547).
Video opnamen die door de politie worden gemaakt en opgeslagen vallen onder
de Wet Politieregisters, Stb. 1990, 414. Het gebruik van gegevens uit het
register, zonder dat bij de opslag daarvan de wettelijke regels in acht zijn
genomen, leidt niet zonder meer tot bewijsuitsluiting (HR 7 februari 1995,
NJ 1995, 308). Recentelijk besliste de HR dat het gebruik van pasfoto's uit
de paspoorten of rijbewijsadministratie bij confrontaties is toegestaan,
omdat deze foto's voor identificatiedoeleinden zijn bestemd (HR 18 januari
2005, NJ 2006, 12). De laatste wetswijziging in verband met de Wet Cameratoezicht,
voorziet er in dat ook beelden die in het kader van het cameratoezicht op
openbare plaatsen worden gemaakt, ten behoeve van opsporingsdoeleinden worden
verstrekt, “indien er concrete aanleiding bestaat te vermoeden dat die beelden
noodzakelijk zijn voor de opsporing van een gepleegd strafbaar feit. (Stb.
2005, 392).
6. Wanneer in het bij of krachtens
61 a Sv de proportionaliteitseisen (notificatie, bescherming van de rechten
van de verdediging) worden gelezen, zou de Nederlandse wet dus een voldoende
wettelijke grondslag hebben. Het is in het Besluit toepassing maatregelen
in het belang van het onderzoek dan wel mager geregeld.
Overigens zal gebruik van identificatiegegevens
uit databanken in het kader van de strafvordering steeds aan de eisen die
artikel 8 stelt (m.n. de wettelijke grondslag) moeten worden getoetst. |