|
1.
McDonald's werd medio jaren tachtig achtervolgd door
actiegroepen die de onderneming verweten dat haar hoge vleesproductie tot
verspilling van natuurlijke hulpbronnen en uitbuiting van werknemers leidde,
en dat alleen om vette en ongezonde hamburgers aan rijke Westerse burgers
te kunnen serveren. De onderhavige zaak heeft betrekking op acties die Greenpeace
in deze periode in Londen voerde, meer in het bijzonder door het verspreidden
van een pamflet onder de titel “Wat is er mis met McDonald's?” waarin soortgelijke
beschuldigingen voorkwamen. McDonald's werd in diezelfde periode in Nederland
lastig gevallen door een schoolboek Nederlandse taal waarin een anti-McDonald's
publicatie was opgenomen, niet om maatschappijkritische redenen, maar voor
didactische doeleinden van tekstanalyse (HR 15 juni 1990,
NJ 1991, 432). De Engelse zaak heeft aanzienlijk
langer geduurd. Het pamflet dateert van 1986, maar werd herdrukt in 1987.
De libel dagvaarding tegen het geschrift is van 20 september 1990 en de eindbeslissing
van het House of Lords van 21 maart 2000. Overweging 49 van het Hof noemt
het de langste procedure in de Engelse rechtsgeschiedenis;
Jarndyce vs Jarndyce in Dickens'
Bleakhouse zal daarbij buiten beschouwing zijn
gelaten. 2. De lange en feitelijk bijzonder gecompliceerde procedure,
die tot veroordeling wegens belediging van McDonald's van de twee verantwoordelijk
geachte actievoerders Steel en Morris leidde, geeft in Straatsburg aanleiding
tot twee klachten. Een procedurele klacht dat de actievoerders niet op gelijke
voet als McDonald's toegang tot de rechter hebben gehad en daarom hun zaak
niet naar behoren hadden kunnen verdedigen (artikel 6), en een materiële
dat door de veroordeling wegens smaad artikel 10 EVRM was geschonden. Beide
klachten hangen samen, omdat de gegrondheid van de eerste klacht mede de
gegrondheid van de tweede klacht veroorzaakt. 3. De eerste klacht had betrekking
op een eigenaardigheid van het Engelse rechtssysteem dat geen gefinancierde
rechtsbijstand toestaat in beledigingzaken (libel). Deze eigenaardigheid
zijn we in deze kolommen al tegengekomen in de zaak
McVicar (EHRM 7 mei 2002,
NJ 2004, 337, m.nt.
EJD). De benadering van het
Hof is deze dat het enkele feit van het ontbreken van gratis rechtsbijstand
niet betekent dat de toegang tot de rechter ontoelaatbaar is belemmerd. Daarvoor
is een nauwgezet onderzoek nodig naar de mate van ingewikkeldheid van de
zaak, de scholing van de procespartij, de overzichtelijkheid van de procedure,
de mate waarin rechtsbijstand en andere deskundige hulp die toch nog is geboden
en de feitelijke last van het voeren van het proces (die in dit geval niet
gering was). Viel dat onderzoek in de zaak McVicar in het nadeel van de
klager uit, in dit geval oordeelt het Hof dat de rechtsgang is belemmerd
(overwegingen 64-72). Al met al legt het Hof de lat voor de schending van
artikel 6 EVRM vrij hoog. De situatie moet betrekkelijk schrijnend zijn (zoals
in dit geval) om tot een schending te kunnen besluiten. Bovendien is het
afhankelijk van een integrale afweging ex post
in Straatsburg. 4. De schending van artikel 10
EVRM wordt opgehangen aan twee feiten, ten eerste het ontbreken van processuele
equality of arms bij het aan klagers opgedragen bewijs van de beschuldigingen
in het pamflet en ten tweede de hoogte van de schadevergoeding. Ten aanzien
van het bewijs van de feiten doet het Hof in de overwegingen 88-95 een paar
omzichtige stappen. In overweging 89 weerlegt het Hof het argument van de
Britse regering dat actievoerders niet dezelfde sterke bescherming genieten
als journalisten: “There exists a strong public interest in enabling such
groups and individuals outside the mainstream to contribute to the public
debate by disseminating information and ideas on matters of general interest
such as health and the environment.” Het ging hier evenwel om zware feitelijke
beschuldigingen die door de actievoerders bewezen moesten worden. Ook multinationale
ondernemingen mogen hun commerciële belangen veiligstellen in een beledigingsanctie,
zij het dat “the limits of acceptable criticism are wider”. Hoe zij hun commerciële
belangen op een aanvaardbare manier veilig kunnen stellen behoort tot de
'margin of appreciation' van de aangeklaagde Staat. Wanneer de Staat daartoe
aan een onderneming procedures ter beschikking stelt moet de 'equality of
arms' wel zijn gewaarborgd. Dat was in dit geval niet zo en daarom dat de
tekortkoming onder artikel 6 EVRM ook een tekortkoming onder artikel 10 EVRM
oplevert, mede van wege het potentiële chilling
effect dat van de 'inequality of arms' uitgaat. 5. Een tweede afwegingsfactor is de hoogte van de toegekende
schadevergoeding. Het Hof heeft zich in een tweetal zaken over de hoogte
van de schadevergoeding uitgelaten in relatie tot artikel 10 EVRM. In de
zaak Tolstoy Miloslavsky (EHRM 13 juli 1995, NJ
1996, 544, m.nt. EJD) formuleerde het als maatstaf dat een schadevergoeding
een beperking vormt in de zin van het tweede lid, en dat de hoogte aan de
hand van objectieve factoren bepaalbaar moet zijn, omdat zij anders niet
voldoet aan de eis 'prescribed by law'. Voor wat de proportionaliteit betreft
moet er een relatie zijn tussen de hoogte van de vergoeding en de ernst van
de (onrechtmatig) beschadigde reputatie. De ernst van de schade moet mede
worden bepaald aan de hand van de mate van verspreiding van de onrechtmatige
mededeling. In de Tolstoy zaak sneuvelde de Britse beslissing op het feit
dat de jury de hoogte van de schade naar willekeur had vastgesteld; zij was
dus niet prescribed by law. In een recente beslissing over een Ierse zaak
(Independent News and Media v. Ireland, EHRM 16 september 2005, application
55120/00) verduidelijkte het Hof zijn Tolstoy beslissing door aan te geven
dat het gaat om de mate waarin de jury discretionaire bevoegdheid heeft de
hoogte vast te stellen. In het Ierse geval stelde het Hof vast dat de Ierse
jury binnen een voldoende objectief bepaalbaar kader opereerde. Hoewel de
schadevergoeding naar Ierse maatstaven uitzonderlijk hoog was (₤ 300.000,
driemaal meer dan een ooit door een Ierse rechter toegekende schadevergoeding
in een perszaak), was zij daarom toch prescribed by law en proportioneel. 6. In de onderhavige zaak redeneert het Hof anders en
dat heeft te maken met de specifieke kenmerken van de casus: de kleine en
armlastige actiegroep stond tegenover het grote en kapitaalkrachtige McDonald's.
De schadevergoedingen van resp. ₤ 36.000 en ₤ 40.000 waren naar
Engelse maatstaven weliswaar matig, maar in vergelijking tot de vermogenspositie
van de klagers hoog. McDonald's had bovendien niet voldoende aannemelijk gemaakt
dat zij door het pamflet schade had geleden. Wat het Hof hier doet lijkt
dus meer op een matiging van de schadevergoeding. Ik houd het er op dat voor
de vaststelling van de hoogte van de schade in perszaken de onder punt 5
besproken arresten de leidraad zijn. Onder omstandigheden kan draagkracht
daarbij een rol spelen, zoals in deze zaak. 7. De conclusie is dat hoge schadevergoedingen op zich
zelf niet in strijd zijn met artikel 10 mits ze maar voldoende objectief
bepaalbaar zijn en in relatie staan tot werkelijk geleden schade. Onder omstandigheden
kan matiging zijn geboden. Voor Nederland betekent dat toepassing van artikel
6:109 BW. Het vaststellen van schadevergoeding bij onrechtmatige publicaties
is in Nederland overigens een moeilijke kwestie. De hoogte van smartengeld
is in de laatste twintig jaar nauwelijks aangepast (zie ook onder 17 van
mijn noot bij EHRM
24 juni 2004 (zaak Caroline),
NJ 2005, 22). De hoogte heeft daardoor geen gelijke
tred gehouden met het groeiend aantal steeds ernstiger privacy inbreuken
door de media met behulp van optische en elektronische technieken. Materiële
inkomens- en vermogensschade is vaak moeilijk te bewijzen. De ontwikkeling
van een duidelijk objectief kader zou daarbij behulpzaam zijn. |