|
1. In deze zaken gaat het om de reikwijdte van de journalistieke
bronbescherming. In het arrest van de HR worden een tweetal arresten van
EHRM over dit onderwerp 'geïmplementeerd' in de Nederlandse rechtsorde.
Eén daarvan is hier afgedrukt en wordt in deze noot besproken. 2. Eind 1998 veroordeelde het Belgische Hof van cassatie
een aantal topstukken van de Vlaamse en Waalse socialisten voor hun betrokkenheid
bij de grote smeergeld affaire rond de aankoop van Agusta helikopters. Daaronder
was Willy Claes, de voormalige baas van de Navo, en Guy Spitsaels, bijgenaamd
'dieu', de leider van de Waalse socialisten. De Agusta affaire is de Belgische
geschiedenis ingegaan als de afrekening met een politieke cultuur waarin
er een nauwe verwevenheid tussen bedrijfsleven en politieke partijen bestond.
Het bedrijfsleven deed grote giften aan de partijkassen. In de Agusta affaire
werd nu vastgesteld dat daar aanzienlijke overheidsopdrachten tegenover hadden
gestaan in de vorm van de aankoop van helikopters. Claes en drie oud medewerkers
van de Vlaamse socialistische partij werden veroordeeld om 110 miljoen Belgische
franken aan smeergeld terug te betalen aan de staat. De hier besproken zaak
is een momentopname uit het vooronderzoek in deze zaak. Op 23 juni 1995 deed
een speciale brigade van de Belgische politie een inval in de redactiebureau's
van De Morgen,
Le Soir, en Le Soir
illustré. De auto's van twee van de journalisten
werden daarna onderzocht, evenals hun woonhuizen. De klacht in Straatsburg
gaat over schending van onder meer de artikelen 6, 8 en 10 EVRM. 3. Van de artikel 6 klacht signaleer
ik met name de beslissing van het Hof in overweging 74. Volgens de klagers
had het Hof van Cassatie prejudiciële vragen aan het Arbitrage Hof over
constitutionele kwesties moeten stellen. België kent hiervoor een systeem
van prejudiciële vragen die de “gewone” rechterlijke macht mag stellen
over uitleg van de Belgische Constitutie. Het Hof stelt onder verwijzing
naar enige precedenten (Onder andere de zaken Coëme e.a. tegen België,
CEDH 2000-VII) vast dat artikel 6 EVRM niet een recht op toegang tot prejudiciële
procedures opent. De lidstaten hebben een zekere beleidsvrijheid om het recht
op toegang tot de rechter aan beperkingen te onderwerpen. Daaronder valt
ook de prejudiciële procedure. Wel voegt het Hof er aan toe dat artikel
6 kan worden geschonden als een appèlrecht op een hoogste nationale
rechterlijke instantie op willekeurige gronden wordt beperkt, maar dat zodanig
geval zich hier niet voordeed (overweging 75). De beslissing is voor de Nederlandse
rechtspraktijk van belang voor het geval de hoogste rechter geen prejudiciële
vraag aan het HvJEG stelt, omdat het EG recht naar zijn oordeel voldoende
duidelijk is (de acte claire
doctrine). Een dergelijke beslissing zal niet snel als willekeurig aangemerkt
worden, nog afgezien van de complicatie dat de EG geen lid is van de Raad
van Europa, zodat artikel 6 EVRM niet rechtstreeks van toepassing is op de
procedures bij het HvJEG. 4. De beslissing van het Hof over
de schending van artikel 10 door de inval in de redactielokalen borduurt
voort op de beslissing in de zaak Goodwin, waarin het Hof het recht op bronbescherming
van journalisten erkende (EHRM 27 maart
1996, NJ
1995, 387, m.nt. EJD, overgenomen door de HR in de zaak Van de Biggelaar,
HR 10 mei 1996, NJ 1996,
587, m.nt. EJD). Eerder had het een soortgelijke beslissing genomen in de
Luxemburgse zaak Roemen en Schmit (EHRM 25 februari
2003,
Mediaforum 2003-4, nr. 20, m.nt. G.A. Schuijt).
Het Hof acht de massale huiszoeking bij de redactie en bij de journalisten
zelf disproportioneel, en acht ze door het ongerichte karakter (een massale
zoektocht naar bronnen) ernstiger dan in het geval Goodwin, waar het ging
om een journalist die gedwongen werd een specifieke bron prijs te geven (overweging
103). Het Duitse BundesVerfassungs Gericht heeft op basis van een uitleg
van de Duitse Grondwet hetzelfde beslist (BVerfG 1 februari 2005, EuGRZ 2005,
p. 176, waarin een zware proportionaliteitstest wordt toegepast). 5. Een vraag die in de toekomst
bij nieuwe media zoals Internet steeds lastiger te beantwoorden zal zijn,
is wat nog een journalist is en (daarmee samenhangend) een redactielokaal.
Ik wijs op de zaak Lycos waar het er om ging of een Internet provider de
identiteit van een abonnee die op een ter beschikking gestelde webpagina
publiceerde moest prijsgeven. De HR heeft zich in de Lycoszaak (HR 25 november
2005, Mediaforum 2006-1,
nr.1 m.nt. van E.A. Ekker) hierover uitgelaten in overweging 5.3.7. door
een beroep van de Internetservice provider op geheimhouding van de identiteit
van zijn abonnee af te wijzen: “Daarbij moet in aanmerking worden genomen
dat, hoezeer een hosting provider een faciliterende rol vervult bij de verspreiding
van informatie op internet, zijn rol niet kan worden gelijkgesteld aan, en
evenmin vergelijkbaar is met die welke de pers in een democratische samenleving
vervult, zodat een hosting provider niet een verschoningsrecht toekomt als
dat waarop een journalist met het oog op de bescherming van zijn bronnen
aanspraak kan maken, reeds omdat via een website verspreide informatie niet
kan gelden als informatie die door de websitehouder aan de hosting provider
is toevertrouwd.” Dit sluit de Service Provider uit, maar laat de term 'journalist'
ongedefinieerd. Mijns inziens impliceert de HR met zijn overweging dat het
gaat om een beroep waaraan kwalitatieve eisen kunnen worden gesteld, maar
welke dat precies zijn blijft onzeker. Denkbaar zou zijn dat deze worden
gekoppeld aan lidmaatschap van een beroepsvereniging die beroeps kwaliteitseisen
effectief handhaaft. In Nederland zou daarvoor de Nederlandse Journalisten
Vereniging kandidaat kunnen zijn. De uitbreiding van het beroep tot Internetpublicaties
betekent mijns inziens wel dat de PC van de journalist en de plaats waar
hij individueel zijn beroep uitoefent mede onder de bescherming vallen. Dit
leid ik ook af uit het feit dat het onderzoek in de auto van de journalist
in deze zaak mede onderwerp van geschil was. 6. In de Verenigde Staten wordt
dit probleem in het aanhangige wetsontwerp tot bescherming van het journalistieke
brongeheim (Zogenaamde “Shield Law”) onderkend en geadresseerd door de groep
van te beschermen personen en instellingen te beperken tot de media. In het
ontwerp uit 2005 werd dit als volgt omschreven (bron: http://www.rcfp.org/shields_and_subpoenas.html
):
(A)An entity that disseminates information by
print, broadcast, cable, satellite, mechanical, photographic, electronic
or other means and that publishes (a) a newspaper, book, magazine, or other
periodical; or (b) operates a radio or television broadcast station, cable
system, or satellite carrier or programming service for any such station,
network, system, or carrier; or (c) operates a news agency or wire service,
or (B) A parent, subsidiary, or affiliate of such an entity; or (C) an employee,
contractor, or other person who gathers, edits, photographs, records, prepares,
or disseminates news or information for such entity.
7. Boven op de toetsing aan artikel 10 verricht het Hof
de toetsing aan artikel 8 EVRM volgens de criteria ontwikkeld in Colas Est (EHRM 16 april
2002, NJ
2003, 452, m.nt.
EJD). Het huiszoekingsbevel sneuvelt in overweging 116
op gebrek aan precisie. Anders dan L.F.M. Verhey & N. Verheij (
Toezicht , Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging
2005-1, p. 270 e.v.)
meen ik (zie mijn noot onder 6 bij het arrest Colas Est) dat de toetsingscriteria die het Hof heeft ontwikkeld wel degelijk consequenties hebben voor
de toepassing van 5.15-5.20 Awb, die een gebrekkige rechtsbescherming kennen
(naar Verhey & Verheij a.w. par. 6.3 en 6.4 toegeven). In ieder geval
volgt uit dit arrest dat scherpe motiveringseisen gelden voor de omschrijving
van het object van huiszoeking, c.q. de aard van de inlichtingen die worden
verlangd. 8. In het arrest van de HR in de
Ravage zaak geeft de Raad in overweging 3.3.2-3.3.3 toepassing aan de rechtspraak
van het EHRM, zoals het dat eerder heeft gedaan met de Goodwin uitspraak
van het EHRM in het arrest Van de Biggelaar, in deze overwegingen ook geciteerd.
Bij een huiszoeking bij een persorgaan of een journalist moet de Staat stellen
en bewijzen dat aan de noodzakelijkheid eis van artikel 10 lid 2 EVRM is
voldaan (3.3.3, 3.9.3 en 3.9.4). In de zaak gaat het dan verder over de vraag
of een zogenaamde 'claimbrief' (een brief waarbij in dit geval een aanslag
werd opgeëist) onder bronbescherming valt. Over die vraag doet de HR
in casus geen duidelijke uitspraak, omdat de huiszoeking als zodanig al onvoldoende
was gemotiveerd. 9. Zowel in de Europese als in de nationale zaken ging
het om de disproportionaliteit van ongerichte huiszoekingen bij de pers.
Van deze situatie moet onderscheiden worden de vraag of al het materiaal
dat zich onder een journalist bevindt vatbaar is voor bronbescherming. Dat
is niet het geval. Alleen dat materiaal dat een bron aan wie geheimhouding
is beloofd zou kunnen onthullen valt daar onder. Een selectief rechterlijk
bevel tot afgifte van 'bronvrij' materiaal is dus mogelijk, zij het dat ook
dat bevel steeds op proportionaliteit moet worden getoetst, met andere woorden
of afgifte van materiaal voor de justitiële waarheidsvinding noodzakelijk
is. Het niveau van bescherming is echter niet hetzelfde als bij bronbescherming.
Het EHRM besliste dit in een goed gemotiveerde ontvankelijkheidsbeslissing
in de zaak Nordisk & TV A/S vs. Denemarken, appl. Nr. 40485/02 (EHRM 8 december
2005), Mediaforum
2006-3, nr. 8 met commentaar van D. Voorhoof in datzelfde nummer op p. 67-65.
Een toepassing van deze aanpak is te vinden bij het beslag op videobanden
waarop rellen zijn gefilmd, zie HR 9 november 1999,
Mediaforum 2000-1, 14 met noot G.A.I. Schuijt. 10. Voor commentaren op het arrest van de HR verwijs ik
naar de annotatie van G.A.I.
Schuijt in Mediaforum
2005-10, p. 344-345 en W.F. Korthals Altes, 'Journalistiek Privilege ook
voor Anonieme Claimbrieven?' in NJB
2006, nr. 3, p. 144-146. Voor commentaar op de bronbescherming in de praktijk
van de strafvordering, zie E. Prakken, 'Justitiële versus journalistieke
waarheidsvinding. Over bronbescherming en non-bescherming van journalistiek
materiaal.', in: NJB
2004/12, 620-626. |