Annotatie bij EHRM 18 mei 2004 (Plon / Frankrijk)
Verschenen in NJ 2005, 401.

E.J. Dommering


1. Dokter Gubler, de lijfarts van Mitterand, had in november 1995 bij de uitgeverij Plon, de klaagster in deze procedure, een manuscript ter uitgave ondergebracht onder de titel Le Grand Secret , waarin hij onthulde dat de staatsman al vanaf 1981 door een medisch team werd behandeld voor een ongeneeslijke prostaatkanker, die zich kort na zijn verkiezing als president had geopenbaard. Het voornemen bestond dit boek uit te geven midden januari 1996, maar door het overlijden van de president op 8 januari 1996 was de uitgave uitgesteld. Al op 10 januari 1996 publiceerde Le Monde een bericht dat Mitterand vanaf 1981 aan kanker had geleden, maar dat het publiek hierover pas in 1992 was geïnformeerd. Het artikel suggereerde dat Dr Gubler hem alternatieve geneesmiddelen (“médecins parallèles”) had toegediend. Dat ontleende het blad onder meer aan het boek van een andere raadgever van de President dat in 1995 onder L'Année des adieux was verschenen. De chef de kliniek voor behandeling van kanker van het ziekenhuis Pitié-Salpêtre en de broer van de President verklaarden ook kort na het overlijden van de President dat deze medisch niet behoorlijk was behandeld. Zo ontwikkelde zich rond het graf van de President een Sylvia Millicam schandaal (de Hilversumse tv ster die jaren lang door alternatieve genezers was behandeld tegen borstkanker, zo bleek na haar dood). Gubler zag zich genoopt om ter zuivering van blaam Le Grand Secret toch op 17 januari 1996 te publiceren. Op diezelfde dag voerde de familie van Mitterand een kort geding. De kort geding rechter verbood de verdere verspreiding van het boek op 18 januari wegens privacyschending van de familie en schending van het beroepsgeheim door de arts. Deze beslissing houdt stand in drie instanties. In de kort daarna gestarte bodemprocedure blijft het verspreidingsverbod intact. Het is van belang om vast te stellen dat de Appèlrechter en de Cassatierechter het verbod uitsluitend nog funderen op de inmiddels onherroepelijk door de strafrechter vastgestelde schending van zijn beroepsgeheim door Gubler, omdat het verbod een geoorloofde beperking in de zin van artikel 10 EVRM is: alleen op die manier kan een einde gemaakt worden aan de schadelijke gevolgen van de schending van het beroepsgeheim (“que la cessation de la diffusion de l'ouvrage était seule de nature à mettre fin à l'infraction pénale et au préjudice subi”). Het is dan inmiddels mei 1997. Op dat moment (feitelijk vanaf 13 maart 1996) staat het hele boek integraal op Internet. Hoe het daar gekomen is weet niemand.

2. Doordat de beslissing in nationale instanties is toegespitst op de schending van het strafrechtelijk gesanctioneerde medische beroepsgeheim, is de privacyschending van de familie van Mitterand in deze zaak buiten beeld gebleven. Dat ook een public figure privacy heeft, maar dat deze onderdeel kan zijn van een publiek debat, moeten we lezen in het arrest Caroline (EHRM 24 juni 2004, NJ 2005, 22 , m.nt. EJD), overwegingen 60 en 64: “the public has the right to be informed even about aspects of the private life of public figures, particularly where politicians are concerned (see Plon)”. De beslissing is geheel toegespitst op de waarborgen van vertrouwelijkheid die de naleving van het beroepsgeheim dient te bieden. Het Hof gaat hier in het midden zitten. Het acht het verspreidingsverbod in kort geding gerechtvaardigd, maar na ommekomst van de termijn van het bodemgeschil niet meer, omdat dan het belang van het publieke debat prevaleert. Bovendien is daarvoor een pragmatische overweging, namelijk dat de inhoud van het boek inmiddels ruime mate van bekendheid genoot. Al voor het eerste verbod in kort geding was er een voorpublicatie in Paris Match geweest en waren er op de dag van de publicatie meteen 40.000 van verkocht; inmiddels stond het op Internet en was het al uitvoerig in de media becommentarieerd. Het tijdsverloop zorgt dus ook voor publiciteit. Deze aanpak kennen we al uit andere zaken (Spycatcher: EHRM 26 november 1991, NJ 1992, 457, m.nt. EJD ; Weber: EHRM 22 mei 1990, NJ 1992, 454, m.nt. EJD; Bluf!: EHRM 9 juni 1995, Mediaforum 1995 (3) Jurisprudentiebijlage, p. 30-34;Fressoz: 21 januari 1999, NJ 1999, 713, m.nt EJD).

3. Het Hof beantwoordt niet duidelijk de vraag of de uitgever als medepleger of medeplichtige van de strafbare schending van het beroepsgeheim niet moet afzien van publicatie. Dezen waren in nationale instantie als medeplichtigen veroordeeld, maar deze veroordeling maakte kennelijk geen onderdeel uit van de klacht in Straatsburg. Impliciet doet het dat wel, doordat het een publicatieverbod gedurende zekere tijd gerechtvaardigd acht, hetgeen betekent dat dan het geheim prevaleert. Er moet dus een nauwkeurige afweging plaatsvinden tussen het belang dat met naleving van het (ambts)geheim is gediend en het belang van het openbare debat. In de Nederlandse rechtspraktijk is niet een duidelijk precedent voor handen: journalisten vinden meestal geheimen in blanco enveloppen op de deurmat van hun woning en publiceren die als zij vinden dat het nieuws is. De Raad van de Journalistiek (onder voorzitterschap van P.J. Boukema en W.H.D. Asser) heeft in 1995 in een nog altijd interessant ambtshalve uitgebracht advies over deze problematiek vuistregels geformuleerd (te vinden in het Jaarverslag van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten van 1995). De Raad laat zich niet uit over de strafrechterlijke verantwoordelijkheid van een journalist die profiteert van schending van ambtsgeheimen. Een journalist die in het belang van de nieuwsgaring een strafbaar feit pleegt, heeft tot dusver, voorzover ik weet, geen succesvol beroep kunnen doen op straffeloosheid van de daad. Zo ging een journalist die in valse hoedanigheid rijbewijzen aanvroeg om te bewijzen dat de Gemeentegriffies laks waren in het verifiëren van de identiteit van de aanvrager, en vervolgens die misstand in de krant beschreef, volgens de HR niet vrij uit (HR 27 juni 1995, NJ 1995, 711; zie daarover C.Kelk, Studieboek Materieel Strafrecht , Gouda: Gouda Quint 1998, p. 137-138). Wel lijkt de Raad voor de Journalistiek een actieve betrokkenheid van de journalist bij schending van strafrechtelijk gesanctioneerde verplichtingen (diefstal en heling van informatie, schending van geheimen) af te keuren, met name als de journalist een tegenprestatie toezegt voor het plegen van strafbare handelingen (6.2 van de aanbeveling). Voor het gebruik van informatie staat de Raad een nauwkeurige en gewetensvolle belangenafweging voor tussen het belang van de publicatie (bezien vanuit de actualiteit en het belang van het onderwerp) en de belangen die zijn gediend met vertrouwelijkheid. Daarbij weegt met name bescherming van privacy zwaar (7.3 en 7.4 en 7.4.9-11van de aanbeveling). Wanneer de publicatie voor een persoon belastend kan zijn neemt de Raad bovendien een scherpe hoor en wederhoor eis aan. (7.4.6. van de aanbeveling). De belangenafweging is in lijn met de dit arrest en de eerdere jurisprudentie van het Hof.


Geplaatst 28.09.2005