|
1. Dokter Gubler, de lijfarts van Mitterand, had in november
1995 bij de uitgeverij Plon, de klaagster in deze procedure, een manuscript
ter uitgave ondergebracht onder de titel Le Grand
Secret , waarin hij onthulde dat de staatsman al
vanaf 1981 door een medisch team werd behandeld voor een ongeneeslijke prostaatkanker,
die zich kort na zijn verkiezing als president had geopenbaard. Het voornemen
bestond dit boek uit te geven midden januari 1996, maar door het overlijden
van de president op 8 januari 1996 was de uitgave uitgesteld. Al op 10 januari
1996 publiceerde Le Monde
een bericht dat Mitterand vanaf 1981 aan kanker had geleden, maar dat het
publiek hierover pas in 1992 was geïnformeerd. Het artikel suggereerde
dat Dr Gubler hem alternatieve geneesmiddelen (“médecins parallèles”)
had toegediend. Dat ontleende het blad onder meer aan het boek van een andere
raadgever van de President dat in 1995 onder L'Année
des adieux was verschenen. De chef de kliniek
voor behandeling van kanker van het ziekenhuis Pitié-Salpêtre
en de broer van de President verklaarden ook kort na het overlijden van de
President dat deze medisch niet behoorlijk was behandeld. Zo ontwikkelde
zich rond het graf van de President een Sylvia Millicam schandaal (de Hilversumse
tv ster die jaren lang door alternatieve genezers was behandeld tegen borstkanker,
zo bleek na haar dood). Gubler zag zich genoopt om ter zuivering van blaam Le Grand Secret toch
op 17 januari 1996 te publiceren. Op diezelfde dag voerde de familie van
Mitterand een kort geding. De kort geding rechter verbood de verdere verspreiding
van het boek op 18 januari wegens privacyschending van de familie en schending
van het beroepsgeheim door de arts. Deze beslissing houdt stand in drie instanties.
In de kort daarna gestarte bodemprocedure blijft het verspreidingsverbod
intact. Het is van belang om vast te stellen dat de Appèlrechter en
de Cassatierechter het verbod uitsluitend nog funderen op de inmiddels onherroepelijk
door de strafrechter vastgestelde schending van zijn beroepsgeheim door Gubler,
omdat het verbod een geoorloofde beperking in de zin van artikel 10 EVRM
is: alleen op die manier kan een einde gemaakt worden aan de schadelijke
gevolgen van de schending van het beroepsgeheim (“que la cessation de la
diffusion de l'ouvrage était seule de nature à mettre fin à
l'infraction pénale et au préjudice subi”). Het is dan inmiddels
mei 1997. Op dat moment (feitelijk vanaf 13 maart 1996) staat het hele boek
integraal op Internet. Hoe het daar gekomen is weet niemand. 2. Doordat de beslissing in nationale instanties is toegespitst
op de schending van het strafrechtelijk gesanctioneerde medische beroepsgeheim,
is de privacyschending van de familie van Mitterand in deze zaak buiten beeld
gebleven. Dat ook een public figure privacy heeft, maar dat deze onderdeel
kan zijn van een publiek debat, moeten we lezen in het arrest Caroline (EHRM
24 juni 2004, NJ 2005,
22 , m.nt.
EJD), overwegingen 60 en 64: “the public has the right to be informed
even about aspects of the private life of public figures, particularly where
politicians are concerned (see Plon)”. De beslissing is geheel toegespitst
op de waarborgen van vertrouwelijkheid die de naleving van het beroepsgeheim
dient te bieden. Het Hof gaat hier in het midden zitten. Het acht het verspreidingsverbod
in kort geding gerechtvaardigd, maar na ommekomst van de termijn van het
bodemgeschil niet meer, omdat dan het belang van het publieke debat prevaleert.
Bovendien is daarvoor een pragmatische overweging, namelijk dat de inhoud
van het boek inmiddels ruime mate van bekendheid genoot. Al voor het eerste
verbod in kort geding was er een voorpublicatie in
Paris Match geweest en waren er op de dag van
de publicatie meteen 40.000 van verkocht; inmiddels stond het op Internet
en was het al uitvoerig in de media becommentarieerd. Het tijdsverloop zorgt
dus ook voor publiciteit. Deze aanpak kennen we al uit andere zaken (Spycatcher:
EHRM 26 november 1991, NJ
1992, 457, m.nt. EJD ; Weber: EHRM 22 mei 1990,
NJ 1992, 454, m.nt. EJD; Bluf!: EHRM 9 juni 1995, Mediaforum 1995 (3)
Jurisprudentiebijlage, p. 30-34;Fressoz: 21 januari 1999,
NJ 1999, 713, m.nt EJD). 3. Het Hof beantwoordt niet duidelijk de vraag of de uitgever
als medepleger of medeplichtige van de strafbare schending van het beroepsgeheim
niet moet afzien van publicatie. Dezen waren in nationale instantie als medeplichtigen
veroordeeld, maar deze veroordeling maakte kennelijk geen onderdeel uit van
de klacht in Straatsburg. Impliciet doet het dat wel, doordat het een publicatieverbod
gedurende zekere tijd gerechtvaardigd acht, hetgeen betekent dat dan het
geheim prevaleert. Er moet dus een nauwkeurige afweging plaatsvinden tussen
het belang dat met naleving van het (ambts)geheim is gediend en het belang
van het openbare debat. In de Nederlandse rechtspraktijk is niet een duidelijk
precedent voor handen: journalisten vinden meestal geheimen in blanco enveloppen
op de deurmat van hun woning en publiceren die als zij vinden dat het nieuws
is. De Raad van de Journalistiek (onder voorzitterschap van P.J. Boukema
en W.H.D. Asser) heeft in 1995 in een nog altijd interessant ambtshalve uitgebracht
advies over deze problematiek vuistregels geformuleerd (te vinden in het
Jaarverslag van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten van 1995). De
Raad laat zich niet uit over de strafrechterlijke verantwoordelijkheid van
een journalist die profiteert van schending van ambtsgeheimen. Een journalist
die in het belang van de nieuwsgaring een strafbaar feit pleegt, heeft tot
dusver, voorzover ik weet, geen succesvol beroep kunnen doen op straffeloosheid
van de daad. Zo ging een journalist die in valse hoedanigheid rijbewijzen
aanvroeg om te bewijzen dat de Gemeentegriffies laks waren in het verifiëren
van de identiteit van de aanvrager, en vervolgens die misstand in de krant
beschreef, volgens de HR niet vrij uit (HR 27 juni 1995,
NJ 1995, 711; zie daarover C.Kelk,
Studieboek Materieel Strafrecht , Gouda: Gouda
Quint 1998, p. 137-138). Wel lijkt de Raad voor de Journalistiek een actieve
betrokkenheid van de journalist bij schending van strafrechtelijk gesanctioneerde
verplichtingen (diefstal en heling van informatie, schending van geheimen)
af te keuren, met name als de journalist een tegenprestatie toezegt voor
het plegen van strafbare handelingen (6.2 van de aanbeveling). Voor het gebruik
van informatie staat de Raad een nauwkeurige en gewetensvolle belangenafweging
voor tussen het belang van de publicatie (bezien vanuit de actualiteit en
het belang van het onderwerp) en de belangen die zijn gediend met vertrouwelijkheid.
Daarbij weegt met name bescherming van privacy zwaar (7.3 en 7.4 en 7.4.9-11van
de aanbeveling). Wanneer de publicatie voor een persoon belastend kan zijn
neemt de Raad bovendien een scherpe hoor en wederhoor eis aan. (7.4.6. van
de aanbeveling). De belangenafweging is in lijn met de dit arrest en de eerdere
jurisprudentie van het Hof.
|