Annotatie bij EHRM (Grand Chamber) 17 december 2004 (Pedersen en Baadsgaard / Denemarken, Cumpana en Mazare / Roemenië)
Verschenen in NJ 2005, 368 en 369.

E.J. Dommering


1. Het gaat om een zaak uit Roemenië en een zaak uit Denemarken. In de eerste zaak gaat het om een artikel in de Roemeense Telegraaf waarin een schandaal met parkeerboetes aan de kaak wordt gesteld. De firma Vinalex had een contract van de plaatselijke overheid gekregen om de overtredingen te constateren en boetes op te leggen. Daarbij zouden boetes naar willekeur zijn opgelegd, terwijl de firma zelf er financieel beter van zou zijn geworden. Het artikel spreekt enige malen over 'fraude'. Het noemt de voormalige loco-burgemeester D.M. (thans advocaat) die bij de affaire betrokken was een schurk en beschuldigt de voormalige juridische adviseuse van de gemeente R.M. (thans rechter) van het tekenen van een frauduleus contract. Bij de tekst is een foto geplaatst van een politie auto op het moment dat er een vermeend illegaal geparkeerde auto wordt weg gesleept, zijn extracten van de contracten tussen Vinalex en de plaatselijke overheid afgebeeld en wetsteksten opgenomen waarin de rechten en plichten van burgemeesters zijn vastgelegd. De eigenlijke steen des aanstoots is echter de illustratie in de vorm van een cartoon die D.M. en R.M. gearmd laat weglopen. D.M. draagt een tas met de naam Vinalex er op, die uitpuilt van bankbiljetten. D.M. zegt tegen R.M.: “Goed zo, Annie, toen ik loco-burgemeester was, hebben we genoeg verdiend om samen naar Amerika te gaan.” Waarop zij antwoordt: “Ja, Dickie, als jij nou advocaat wordt dan word ik rechter en dan hebben we genoeg om de hele wereld rond te reizen.” In de Deense zaak gaat het om een soort Peter R. de Vries programma, waarin gerechtelijke dwalingen aan de kaak worden gesteld. De gewraakte aflevering heet 'De Blinde vlek van de politie'. Hierin wordt gesuggereerd dat de politie een verklaring van een kroongetuige achterover heeft gedrukt die de voor moord veroordeelde dader een ijzersterk alibi zou hebben verschaft, omdat hij op het moment van de daad ergens anders is gesignaleerd. Het gaat om de verklaring van een taxi chauffeuse die op dag en uur van de moord (12 december 1981 om 13.00 uur) in haar auto op weg was naar de begrafenis van haar grootmoeder en op dat tijdstip (ongeveer het tijdstip van de moord) achter een auto had gereden waarin zich de moordenaar en zijn zoon hadden bevonden.

2. Beide zaken kennen de nodige processuele verwikkelingen, waarop ik hier verder niet in ga; waar het om draait is dat in beide gevallen de ernstige beschuldigingen niet waar worden gemaakt, hetgeen leidt tot nationale veroordelingen wegens smaad. Het EHRM houdt in beide zaken die veroordelingen overeind, zij het dat de Roemeense beslissing sneuvelt op de draconische straf. Er was namelijk een flinke gevangenisstraf opgelegd. Weliswaar was deze niet ten uitvoer gelegd, maar volgens het Hof maakt dat niet uit, omdat het 'chilling' effect van de strafoplegging er niet minder om was. Roemenië schaart zich nog in de traditie van voormalige Oostblok landen, waar de onafhankelijke pers met zware strafvervolgingen werd dwarsgezeten.

3. Zo verschillend als de feiten zijn en de rechtstradities waarbinnen deze zijn berecht, het EHRM legt in beide zaken de Europese meetlat langs het feiten substraat en geeft een duidelijke norm voor het verschil tussen feitelijke oordelen die door de pers moeten worden bewezen en waarde oordelen waarvoor dat niet geldt. Het trekt daarbij de lijn door van EHRM 7 mei 2002 (zaak McVicar), NJ 2004, nr. 337, m.nt. EJD en EHRM 13 november 2003 (zaak Scharsach), NJ 2004, nr. 338, m.nt. EJD. De eerste zaak betrof een beschuldiging van strafrechtelijk handelen, de tweede de beschuldiging een waarde oordeel over een politiek verleden.

4. In de Roemeense zaak is de reputatie van de vrouw, die lijkt op de klaagster die in de cartoon wordt afgebeeld en wier naam voluit bij het artikel wordt vermeld, zwaar beschadigd. De beschuldiging dat zij zich heeft laten omkopen wordt niet waargemaakt. Het Hof onderzoekt in de overwegingen 98-100 nauwkeurig de feiten en stelt vast dat de beschuldiging van strafbare feiten niet is onderbouwd. In de Deense zaak blijkt dat de taxi chauffeuse wel degelijk eerder was gehoord, en dat uit haar verklaring naar voren was gekomen dat zie zich in het uur van de begrafenis had vergist. Die was niet om 13.00 uur geweest, maar om 14.00 uur, waarmee het alibi als sneeuw voor de zon was verdwenen. Het komt wel vaker voor dat getuigen stellige verklaringen over gebeurtenissen in het verleden afleggen die niet kloppen met de objectieve feiten. Inmiddels waren de Deense politiemensen die op het onderzoek hadden gezeten wel publiekelijk aan de paal genageld.

5. Het Hof is het duidelijkst in de Deense zaak over wat de Pers bij een ernstige beschuldiging heeft waar te maken. Ik volg daarom de Deense zaak op dit punt in meer detail. Een waarde oordeel (in dit geval dat de politie bewijsmateriaal had verdonkeremaand, een niet geringe beschuldiging) moet een voldoende feitelijke basis hebben om het te ondersteunen (overweging 76). De beschuldiging hadden de journalisten zelf gedaan op basis van de verklaringen die waren afgelegd. Zij hadden de beschuldiging dus 'tot de hunne' gemaakt. Overwegingen 78 en 79 vormen de kernoverwegingen. Hierin zegt het Hof de volgende dingen:

  • Het recht van de journalist om beschermd te worden in zijn vrijheid 'to impart information' impliceert dat “they should act in good faith and on an accurate basis and provide 'reliable and precise' information in accordance with the ethics of journalism” (het Hof citeert ondermeer als precedent de zaak Fressoz, EHRM 21 januari 1999, NJ 1999, 713, m. nt. EJD; zie mijn noot aldaar onder 3 en 4). Er kunnen speciale redenen zijn dat de normale plicht feitelijke oordelen die de reputatie van personen te verifiëren in mindere mate geldt. “Whether such grounds exist depends in particular on the nature and degree of defamation in question and the extent to which the media can reasonably regard their sources as reliable with respect to the allegations.” 

  • Van belang is in het bijzonder dat volgens art. 6 lid 2 van het EVRM de presumptio innocentiae geldt. Dus geen 'trial by media'.

  • De mate waarin de beschuldiging publieke verspreiding heeft gekregen.

6. Volgens deze maatstaf wordt de Deense beslissing in hoogste instantie in stand gelaten. De HR heeft in de zaak Parool/Van Gasteren (HR 6 januari 1995 NJ 1995, 422, m.nt. EJD) beslist dat de in het arrest Gemeenteraadslid (HR 24 juni 1983, NJ 1984, nr. 201, m.nt. MS) ontwikkelde test om vast te stellen of de Pers onrechtmatig heeft gehandeld gekoppeld moet worden aan de test onder artikel 10 EVRM. De Gemeenteraadslid test luidt:

  • De aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen.

  • De ernst van de misstand die aan de kaak gesteld moet worden.

  • De mate waarin de beschuldigingen steun vonden in het ten tijde van de publicatie beschikbare bewijsmateriaal.

  • De inkleding van de verdenkingen.

Deze test lijkt sterk op die van het EHRM, zij het dat er een aantal belangrijke preciseringen zijn. De journalist moet gehandeld hebben volgens zijn beroepsethiek en te goeder trouw. De informatie op basis waarvan wordt gepubliceerd, moet 'precies'en 'nauwkeurig' zijn als het gaat om ernstige beschuldigingen. Als het gaat om beschuldigingen van strafbare feiten is de presumptio innocentiae een afzonderlijke afwegingsfactor.

7. De terugkerende verwijzing in de arresten van het Hof naar het handelen volgens de beroepsregels van de journalistiek geeft aan dat er een juridisch belang ontstaat om die meer inhoud te geven. In Nederland is de procedure bij de Raad voor de Journalistiek en toepassing van de gedragscode nog een te vrijblijvende aangelegenheid. Het stellen van inhoudelijke professionele eisen aan het beroep van journalist, wordt dikwijls bestreden met het argument dat de toetreding van het beroep vrij moet zijn, omdat de vrijheid van meningsuiting dat voorschrijft. Het is echter van tweeën een: of iedereen is journalist zonder bijzondere voorrechten of het beroep kent een professionele kwaliteitseis en heeft in de informatieverspreiding een geprivilegieerde positie. Wanneer Nederlandse rechters aan de professionele eisen meer aandacht zouden geven in hun motivering, kan daarvan een gezonde stimulans voor de branche uitgaan, scherper toe te zien op de naleving van professionele standaarden. Dit kan bijvoorbeeld door meer gezag toe te kennen aan de uitspraken van de Raad van de Journalistiek.

8. Het gaat in beide zaken om Grand Chamber beslissingen. In de Deense zaak is er een nipte meerderheid voor een veroordeling. De minderheid stelt minder zware eisen aan het bewijsmateriaal waar de pers op af mag gaan bij het doen van een ernstige beschuldiging.


Geplaatst 28.09.2005