|
1. Het gaat om een zaak uit Roemenië en een zaak
uit Denemarken. In de eerste zaak gaat het om een artikel in de Roemeense
Telegraaf waarin een schandaal met parkeerboetes aan de kaak wordt gesteld.
De firma Vinalex had een contract van de plaatselijke overheid gekregen om
de overtredingen te constateren en boetes op te leggen. Daarbij zouden boetes
naar willekeur zijn opgelegd, terwijl de firma zelf er financieel beter van
zou zijn geworden. Het artikel spreekt enige malen over 'fraude'. Het noemt
de voormalige loco-burgemeester D.M. (thans advocaat) die bij de affaire
betrokken was een schurk en beschuldigt de voormalige juridische adviseuse
van de gemeente R.M. (thans rechter) van het tekenen van een frauduleus contract.
Bij de tekst is een foto geplaatst van een politie auto op het moment dat
er een vermeend illegaal geparkeerde auto wordt weg gesleept, zijn extracten
van de contracten tussen Vinalex en de plaatselijke overheid afgebeeld en
wetsteksten opgenomen waarin de rechten en plichten van burgemeesters zijn
vastgelegd. De eigenlijke steen des aanstoots is echter de illustratie in
de vorm van een cartoon die D.M. en R.M. gearmd laat weglopen. D.M. draagt
een tas met de naam Vinalex er op, die uitpuilt van bankbiljetten. D.M. zegt
tegen R.M.: “Goed zo, Annie, toen ik loco-burgemeester was, hebben we genoeg
verdiend om samen naar Amerika te gaan.” Waarop zij antwoordt: “Ja, Dickie,
als jij nou advocaat wordt dan word ik rechter en dan hebben we genoeg om
de hele wereld rond te reizen.” In de Deense zaak gaat het om een soort Peter
R. de Vries programma, waarin gerechtelijke dwalingen aan de kaak worden
gesteld. De gewraakte aflevering heet 'De Blinde vlek van de politie'. Hierin
wordt gesuggereerd dat de politie een verklaring van een kroongetuige achterover
heeft gedrukt die de voor moord veroordeelde dader een ijzersterk alibi zou
hebben verschaft, omdat hij op het moment van de daad ergens anders is gesignaleerd.
Het gaat om de verklaring van een taxi chauffeuse die op dag en uur van de
moord (12 december 1981 om 13.00 uur) in haar auto op weg was naar de begrafenis
van haar grootmoeder en op dat tijdstip (ongeveer het tijdstip van de moord)
achter een auto had gereden waarin zich de moordenaar en zijn zoon hadden
bevonden. 2. Beide zaken kennen de nodige processuele
verwikkelingen, waarop ik hier verder niet in ga; waar het om draait is dat
in beide gevallen de ernstige beschuldigingen niet waar worden gemaakt, hetgeen
leidt tot nationale veroordelingen wegens smaad. Het EHRM houdt in beide
zaken die veroordelingen overeind, zij het dat de Roemeense beslissing sneuvelt
op de draconische straf. Er was namelijk een flinke gevangenisstraf opgelegd.
Weliswaar was deze niet ten uitvoer gelegd, maar volgens het Hof maakt dat
niet uit, omdat het 'chilling' effect van de strafoplegging er niet minder
om was. Roemenië schaart zich nog in de traditie van voormalige Oostblok
landen, waar de onafhankelijke pers met zware strafvervolgingen werd dwarsgezeten. 3. Zo verschillend als de feiten
zijn en de rechtstradities waarbinnen deze zijn berecht, het EHRM legt in
beide zaken de Europese meetlat langs het feiten substraat en geeft een duidelijke
norm voor het verschil tussen feitelijke oordelen die door de pers moeten
worden bewezen en waarde oordelen waarvoor dat niet geldt. Het trekt daarbij
de lijn door van EHRM 7 mei 2002 (zaak McVicar),
NJ 2004, nr. 337, m.nt. EJD en EHRM 13 november
2003 (zaak Scharsach), NJ
2004, nr. 338, m.nt.
EJD. De eerste zaak betrof een beschuldiging van strafrechtelijk
handelen, de tweede de beschuldiging een waarde oordeel over een politiek
verleden. 4. In de Roemeense zaak is de
reputatie van de vrouw, die lijkt op de klaagster die in de cartoon wordt
afgebeeld en wier naam voluit bij het artikel wordt vermeld, zwaar beschadigd.
De beschuldiging dat zij zich heeft laten omkopen wordt niet waargemaakt.
Het Hof onderzoekt in de overwegingen 98-100 nauwkeurig de feiten en stelt
vast dat de beschuldiging van strafbare feiten niet is onderbouwd. In de
Deense zaak blijkt dat de taxi chauffeuse wel degelijk eerder was gehoord,
en dat uit haar verklaring naar voren was gekomen dat zie zich in het uur
van de begrafenis had vergist. Die was niet om 13.00 uur geweest, maar om
14.00 uur, waarmee het alibi als sneeuw voor de zon was verdwenen. Het komt
wel vaker voor dat getuigen stellige verklaringen over gebeurtenissen in
het verleden afleggen die niet kloppen met de objectieve feiten. Inmiddels
waren de Deense politiemensen die op het onderzoek hadden gezeten wel publiekelijk
aan de paal genageld. 5. Het Hof is het duidelijkst
in de Deense zaak over wat de Pers bij een ernstige beschuldiging heeft waar
te maken. Ik volg daarom de Deense zaak op dit punt in meer detail. Een waarde
oordeel (in dit geval dat de politie bewijsmateriaal had verdonkeremaand,
een niet geringe beschuldiging) moet een voldoende feitelijke basis hebben
om het te ondersteunen (overweging 76). De beschuldiging hadden de journalisten
zelf gedaan op basis van de verklaringen die waren afgelegd. Zij hadden de
beschuldiging dus 'tot de hunne' gemaakt. Overwegingen 78 en 79 vormen de
kernoverwegingen. Hierin zegt het Hof de volgende dingen:
-
Het recht van de
journalist om beschermd te worden in zijn vrijheid 'to impart information'
impliceert dat “they should act in good faith and on an accurate basis and
provide 'reliable and precise' information in accordance with the ethics of
journalism” (het Hof citeert ondermeer als precedent de zaak Fressoz, EHRM
21 januari 1999, NJ
1999, 713, m. nt. EJD; zie mijn noot aldaar onder 3 en 4). Er kunnen speciale
redenen zijn dat de normale plicht feitelijke oordelen die de reputatie van
personen te verifiëren in mindere mate geldt.
“Whether such grounds exist depends in particular on the nature and degree
of defamation in question and the extent to which the media can reasonably
regard their sources as reliable with respect to the allegations.”
-
Van belang is in het bijzonder dat volgens art. 6 lid 2 van het EVRM de presumptio
innocentiae geldt. Dus geen 'trial by media'.
-
De
mate waarin de beschuldiging publieke verspreiding heeft gekregen.
6. Volgens deze maatstaf wordt de Deense beslissing in
hoogste instantie in stand gelaten. De HR heeft in de zaak Parool/Van Gasteren
(HR 6 januari 1995 NJ
1995, 422, m.nt. EJD) beslist dat de in het arrest Gemeenteraadslid (HR 24
juni 1983, NJ 1984,
nr. 201, m.nt. MS) ontwikkelde test om vast te stellen of de Pers onrechtmatig
heeft gehandeld gekoppeld moet worden aan de test onder artikel 10 EVRM.
De Gemeenteraadslid test luidt:
-
De aard van de gepubliceerde
verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen.
-
De
ernst van de misstand die aan de kaak gesteld moet worden.
-
De
mate waarin de beschuldigingen steun vonden in het ten tijde van de publicatie
beschikbare bewijsmateriaal.
-
De
inkleding van de verdenkingen.
Deze test
lijkt sterk op die van het EHRM, zij het dat er een aantal belangrijke preciseringen
zijn. De journalist moet gehandeld hebben volgens zijn beroepsethiek en te
goeder trouw. De informatie op basis waarvan wordt gepubliceerd, moet 'precies'en
'nauwkeurig' zijn als het gaat om ernstige beschuldigingen. Als het gaat
om beschuldigingen van strafbare feiten is de presumptio innocentiae een
afzonderlijke afwegingsfactor. 7. De terugkerende verwijzing in de arresten van het Hof
naar het handelen volgens de beroepsregels van de journalistiek geeft aan
dat er een juridisch belang ontstaat om die meer inhoud te geven. In Nederland
is de procedure bij de Raad voor de Journalistiek en toepassing van de gedragscode
nog een te vrijblijvende aangelegenheid. Het stellen van inhoudelijke professionele
eisen aan het beroep van journalist, wordt dikwijls bestreden met het argument
dat de toetreding van het beroep vrij moet zijn, omdat de vrijheid van meningsuiting
dat voorschrijft. Het is echter van tweeën een: of iedereen is journalist
zonder bijzondere voorrechten of het beroep kent een professionele kwaliteitseis
en heeft in de informatieverspreiding een geprivilegieerde positie. Wanneer
Nederlandse rechters aan de professionele eisen meer aandacht zouden geven
in hun motivering, kan daarvan een gezonde stimulans voor de branche uitgaan,
scherper toe te zien op de naleving van professionele standaarden. Dit kan
bijvoorbeeld door meer gezag toe te kennen aan de uitspraken van de Raad
van de Journalistiek. 8. Het
gaat in beide zaken om Grand Chamber beslissingen. In de Deense zaak is er
een nipte meerderheid voor een veroordeling. De minderheid stelt minder zware
eisen aan het bewijsmateriaal waar de pers op af mag gaan bij het doen van
een ernstige beschuldiging.
|