|
Inleiding 1. De beslissing van het Hof in deze zaak heeft
grote opschudding in Duitland veroorzaakt. Een groot aantal hoofdredacteuren
van de opiniepers, de roddelpers en de omroep hebben, kort na de uitspraak,
een adres tot de Bondsregering gericht om het er niet bij te laten zitten
en naar de Grand Chamber te gaan. De persvrijheid in Duitsland zou door deze
beslissing ernstig zijn beschadigd. De Bondsregering heeft daarvan, na ingewonnen
advies bij het BundesVerfassungsGericht, af gezien (persberichten te vinden
op
http://www.anwalt-im-netz.de/Aktuelles/BVERFG010904/bverfg010904.html
en http://www.rws.beck.de). Om dit
te begrijpen zal ik eerst het Duitse recht behandelen, alvorens op de beslissing
van het Hof zelf in te gaan. Na de behandeling van de uitspraak van het Hof
zal ik de Duitse reacties en aanvaarding van deze uitspraak in Duitsland
en de consequenties voor het Nederlandse recht behandelen.
Het Duitse
recht
2. Het Hof komt in deze zaak in aanvaring met
een in het Duitse recht ontwikkelde doctrine die bekend staat als de doctrine
van de 'Personen der Tijdsgeschiedenis' ('Personen der Zeitgeschichte').
Volgens die doctrine, die als zodanig in artikel 23 van de Duitse Auteurswet
is vastgelegd, kan de pers in ruime mate in woord en beeld verslag doen
over personen die om een of andere reden in de geschiedenis beroemd zijn
geworden. Het gaat in deze zaak om de 37 jarige prinses Caroline van Monaco
(inmiddels getrouwd met een Duitse prins Von Hannover, maar nog steeds lid
van het vorstenhuis van Monaco dat ze vertegenwoordigt bij zulke belangwekkende
evenementen als het Rode Kruisbal en de opening van het Internationale Circusfestival))
die al sinds de eerste helft van de jaren negentig een campagne tegen de
roddelpers voert. Aan de in Duitsland begonnen procedures liggen drie series
van foto's ten grondslag voornamelijk gepubliceerd in Bunte , één
uit 1993 en twee uit 1997 die alle zonder uitzondering triviale plaatjes
van het leisure class leven van Caroline tonen: Caroline aan tafel met de
filmster Vincent Lindon in de binnentuin van een restaurant in Saint-Rémy-de-Provence
(de plaats waar Van Gogh in het krankzinnigengesticht heeft gezeten), Caroline
aan het paardrijden, Caroline in een kano met haar dochter Charlotte, Caroline
met een bos bloemen in de hand met haar zoon Andrea, Caroline aan het tennissen,
Caroline en Prins Ernst August von Hannover die van hun fietsen afstappen,
Caroline aan het winkelen, Caroline in een badpak in de Monte Carlo Beach
Club terwijl ze over iets struikelt, enzovoort. Alles natuurlijk voorzien
van teksten, zoals bij het skiën “Caroline, eine Frau kehrt ins Leben
zurück” of op het paard “Caroline und die Melancholie. Ihr Leben ist
ein Roman mit unzähligen Unglücken.” Het Hamburgse Landesgericht
verbiedt in de 1993-procedure met toepassing van Frans recht de verspreiding
van Bunte in Frankrijk, maar laat die in Duitsland toe op grond
van de Tijdsgeschiedenis doctrine. Het Franse verbod gaat in appèl
ook over de kop. Bij het BundesGerichtshof wordt de restaurantfoto een privacyschending
gevonden. Caroline gaat over de andere foto's die het BundesGerichtshof toelaat
door naar het BundesVerfassungsGericht dat in 1999 alleen de foto's met de
kinderen veroordeelt, omdat deze het grondwettelijke recht op privacy en
gezinsbescherming schenden. In 1997 voert de prinses onverrichter zake een
procedure tegen Bunte over de tweede reeks foto's met als inzet
een verbod om deze te herpubliceren. In november 1997 probeert zij het nog
een keer tegen een ander blad ten aanzien van de derde reeks foto's die over
de Monte Carlo Beach gaan. In rechte produceert zij een verklaring van de
directeur van dit exclusieve etablissement inhoudende dat het een privé
club is die slechts tegen betaling van een hoge toegangsprijs toegankelijk
is en waar journalisten worden geweerd. De foto's zijn met een telelens genomen
van het dak van het buurpand. Weer zonder succes: “Monte Carlo Beach is openbaar”
zeggen alle rechters, die er waarschijnlijk een lieve duit voor over zouden
hebben om daar ook eens rond te mogen lopen. In beide 1997 procedures speelt
de 1999 beslissing van het Verfassungsgericht een grote rol. Om die reden
wordt in beide zaken het appèl op dat Hof door het Hof zelf afgewezen
(Duitsland kent een verlofstelsel).
3. Prinses
Caroline heeft met haar kruistocht tegen de roddelpers een indrukwekkend
spoor in de Duitse jurisprudentie achtergelaten. Op het niveau van het BundesGerichtshof
heeft dit geleid tot de Caroline von Monaco I, II en III beslissingen ( BGH
15.11.1994, Neue Juristische Wocheschrift , hierna: NJW
1995, p. 961, Archif für Presserecht 1995, hierna AfP
1/95 , p. 411; BGH 5.12.1995 NJW 1996, p. 984, AfP
2/96, p. 137; BGH 19.12.1995 NJW 1996, p. 1128, AfP 2/95,
p.140), gevolgd door eenzelfde reeks op het niveau van het BundesVerfassungsGericht
(BVerfGE 15.12. 1999 NJW 2000, p. 1021, AfP 1/2000, p.
76; BVerfGE 5.4.2000 NJW 2000, p. 2194, AfP 1/2000, 349;
BVerfGE 13.4.2000 NJW 2000, p. 2192, AfP 1/2000, p. 348).
De eerste twee BGH beslissingen hebben betrekking op andere zaken. De inzet
van de eerste was een fictief interview dat als een werkelijk interview werd
gepresenteerd, de tweede de bewering dat zij aan borstkanker zou lijden.
In het eerste interview wordt aan haar de uitlating toegeschreven “Ich will
nicht mehr in der Öffentlichkeit erscheinen, ich will nicht mehr eine
Persone des öffentlichen Interesses, vor allem ein Schauobjekt, sein,”
terwijl zij tegen de vermeende interviewer slechts had gezegd dat zij geen
interviews gaf. De pseudo interviewer had tenminste fijn aangevoeld waarom
dat zo was. De uitspraak van 19 december 1995 (Caroline III) heeft betrekking
op de onderhavige zaak. Dat geldt ook voor Caroline I, II en III van het
BVerfGE. Daarbij is het echter niet gebleven: in mei en september 2004 deed
het BGH opnieuw uitspraken, ditmaal ten gunste van de vijftienjarige dochter
Charlotte, inhoudende dat foto's van de minderjarige dochter bij de sportbeoefening,
een privacy inbreuk opleverden. Deze uitspraken zullen wel als Caroline IV
en V de Duitse juridische geschiedenis ingaan. Alvorens de getergde prinses
verder in Straatsburg te volgen eerst iets over de tijdsgeschiedenis doctrine.
4. Artikel
23 ('Recht am eigenen Bild') van de Duitse Auteurswet (KUG) is vergelijkbaar
met ons portretrecht (artikel 21 Aw). Artikel 21 Aw geeft een open norm voor
het portretteren zonder toestemming: dat mag voorzover zich een redelijk
belang van de geportretteerde daartegen niet verzet. In de afweging
van het redelijke belang van de geportretteerde tegen het belang van de portretmaker
is door de jurisprudentie geleidelijk aan de persvrijheid als belang ingevlochten
(zie hierna onder Nederlands recht ). Artikel 23 KUG bevat echter
een veel specifiekere norm (waarin reeds een afweging ligt opgesloten), namelijk
dat personen van de tijdsgeschiedenis zich portrettering moeten laten welgevallen.
Die norm wordt door de doctrine beschouwd als een uitdrukkelijke verwijzing
naar de in artikel 5 van de Duitse federale Grondwet gegarandeerde persvrijheid
(Wenzel, Das Recht der Wort und Bildberichterstattung , 5 Auflage,
Köln: Verlag Dr Otto Schmidt 2003, p. 462 e.v.). Die vrijheid houdt
naar de kern in dat het persorgaan zelf de inhoud en de vorm van de publicatie
mag bepalen en ook de vrijheid heeft deze te illustreren met foto's. Wie
verder leest in het gezaghebbende commentaar van Wenzel zal zien dat het
nu uitgerekend de prinses Caroline I uitspraak van het BVerfGE is die nadere
uitwerking en invulling aan de norm van artikel 23 KUG heeft gegeven. De
Caroline I uitspraak gold dus al meteen als een standaardarrest; het EHRM
noemt in zijn arrest de uitspraak van 15.12.1999 dan ook een 'landmark' beslissing.
5. Wat
houdt de norm precies in? De persvrijheid wordt ruim opgevat en geldt in
dezelfde mate voor de 'Unterhaltungs und Sensations' pers als voor de opiniepers.
Zoals het BVerfGE het in Caroline I verwoordt: “Meinungsbildung und Unterhaltung
sind keine Gegensätze. Auch in unterhaltenden Beiträgen findet
Meinungsbildung statt. Sie können die Meinungsbildung unter Umständen
sogar nachhaltiger anregen oder beeinflussen als ausschliesslich sachbezogene
Informationen.” Tijdsgeschiedenis is niet wat historici daaronder verstaan,
maar om het, met het BVerfGE in Caroline I, eens op zijn Duits te zeggen:
“Die Tatbestandsvoraussetzungen sind unter Berücksichtigung des Informationsinteresses
funktional zu bestimmen nach dem Massstab des Informationsinteresse der Allgemeinheit.”
In wezen gaat het hier om wat de pers van openbaar belang acht. Een helder
criterium is het daardoor niet, omdat het de cirkelredenering oproept dat
iets van openbaar belang is als de pers dat vindt. En de roddelpers vindt
alles wat haar sterren doen en zijn van openbaar belang, eenvoudig omdat
haar lezerspubliek er belang instelt. In de verdere uitwerking van het begrip
Persoon van de Tijdsgeschiedenis wordt een onderscheid gemaakt tussen absolute
en relatieve personen. Het Hof geeft daaraan verder ruim baan door te benadrukken
dat de berichtgeving in beeld sinds het ontstaan van de Auteurswet aanmerkelijk
aan belang heeft gewonnen. Absoluut zijn die personen die het door zich zelf
zijn. Voorbeelden uit de jurisprudentie (zie Walter a.w. p. 467-468) zijn
onder meer Kaiser Wilhelm II, Rijkspresident Ebert, leden van het voormalige
Politbureau van Honecker, topmanagers, kunstenaars, sporters (als het tenminste
“herausragende Sportler”zijn; voetballers moeten dus wel in de Bundesliga
spelen). Als je van adel bent is het niet altijd zo, maar bij Caroline wel.
Van belang in het Caroline I oordeel is dan wel (want daar spitst de discussie
in Straatsburg zich op toe) dat het Verfassungsgericht het niet beperkt tot
de functie-uitoefening: “Es kennzeichnet häufig gerade das offentliche
Interesse, welches solche Personen beanspruchen, dass es nicht nur der Funktionsausübung
im engeren Sinn gilt. Vielmehr kann es sich wegen der herausgehobenen Funktion
und der damit verbundenen Wirkung auch auf Informationen darüber erstrecken,
wie sich diese Personen generell, also ausserhalb ihrer jeweiligen Funktion
in der öffentlichkeit bewegen. Dies hat ein berechtiges Interesse daran
zu verfahren, ob solche Personen, die oft als Idol oder Vorbild gelten, funktionales
und persönliches Verhalten überzeugend in Übereinstimmung
bringen.” Dan zijn er ook nog de relatieve gestalten van de tijdsgeschiedenis.
Deze zijn bekend/beroemd geworden door een bepaalde gebeurtenis. Voorbeelden
uit de jurisprudentie zijn (Walter a.w. p. 468) personen die een rol spelen
in een gebeurtenis die veel aandacht heeft getrokken in de actualiteit. Dit
kan iedereen overkomen, maar het beeldmateriaal dat bij de actuele gebeurtenis
is gemaakt, behoudt slechts zijn betekenis in relatie tot de gebeurtenis,
zodat de foto's van personen buiten de context van die gebeurtenis geen aanspraak
kunnen maken op bijzondere bescherming. Daders van strafbare feiten die een
grote schok in de rechtsorde veroorzaken vallen er onder, maar in het algemeen
niet de slachtoffers.
6. De gestalten der tijdsgeschiedenis hebben wel
recht op een privé leven. Het BVerfGE gaf in de Caroline III uitspraak
die in Straatsburg ter discussie stond daaraan een beperkte uitleg, die sterk
aanknoopt bij de privacy in de privé woning. Daarbuiten hanteert het
Hof een norm die lijkt op de privacy expectation , dat wil zeggen
dat de persoon alleen kan rekenen op privacybescherming buiten de woning
in situaties waarvan anderen kunnen begrijpen dat zij niet voor de openbaarheid
zijn bedoeld (“auch für Dritte erkennbar davon ausgehen darf, den Blicken
der Öffentlichkeit nich ausgezstzt zu sein”). Daartoe behoren niet situaties
waarin je je als eenling tussen de menigte bevindt (“der Einzele unter viele
Menschen”). Dat brengt het Hof tot de bevinding dat de foto's van de Prinses
op openbare plaatsen (zoals bij het winkelen en in een drukbezocht café)
niet aanspraak maken op privacybescherming. Dat geldt ook voor de Monte Carlo
Beach Club, omdat het weliswaar om ruimtelijk afgegrensde ruimte ging, maar
een ruimte waar de Prinses “unter den Augen der anwesenden Öffentlichkeit
steht.” (lees: ook onder de telelenzen van de camera's van de paparazzi op
de daken van de belendende percelen van de club).
De beslissing van het EHRM
7. Analyse van de overwegingen.
Bij het EHRM waren dus de 'overgebleven' foto's aan de orde. Deze foto's
acht het Hof ook een privacyschending. Om dit resultaat te bereiken neemt
het Hof een aantal stappen in de redenering die niet duidelijk logisch met
elkaar verbonden zijn, maar die ik hierna onder 8 in verband met elkaar lees.
In de overwegingen (50) en (51) houdt het Hof zich bezig met de vraag of
er een privacy inbreuk kan zijn. In dat verband stelt het Hof dat een privacy
expectation ook kan bestaan in een publieke context. In (52) en (53) betrekt
het in de privacy inbreuk de mate van verspreiding van de foto's. In (59)
stelt het Hof de bescherming van foto's onder artikel 10 gelijk aan de verspreiding
van ideeën, maar niet helemaal, omdat foto's veel meer persoonlijke
en intieme informatie over iemands privé leven kunnen bevatten. Bovendien
voegt het Hof er aan toe worden de foto's die in de boulevardpers verschijnen
dikwijls genomen in “a climate of continual harassment which induces in the
person concerned a very strong sense of intrusion into life or even of persecution”.
In overweging 61 stelt het Hof vast dat het gaat om foto's uit het dagelijkse
leven van de Prinses en (62) dat zij weliswaar de in Monaco regerende dynastieke
familie van tijd tot tijd vertegenwoordigt, maar dat zij geen officiële
staatkundige functie in Monaco vervult. In (63) maakt het Hof een onderscheid
tussen berichtgeving over het publieke debat gerelateerd aan politici in
de uitoefening van hun functie en berichtgeving over het privé leven
van personen die geen officiële functie vervullen. De berichtgeving
over het privé leven van wat het Hof bij mijn weten nu voor het eerst
aanduidt als “public figures” kan (64) ook betrekking hebben op hun privé
leven “particularly where politicians are concerned”. Dat doet zich hier
niet voor, omdat de foto's op geen enkele manier gerelateerd zijn aan een
publiek debat maar als enige doel hebben de nieuwsgierigheid van het publiek
(65) te bevredigen. Onder verwijzing (67) naar resolutie 1165 (1998) van
de Raad van Europa over privacy die in extenso onder het toepasselijke recht
in het arrest is geciteerd, die de ongezonde belangstelling van het publiek
voor het privé leven van public figures veroordeelt, opteert het Hof
voor een beperkte uitleg van de vrijheid van meningsuiting. In (68) voegt
het Hof er dan nog aan toe dat het in deze zaak in het bijzonder nog van
belang acht, dat het niet alleen gaat over de publicatie van de foto's, maar
ook om de treiterende kwelling (“harassment”) die public figures in hun dagelijkse
leven daarvan ondervinden. Het Hof haalt daarbij als voorbeeld aan de clandestiene
foto's genomen op honderden meters afstand van Caroline die in de Monte Carlo
Beach Club over iets struikelt. In (69) herhaalt het Hof dat privacy niet
beperkt is tot de familiekring, maar ook een sociale dimensie heeft. In (70)
wordt de ontwikkeling van de communicatietechnologie ten tonele gevoerd,
die maakt dat er verhoogde waakzaamheid is geboden voor de bescherming van
het privé leven omdat in toenemende mate de mogelijkheid bestaat persoonsgegevens
op te slaan en te reproduceren, hetgeen ook geldt voor “the systematic taking
of specific photo's and their dissemination to a broad section of the public.”
In de overwegingen (72) tot (75) plaatst het Hof enige kritische noten bij
de Duitse tijdsgeschiedenis doctrine. Het meent dat de leer van de absolute
persoon van de tijdsgeschiedenis (in het arrest aangeduid als een “figure
of contemporary society 'par excellence' ”), de betrokkene weinig privacy
laat en beperkt in zijn “right to control the use of their image”. Dat valt
misschien te rechtvaardigen voor politici, maar niet voor “privé”
personen (de aanhalingstekens zijn van het Hof), zoals Caroline waarvoor
het publiek alleen maar belangstelling heeft als lid van het dynastieke huis
van Monaco. Van het onderscheid tussen absolute en relatieve personen, vindt
het Hof (73) dat het te onnauwkeurig is in een rechtsstaat, omdat het individu
aanspraak kan maken op precieze normen waar het zijn gedrag op kan afstemmen,
met andere woorden de privé sfeer moet precies zijn afgebakend, zodat
je weet wanneer je geen inmenging van derden behoeft te verwachten, met name,
voegt het Hof er nog even aan toe, als het gaat om de roddelpers. Die norm
is te vaag zegt het Hof en dat betekent (74) dat de Prinses in de publieke
ruimte eigenlijk alleen privacy heeft als zij kan bewijzen (en dat bewijs
is moeilijk) als zij zich in een afgescheiden ruimte bevond. En dat heeft
tot gevolg dat zij heeft te accepteren dat zij overal in de openbare ruimte
systematisch kan worden gefotografeerd en dat die foto's op grote schaal
kunnen worden verspreid. Ruimtelijke afzondering (“spatial isolation”) is
een te vaag criterium. Ik bespreek de verschillende stappen in de redenering
in meer detail in het volgende punt.
8. Public figure . De omschrijving
van het begrip 'public figure' wordt (64) niet ingevuld, maar in het vervolg
van het arrest nadrukkelijk steeds in verband gebracht met politici die officiële
functies vervullen. In zijn jurisprudentie over de vrijheid om negatieve
waarde oordelen te uiten bij kritiek op iemands publiek functioneren ging
het ook steeds om politici of personen in regeringsfuncties (zie het klassieke
arrest EHRM 8 juli 1986 inzake Lingens, NJ 1987, m.nt. EAA, daarna
constante jurisprudentie, zoals Oberslick I, EHRM 23 mei 1991, NJ
1992, 456 NJ 1992, 456 m.nt. EJD met uitvoerig commentaar) In dit
arrest wordt de lijn aangescherpt. Het Hof wijkt daarin af van de omschrijving
van public figure in de resolutie 1165 (1998) van de Raad van Europa.
Daar wordt in overweging 7 deze gedefinieerd als een persoon “holding public
office and/or using public resources and, broadly speaking, all those who
play a role in public life, whether in politics, the economy, the arts, the
social sphere, sport or any other domain.” In het Krone arrest van 26 februari
2002 (applicatie 3415/96) hanteerde het Hof een ruimere omschrijving dan
in het onderhavige arrest, namelijk dat het criterium zou zijn of een persoon
“de publieke arena heeft betreden”. Ik citeer uit overweging 37 van dat arrest:
“This is the case of a politician on account of his public functions, a person
participating in a public debat, an association which is active in a field
of public concern, on which it enters into public discussions, or a person
who is suspected of having committed offences of a political nature which
attract the attention of the public.” Bedacht moet worden dat het Hof in
deze overweging in de Krone zaak de twee criteria public figure
en het hierna te bespreken openbare debat door elkaar behandelt.
Als het gaat om de persoon ligt de nadruk ook in het Krone arrest reeds op
de politicus. De omschrijving van wat een public figure is dus veel
beperkter dan de Duitse tijdsgeschiedenis leer (62-64).
9.
Openbaar debat . Het Hof heeft in eerdere beslissingen de grenzen van
het publieke debat ruimer getrokken dan het politieke debat (zie onder meer
de zaken Tammer, EHRM 6 februari 2001, NJ 2002, 158, m.nt. EJD,
overweging 62; Fressoz, EHRM 21 januari 1999, NJ 1999,713 m.nt.
EJD, overweging 50; ik verwijs ook naar het overzicht van de jurisprudentie
in het artikel van A.E. Nieuwenhuis “Het EHRM en het belang van het publiek”,
in: W. Hins & A.E. Nieuwenhuis (red.) Van zender naar ontvanger,
Amsterdam: Otto Cramwinckel 2003, p.257-272, i.h.b. p. 260). In het
algemeen is de omschrijving “matters of general interest.” Het begrip “openbaar
debat” is dus ruimer dan het begrip “public figure”. Naar mijn mening betekent
dit dat het privé leven van een persoon die niet is een public figure
in de hiervoor omschreven beperkte betekenis onderwerp van discussie kan
zijn als het een direct en onmiddellijk verband heeft met het openbaar debat.
Dat was bijvoorbeeld het geval in de zaak Fressoz, waar het ging om de hoogte
van het salaris van de directeur van Peugeot in een debat over de inkomenspositie
van de werknemers van Peugeot. Geheel duidelijk is het huidige arrest over
dit punt overigens niet, omdat het de mogelijkheid om te publiceren over
het privé leven relateert aan public figures (64). Het Hof
citeert hier de zaak Plon ( EHRM 18 mei 2004) die handelde over de publicatie
van de arts van Mitterand, na diens dood, over de gezondheidstoestand van
de president tijdens zijn leven. Je kunt echter zeggen dat het in de zaak
Fressoz ook ging om een semi publieke functie en het privé gegeven
in sterke mate was gerelateerd aan die functie. Ook in de zaak Plon bestond
dat verband. In gelijke zin A.E. Nieuwenhuis a.w. p. 265-268.
10.
Privé sfeer. Het Hof trekt de grens van het privé leven
ruimer dan de Duitse rechters, omdat het mede de openbare ruimte omvat. In
de Duitse benadering was de absolute gestalte van de tijdsgeschiedenis buiten
zijn of haar woning in de openbare ruimte bijna vogelvrij voor paparazzi.
Het Hof vult niet in wat de privacy expectancy in de openbare ruimte is,
maar geeft wel aan (in navolging van zijn jurisprudentie over afluisteren,
zie onder meer EHRM 25 september 2001, zaak P.G. en J.H., NJ 2003,
nr. 670, m.nt. EJD) dat de uit het geschreven of ongeschreven recht voortvloeiende
norm precies moet zijn (72-75). De invulling van de Duitse rechters aan de
norm van artikel 23 van de Duitse Auteurswet voldoet niet aan dit strenge
criterium.
11.
Inbreuk privé sfeer . Het Hof acht een foto een grotere inbreuk
op de privé sfeer dan berichtgeving zonder beeld. In deze zaak en
in de zaken die het citeert, en die onder 12 worden besproken, wordt de schending
van het portretrecht als afzonderlijke en privacy schending verhogende factor
genoemd. In dat verband acht het ook hinderlijk volgen door paparazzi en
de grote verspreiding van de foto een privacy inbreuk verhogend element,
zeker als het registreren van het beeld met behulp van moderne communicatietechnologie
een systematisch karakter heeft (68-71). 12.
Europese context. Het arrest van het Hof komt niet helemaal uit de lucht
vallen. Het Hof citeert (67) uit de resolutie van de Raad van Europa van
26 juni 1998 de paragraaf 8 die veroordeelt “a one-sided interpretation of
the right of freedom of expression, that the media invade people's privacy,
claiming that their readers are entitled to know everything about public
figures.” Ook overweging 64 is letterlijk gebaseerd op de resolutie, namelijk
paragraaf 9: “Certain facts relating to the private lives of public figures,
particularly politicians, may indeed be of interest to citizens, and it may
therefore be legitimate for readers, who are also voters, to be informed
of those facts.” Deze resolutie wordt ook wel de Prinses Diana resolutie
genoemd, omdat zij een rechtstreeks gevolg is van de dood van de Prinses
tijdens de achtervolging eind augustus 1997 door paparazzi in een autotunnel
langs de Seine. De eerste overweging van de Resolutie memoreert dat: “The
Assembly recalls the current affairs debate it held on the right to privacy
during its September 1997 session, a few weeks after the accident which cost
the Princess of Wales her life.” Het Hof citeert verder zijn hierboven reeds
besproken arrest in zake Krone (EHRM 26 februari 2002, application 34315/96)
en twee beslissingen waarin klachten van Société Prima Presse
(1 juli 2003, apllication 66910/01 en 712612/01) niet ontvankelijk werden
verklaard. In de eerste zaak ging het over een artikel in het blad Voici
waartegen Johnny Halliday al jaren ten strijde trok. Ditmaal werd het blad
veroordeeld wegens privacyschending omdat het in een artikel had gesuggereerd
dat het niet meer boterde met zijn echtgenote Laetitia. De klacht van Prima
Presse werd niet ontvankelijk geacht, omdat het artikel als enige doel had
de nieuwsgierigheid van het publiek naar het privé leven van Johnny
en Laetitia te bevredigen en op geen enkele manier bijdroeg aan welk debat
dan ook. Een identieke beslissing nam het Hof in de andere zaak waar het
ging om een publicatie over een vakantie van Mademoiselle V.D. 13.
Conclusie. Prinses Diana in het Verenigd Koninkrijk, Prinses Caroline
in Duitsland en Johnny Halliday in Frankrijk: zij staan kennelijk voor een
trend in Europa waarin een herijking van de privacy van personen die publiciteit
genereren plaatsvindt. Ook in Nederland valt die trend te bespeuren (zie
bijvoorbeeld L.R.Harinxma thoe Slooten “De criticus bekritiseerd: een waakhond
voor de media?” NJB 2004, p. 1200-1206 en de NJB special
uit 2003, Aflevering 38 Mediamacht en Recht ). De (roddel)pers heeft
met deze zaak een behoorlijk blauw oog opgelopen. Hinderlijk volgen met camera's
met telelensen in de openbare ruimte van personen die publieke aandacht trekken,
zal in het algemeen een schending van privacy opleveren, met name als het
gaat om alledaagse situaties waarin zij als ieder ander op privacy mogen
rekenen. Ook het hergebruik van herkenbare portretfoto's in een andere context
zal in het algemeen het risico van een privacyschending opleveren. De gevolgen voor het Duitse
Recht 14. De kernoverweging bevindt zich in paragraaf
72: “In any event the Court considers that, in these conditions, the Act
has to be interpreted narrowly to ensure that the State complies with its
positive obligation under the Convention to protect private life and the
right to control the use of one's image.” Artikel 23 van de Duitse Auteurswet
zal voortaan “artikel 8 EVRM conform” moeten worden geïnterpreteerd.
Aangezien artikel 8 EVRM ziet op horizontale verhoudingen en artikel 23 daaraan
door middel van een wetsbepaling een uitwerking geeft, krijgt de Duitse Staat
te horen dat het niet op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan deze
positieve verplichting. Het Hof verduidelijkt dat in de overwegingen 72 en
73. Het betekent naar mijn oordeel een inperking van het begrip absolute
en relatieve gestalte der tijdsgeschiedenis en een verruiming van het begrip
'privacy' tot de openbare ruimte. 15. Ik wees al in de inleiding op de commotie
die de uitspraak onder de pers in Duitsland (die ook in Straatsburg heeft
geïntervenieerd) heeft veroorzaakt. Uiteindelijk is er geen intern appèl
ingesteld. Het BVerfGE deelde in zijn persbericht mee dat het instellen van
appèl en het niet instellen van appèl beide verdedigbaar waren
en dat het tot de politieke verantwoordelijkheid van de Bondsregering behoorde
daarover een beslissing te nemen. Argumenten voor het niet instellen van
appèl achtte het Hof dat de berichtgeving over personen in officiële
functies en zaken die onderdeel vormen van het openbaar debat door de uitspraak
niet wordt aangetast. Het recht op openbaarheid strekt zich niet uit de kleinste
en private verrichtingen van prominenten in de openbaarheid. De Duitse mediajurist
Christian Schertz (Vrije Universiteit Berlijn) geeft in een interview in
Die Zeit (2 september 2004) een interessante visie op de zaak. Ook
hij meent dat de uitspraak de persvrijheid niet aantast, ook niet van de
roddelpers. De meeste foto's in de roddelpers zijn foto's van het rode tapijt
(openingen en partijen) of home stories in welke gevallen de show business
sterren zelf de deur geopend hebben of graag instemmen met een fotorapportage.
In heel veel andere gevallen wordt publiciteit gezocht: een deel van het
sterrenberoep bestaat immers uit de verkoop van de eigen persoon. Sterren
hebben er in dat verband een commercieel privacy belang bij het gebruik van
hun beeltenis te kunnen controleren. De gevolgen voor het Nederlandse
recht 16. In Nederland is de norm waaraan de geoorloofdheid
van de publicatie van een portret wordt gemeten te vinden in artikel 21 Auteurswet.
Anders dan in het Duitse recht dat een specifieke afweging verlangt tussen
het recht op het eigen beeld en de persvrijheid, bevat het een open norm:
de geportretteerde kan zich tegen publicatie verzetten als hij daarbij “een
redelijk belang heeft”. In de rechtspraak heeft dit zich ontwikkeld tot een
afweging tussen de persvrijheid en een privacy belang. Richtinggevend is
ten deze het Ferdy E. arrest (HR 21 januari 1994 NJ 1994, 473 m.nt.
DWFV). De HR heeft meer in het algemeen (dus niet toegespitst op het portret)
die afweging aanvaard en daarbij in het bijzonder het belang van het openbaar
debat afgewogen tegen het privacyrecht (HR 24 juni 1983, NJ 1984,
801, m.nt. MS in zake Gemeenteraadslid, HR 6 januari 1995, NJ 1996,
578 m.nt. EJD in zake Parool/Herrenberg en HR 2 mei 2003 NJ 2004,
80, m.nt. EJD inzake Storms). Over de kwestie van de “public figure” is de
jurisprudentie van de HR minder duidelijk. Naar mijn mening is het begrip
wel in de feitelijke rechtspraktijk doorgedrongen, maar heeft de HR het als
zodanig nooit aanvaard, maar wel bekendheid van de persoon als een afwegingsfactor
erkend (onder meer in het Ferdi E arrest en het hierna te noemen Kinderen
de Bourbon Parma arrest). De zwaarte van de inbreuk gelegen in het hinderlijk
volgen werd uitdrukkelijk erkend in het Kinderen de Bourbon Parma arrest
(HR 4 maart 1988, NJ 1989, 367, m.nt.CJHB). Herpublicatie van een
portret in een andere context kan blijkens het Vondelparkarrest een privacyschending
zijn (HR 1 juli 1988, NJ 1988, 1000, m.nt LWH). Een uitsluitend
commercieel belang is een voldoende belang om zich tegen publicatie te verzetten.
Dit is dus het recht het gebruik van de eigen beeltenis te controleren dat
enige malen in het arrest van het Hof wordt genoemd (HR 2 mei 1997 inzake
Discodanser, NJ 1997, 661, m.nt. DWFV). Ook het recht op privacy
is door de HR ruim geformuleerd: het omvat mede de openbare ruimte (HR 9
januari 1987 in zake De bespiede Bijstandsmoeder, NJ 1987, 982,
m.nt. 982). 17. Als geheel lijkt het juridisch kader zoals
dat in de jurisprudentie is opgetrokken door deze uitspraak weinig averij
op te lopen. Toch denk ik dat dit arrest voor de feitelijke rechtspraktijk
een aantal belangrijke gevolgen heeft, omdat dat kader door deze uitspraak
aanmerkelijk is gepreciseerd. Zo zal een dikwijls gevoerd verweer dat een
publicatie betrekking heeft op een public figure, omdat de betrokken persoon
(enige) naamsbekendheid heeft in de publiciteit niet dikwijls meer gehonoreerd
kunnen worden. Het feit dat een zonder toestemming (in een andere context)
gepubliceerd portret een extra privacy schending vormt, zal beter in de afweging
betrokken moeten worden. De eis dat het moet gaan om een publiek debat zal
harder gesteld moeten worden, hetgeen tot een duidelijker afbakening van
de privé sfeer zal moeten leiden. In veel gevallen zullen daardoor
suggestieve verhalen over het privé leven van iemand met naamsbekendheid,
voorzien van een foto die bij een andere gelegenheid of in de openbare ruimte
is genomen een schending van privacy zijn, omdat enige relatie met een openbaar
debat ontbreekt. En tenslotte zullen rechters beter moeten gaan nadenken
over schadevergoedingen die zij bij privacy schendingen toekennen. De Nederlandse
rechtspraktijk loopt wat dit betreft achter op Duitsland en Frankrijk waar
bij brutale privacy schendingen forse schadevergoedingen worden toegekend. 18. Voor de redactionele praktijk van de pers
in het algemeen en de roddelpers in het bijzonder heeft het arrest daardoor
grote gevolgen. Dat wil niet zeggen dat zij niet meer over prominenten in
het openbare leven en de wereld van de entertainment zullen kunnen berichten.
Dezen hebben immers zelf ook een commercieel belang bij publicatie over hun
persoon. Je zou kunnen zeggen dat de transactieverhoudingen tussen de pers
en de prominenten zijn aangescherpt. De prominenten hebben in hun permanente
onderhandelingsrelatie met de pers met dit arrest een wapen in handen om
te zeggen: Tot hier en niet verder. Met dank aan Prinses Diana, Johnny Halliday
en Caroline van Hannover.
EJD
Noten
[1]
De zaak is ook geannoteerd door G.A.I. Schuijt
in Mediaforum 2004 7/8, nr. 27 en ECHR 2004/79 door J.H. Gerards.
|