|
1. De zaak gaat over religieuze reclame in Ierland
(Dublin). Begin 1995 wilde de Irish Faith Centre een reclameboodschap uitzenden
op een locale commerciële radiozender, maar daar stak de Independent
Radio and Television Commission (IRCT) een stokje voor, omdat de toen geldende
Radio and Television Act 1988 dat verbood. Het ging om een oproep om de kerkdiensten
van het Faith Centre bij te wonen. De tekst van de oproep luidde: “Wat denkt
jij van Christus? Zie je hem net als Petrus alleen als de zoon van God? Heb
je je ooit blootgesteld aan de historische waarheid over Christus? Het Ierse
Geloofscentrum vertoont met Pasen een video van een uur waarin Dr. Jean Scott
spreekt over het bewijsmateriaal van de wederopstanding. Van maandag 10 tot
zaterdag 15 april iedere avond om half negen, paaszondag om half twaalf s'ochtends
en ook live om half acht op de satelliet.” Een onschuldige boodschap, maar
in de jaren negentig (er werd in Ierland drie jaar in twee instanties over
het verbod geprocedeerd), vonden de Ierse rechters dat een dergelijk verbod
in het religieus verdeelde Noord Ierland rechtsgeldig was. Het verbod luidde;
“No advertisement shall be broadcasted which is directed towards any religious
or political end or has any relation to an industrial dispute.” Na de beslissing
van het Ierse Supreme Court in 1998 werd er een wijziging van de Ierse Mediawet
voorgesteld, waarin dit absolute verbod werd gerelativeerd. De toenmalige
minister zei in de toelichting: “It can be argued that the blanket ban contained
in these provisions is too blunt an instrument to be used in this day and
age for what is now a largely well educated society with a sophisticated
understanding of the way media, including the very powerful radio and television
media, work.” De wet die in 2001 werd aangenomen (Broadcasting Act 2001)
verzachtte het verbod. De regel werd nu dat religieuze reclame is toegestaan
wanneer zij zich beperkt tot de aankondiging van een ceremonie of dienst
“if the contents of the notice do not address the issue of the merits or
otherwise of adhering to any religious faith or belief or of becoming a member
of any religion or religious organisation.” Volgens die nieuwe regel zou
de advertentie hoogst waarschijnlijk wel zijn toegelaten, hoewel de passages
over Petrus en het bewijsmateriaal van de wederopstanding natuurlijk verdacht
blijven, omdat zij impliciet de 'merits' aan de orde stellen. Een later regeringsvoorstel
om ook deze verzachte versie af te schaffen werd na een uitgebreide consultatie
in januari 2004 ingetrokken. Dat was dus een half jaar na de uitspraak in
deze zaak, die kennelijk toch enige druk op de regering had gelegd. 2. Religieuze reclame is een bijzondere variant
van politieke reclame. Zij moet beoordeeld worden naar de regels die voor
een religieuze uiting gelden. Normen van misleiding en waarheid zijn daarop
nog minder van toepassing dan op politieke reclame. Geloof is een overtuigingskwestie
die niet naar objectieve maatstaven is te meten. Of, zoals de Ierse minister
het treffend onder woorden bracht bij de hierboven genoemde wetswijziging:
“How does one determine if an advertisement towards a religious end is truthful?
No product or service is being sold. While religious advertisers may hold
beliefs with the utmost conviction, the claims made in such advertisements
are matters of belief and are not measurable by any objective standard.”
Deze wijsheid miskende de Reclame Code Commissie (15 april 2002, zaak 01.0604)
in een zaak waarin een klacht wegens misleiding was ingediend tegen de Kempische
Volle Evangelie Gemeente Rehoboth. Het ging om gebedsgenezingbijeenkomsten
en de klacht was dat ten onrechte genezingen werden geclaimd. De Codecommissie
achtte de advertenties misleidend. Het College van Beroep (9 juli 2002, 1204/01.0604)
vernietigde de beslissing omdat het gebruik van de term 'wonderen' in de
advertentie een kenbare religieuze betekenis had. Van misleiding kon dus
geen sprake zijn. 3.
Het Hof
gaat omzichtig om met religieuze tegenstellingen, zo leert ook deze zaak.
Eerder achtte het Hof het verbod van de vertoning van een film in het katholieke
Tirol geoorloofd, mede op grond van religieuze gevoeligheden (de zaak Otto
Preminger EHRM 20 september 1994, NJ 1995, 366, m.nt. EJD). Het laat
de Ierse autoriteiten een ruime marge van vrije beoordeling. Het Hof formuleert
het vertrekpunt van zijn redenering in overweging 72. Het erkent dat de vrijheid
van het openbare debat betekent dat men kan worden blootgesteld aan een religieuze
overtuiging van een ander. Het kan echter zo zijn dat een dergelijke blootstelling
'offensive' is. Het kan dan gerechtvaardigd zijn een bepaald type uiting
(een advertentie) in een bepaald type medium (omroep) te verbieden. In het
vervolg van de redenering herhaalt het Hof enige malen dat met name religieuze
reclame (in tegenstelling tot religieuze programmering) in het verdeelde
Ierland zeer gevoelig ligt. Het verschil tussen het kopen van zendtijd en
het maken van religieuze programmering verwoordt het Hof in overweging 74
slot: “Advertising, however, tends to have a distinctly partial objective:
it cannot be, and is not, therefore subject to the above-outlined principle
of impartiality and the fact that advertising time is purchased would lean
in favour of unbalanced usage by religious groups with larger resources for
advertising. Consequently, other than advertisements in broadcast media,
the religious expression was not otherwise restricted.” 4.
Het
hiervoor in punt 3 omschreven uitgangspunt werkt het Hof uit in aantal stappen
waarvan ik de belangrijkste noem. Het is niet doenlijk om een onderscheid
te maken tussen de ene religie die wel zou mogen adverteren en de andere
die dat niet zou mogen, omdat dat de regering in een positie zou plaatsten
dat ze reclameboodschappen inhoudelijk zou moeten filteren. Dat probleem
doet zich bij de redactionele vrijheid om een bepaald programma te maken
niet voor. Ten tweede zou het toelaten van religieuze reclame een dominante
en 'rijke' religie kunnen bevoordelen. Het Hof spreekt in dit verband van
een 'level playing field' voor alle godsdiensten. Ten derde blijkt uit de
wetswijziging waarin het verbod werd verzacht dat de regering de noodzaak
van de beperking toetst aan de zich evoluerende nationale situatie. Tenslotte
doet het Hof aan rechtsvergelijking. Het constateert dat sommige landen soortgelijke
beperkingen als Ierland kennen, andere (zoals Nederland) niet. In dat verband
verwijst het ook naar de Televisierichtlijn zonder grenzen. Ik neem aan dat
het Hof doelt op artikel 12 dat onder meer verbiedt reclame te maken die
godsdienstige of politieke overtuigingen kwetst. De slotsom van deze redenering
is dat er een grote margin of appreciation moet zijn omdat er geen 'uniform
conception of the requirements of the protection of the rights of others'
is. 5. Nieuwenhuis (zijn noot in Mediaforum 2003-10,
p. 335) is kritisch over dit arrest. Ik ben dat minder. Met de groei van
de Islam in de West Europese landen zien we de gevoeligheden tussen religieuze
overtuigingen toenemen, met name als het gaat om openbare uitingen van het
geloof (vgl. mijn bijdrage aan de Jan de Meijbundel Van Ontvanger naar
zender, 'Tolerantie, de vrijheid van meningsuiting en de Islam', 89-109,
Amsterdam: Otto Cramwinckel 2003). De irritatiefactor van overtuigingsreclame
(religieus of politiek) is vrij groot, zeker in de omroep (in de krant of
Internet is dat een ander verhaal). Dat vraagt om een verkeersregeling tussen
de verschillende uitingen. Het onderscheid tussen de eenzijdige reclameboodschap
die irriteert, maar niet voor discussie vatbaar is, en de redactionele uiting
die schokt, maar onderdeel is van het openbare debat, lijkt mij een hanteerbare
maatstaf. Hierin schuilt ook het verschil tussen deze zaak en de hier tevens
afgedrukte zaak Gündüz. Ook het level playing field argument spreekt
mij aan. Dat speelt ook bij politieke reclame en bekostiging van politieke
partijen. Het EHRM heeft zich in het kader van de verkiezingsstrijd hierover
uitgelaten en ze ook met een level playing field redenering een geoorloofde
beperking van de vrijheid van meningsuiting geacht (de zaak Bowman, EHRM
19 februari 1998, NJ 2000, 338 m.nt. EJD; zie mijn noot bij dit arrest
onder 5 en 6). Ik beoordeel deze zaak daarom anders dan het Otto Premingerarrest,
dat ik in de context van een vertoning in een filmhuis onbegrijpelijk vond.
Het Hof had daar een scherpere afweging moeten maken van de regel dat het
soms nodig is een bepaalde uiting in een bepaald medium te verbieden. In
een filmhuis was dat niet nodig geweest (zie mijn noot bij dat arrest).
|