Annotatie bij EHRM 10 juli 2003 (Murphy)
Verschenen in NJ 2005, 177.

E.J. Dommering


1. De zaak gaat over religieuze reclame in Ierland (Dublin). Begin 1995 wilde de Irish Faith Centre een reclameboodschap uitzenden op een locale commerciële radiozender, maar daar stak de Independent Radio and Television Commission (IRCT) een stokje voor, omdat de toen geldende Radio and Television Act 1988 dat verbood. Het ging om een oproep om de kerkdiensten van het Faith Centre bij te wonen. De tekst van de oproep luidde: “Wat denkt jij van Christus? Zie je hem net als Petrus alleen als de zoon van God? Heb je je ooit blootgesteld aan de historische waarheid over Christus? Het Ierse Geloofscentrum vertoont met Pasen een video van een uur waarin Dr. Jean Scott spreekt over het bewijsmateriaal van de wederopstanding. Van maandag 10 tot zaterdag 15 april iedere avond om half negen, paaszondag om half twaalf s'ochtends en ook live om half acht op de satelliet.” Een onschuldige boodschap, maar in de jaren negentig (er werd in Ierland drie jaar in twee instanties over het verbod geprocedeerd), vonden de Ierse rechters dat een dergelijk verbod in het religieus verdeelde Noord Ierland rechtsgeldig was. Het verbod luidde; “No advertisement shall be broadcasted which is directed towards any religious or political end or has any relation to an industrial dispute.” Na de beslissing van het Ierse Supreme Court in 1998 werd er een wijziging van de Ierse Mediawet voorgesteld, waarin dit absolute verbod werd gerelativeerd. De toenmalige minister zei in de toelichting: “It can be argued that the blanket ban contained in these provisions is too blunt an instrument to be used in this day and age for what is now a largely well educated society with a sophisticated understanding of the way media, including the very powerful radio and television media, work.” De wet die in 2001 werd aangenomen (Broadcasting Act 2001) verzachtte het verbod. De regel werd nu dat religieuze reclame is toegestaan wanneer zij zich beperkt tot de aankondiging van een ceremonie of dienst “if the contents of the notice do not address the issue of the merits or otherwise of adhering to any religious faith or belief or of becoming a member of any religion or religious organisation.” Volgens die nieuwe regel zou de advertentie hoogst waarschijnlijk wel zijn toegelaten, hoewel de passages over Petrus en het bewijsmateriaal van de wederopstanding natuurlijk verdacht blijven, omdat zij impliciet de 'merits' aan de orde stellen. Een later regeringsvoorstel om ook deze verzachte versie af te schaffen werd na een uitgebreide consultatie in januari 2004 ingetrokken. Dat was dus een half jaar na de uitspraak in deze zaak, die kennelijk toch enige druk op de regering had gelegd.

2. Religieuze reclame is een bijzondere variant van politieke reclame. Zij moet beoordeeld worden naar de regels die voor een religieuze uiting gelden. Normen van misleiding en waarheid zijn daarop nog minder van toepassing dan op politieke reclame. Geloof is een overtuigingskwestie die niet naar objectieve maatstaven is te meten. Of, zoals de Ierse minister het treffend onder woorden bracht bij de hierboven genoemde wetswijziging: “How does one determine if an advertisement towards a religious end is truthful? No product or service is being sold. While religious advertisers may hold beliefs with the utmost conviction, the claims made in such advertisements are matters of belief and are not measurable by any objective standard.” Deze wijsheid miskende de Reclame Code Commissie (15 april 2002, zaak 01.0604) in een zaak waarin een klacht wegens misleiding was ingediend tegen de Kempische Volle Evangelie Gemeente Rehoboth. Het ging om gebedsgenezingbijeenkomsten en de klacht was dat ten onrechte genezingen werden geclaimd. De Codecommissie achtte de advertenties misleidend. Het College van Beroep (9 juli 2002, 1204/01.0604) vernietigde de beslissing omdat het gebruik van de term 'wonderen' in de advertentie een kenbare religieuze betekenis had. Van misleiding kon dus geen sprake zijn.

3. Het Hof gaat omzichtig om met religieuze tegenstellingen, zo leert ook deze zaak. Eerder achtte het Hof het verbod van de vertoning van een film in het katholieke Tirol geoorloofd, mede op grond van religieuze gevoeligheden (de zaak Otto Preminger EHRM 20 september 1994, NJ 1995, 366, m.nt. EJD). Het laat de Ierse autoriteiten een ruime marge van vrije beoordeling. Het Hof formuleert het vertrekpunt van zijn redenering in overweging 72. Het erkent dat de vrijheid van het openbare debat betekent dat men kan worden blootgesteld aan een religieuze overtuiging van een ander. Het kan echter zo zijn dat een dergelijke blootstelling 'offensive' is. Het kan dan gerechtvaardigd zijn een bepaald type uiting (een advertentie) in een bepaald type medium (omroep) te verbieden. In het vervolg van de redenering herhaalt het Hof enige malen dat met name religieuze reclame (in tegenstelling tot religieuze programmering) in het verdeelde Ierland zeer gevoelig ligt. Het verschil tussen het kopen van zendtijd en het maken van religieuze programmering verwoordt het Hof in overweging 74 slot: “Advertising, however, tends to have a distinctly partial objective: it cannot be, and is not, therefore subject to the above-outlined principle of impartiality and the fact that advertising time is purchased would lean in favour of unbalanced usage by religious groups with larger resources for advertising. Consequently, other than advertisements in broadcast media, the religious expression was not otherwise restricted.”

4. Het hiervoor in punt 3 omschreven uitgangspunt werkt het Hof uit in aantal stappen waarvan ik de belangrijkste noem. Het is niet doenlijk om een onderscheid te maken tussen de ene religie die wel zou mogen adverteren en de andere die dat niet zou mogen, omdat dat de regering in een positie zou plaatsten dat ze reclameboodschappen inhoudelijk zou moeten filteren. Dat probleem doet zich bij de redactionele vrijheid om een bepaald programma te maken niet voor. Ten tweede zou het toelaten van religieuze reclame een dominante en 'rijke' religie kunnen bevoordelen. Het Hof spreekt in dit verband van een 'level playing field' voor alle godsdiensten. Ten derde blijkt uit de wetswijziging waarin het verbod werd verzacht dat de regering de noodzaak van de beperking toetst aan de zich evoluerende nationale situatie. Tenslotte doet het Hof aan rechtsvergelijking. Het constateert dat sommige landen soortgelijke beperkingen als Ierland kennen, andere (zoals Nederland) niet. In dat verband verwijst het ook naar de Televisierichtlijn zonder grenzen. Ik neem aan dat het Hof doelt op artikel 12 dat onder meer verbiedt reclame te maken die godsdienstige of politieke overtuigingen kwetst. De slotsom van deze redenering is dat er een grote margin of appreciation moet zijn omdat er geen 'uniform conception of the requirements of the protection of the rights of others' is.

5. Nieuwenhuis (zijn noot in Mediaforum 2003-10, p. 335) is kritisch over dit arrest. Ik ben dat minder. Met de groei van de Islam in de West Europese landen zien we de gevoeligheden tussen religieuze overtuigingen toenemen, met name als het gaat om openbare uitingen van het geloof (vgl. mijn bijdrage aan de Jan de Meijbundel Van Ontvanger naar zender, 'Tolerantie, de vrijheid van meningsuiting en de Islam', 89-109, Amsterdam: Otto Cramwinckel 2003). De irritatiefactor van overtuigingsreclame (religieus of politiek) is vrij groot, zeker in de omroep (in de krant of Internet is dat een ander verhaal). Dat vraagt om een verkeersregeling tussen de verschillende uitingen. Het onderscheid tussen de eenzijdige reclameboodschap die irriteert, maar niet voor discussie vatbaar is, en de redactionele uiting die schokt, maar onderdeel is van het openbare debat, lijkt mij een hanteerbare maatstaf. Hierin schuilt ook het verschil tussen deze zaak en de hier tevens afgedrukte zaak Gündüz. Ook het level playing field argument spreekt mij aan. Dat speelt ook bij politieke reclame en bekostiging van politieke partijen. Het EHRM heeft zich in het kader van de verkiezingsstrijd hierover uitgelaten en ze ook met een level playing field redenering een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting geacht (de zaak Bowman, EHRM 19 februari 1998, NJ 2000, 338 m.nt. EJD; zie mijn noot bij dit arrest onder 5 en 6). Ik beoordeel deze zaak daarom anders dan het Otto Premingerarrest, dat ik in de context van een vertoning in een filmhuis onbegrijpelijk vond. Het Hof had daar een scherpere afweging moeten maken van de regel dat het soms nodig is een bepaalde uiting in een bepaald medium te verbieden. In een filmhuis was dat niet nodig geweest (zie mijn noot bij dat arrest).

 


Geplaatst 10.05.2005