Rechtsherstel na schending door de Nederlandse Staat van het EVRM
Verschenen in Advocatenblad 2007-15, 26 oktober 2007, p. 661.

E.J. Dommering


In het Advocatenblad van 7 september 2007 wordt op pagina 497 verslag gedaan van het vervolg op de zaak Veraart bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof verklaarde in zijn uitspraak van 30 november 2006 [1] de klacht die confrère Veraart had ingediend, naar aanleiding van de hem door het Hof van Discipline opgelegde berisping, gegrond. Het Hof achtte een schending van artikel 10 EVRM aanwezig, omdat het HvD onder meer niet had onderzocht of Veraart voor zijn negatieve uitlatingen in een radioprogramma over de Noord Hollandse regressietherapeut ('een magiër die beter kool kon gaan verbouwen') voldoende feitelijke grondslag had gehad. Het Noordhollands Dagblad en de Telegraaf schreven na de uitspraak dat het EHRM had beslist dat Veraart de therapeut een gevaarlijke magiër had mogen noemen. De therapeut diende een klacht in bij de Raad van de Journalistiek, die vervolgens in augustus van dit jaar besliste dat de kranten dat niet hadden mogen schrijven omdat het EHRM niet inhoudelijk over de zaak had beslist.

Kennisneming van de uitspraak van de Raad [2] leert dat de Raad in deze beslissing zeer kort door de bocht is gegaan. Het EHRM heeft immers uitgemaakt dat het HvD de openbare uiting van de advocaat volgens een fundamenteel verkeerde maatstaf had beoordeeld (letterlijk zegt het zelfs: een essentieel aspect over het hoofd heeft gezien). Het had moeten kijken of Veraart wel voldoende argumenten voor zijn waarde-oordelen had, zonder dat hij die nu volledig behoefde te bewijzen. Op grond van de voor mij kenbare feiten is het inderdaad niet onwaarschijnlijk dat hij die argumenten had. [3]

In het stuk wordt ook de griffier van het Hof van Discipline, mevrouw I.F. Schouwink, aan het woord gelaten. Haar uitlatingen komen er op neer dat er na de uitspraak van het EHRM geen taak meer voor het Hof is. Ook dat is een wat snelle conclusie. Wanneer het EHRM een verdragschending constateert, is de veroordeelde Staat op grond van het Verdrag gehouden om die schending op te heffen. Bij onherroepelijke rechterlijke uitspraken is daarvoor in Nederland geen algemene procedure van herziening voorzien. [4] In het strafrecht is dat inmiddels wel het geval (artikel 457 Sv lid 1 onder 3e). In het bestuursrecht en het civiele recht ligt het allemaal wat ingewikkelder. [5] In de procedure van de Advocatentuchtrechter bestaat geen expliciete voorziening, maar kennelijk (aldus de geciteerde griffier) erkent het Hof in zijn rechtspraak een herziening wegens schending van fundamentele rechtsbeginselen. Nu het tuchtrecht nog het meeste lijkt op het strafrecht lijkt mij een aansluiting bij artikel 457 Sv. heel wel verdedigbaar. Een nieuw onderzoek, volgens de juiste maatstaf of de sanctie terecht is opgelegd, is de meest adequate genoegdoening om de verdragsschending op te heffen. Een bagatelliserende opmerking 'Het hof trekt natuurlijk wel lering uit de uitspraak' van de griffier van het HvD, dat voor de tweede keer door Straatsburg in een soortgelijke zaak op de vingers is getikt, zie ik niet als een bijdrage aan een dergelijke genoegdoening. [6]


Noten

[1] Geannoteerd door ondergetekende in NJ 2007, 368.
[2] http://www.rvdj.nl/2007/51.
[3] Ik verwijs verder naar mijn in noot 1 geciteerde annotatie onder 2, 4 en 5.
[4] Zie Tom Barkhuysen & Michiel van Emmerik, 'Rechtsherstel bij schending van het EHRM in Nederland en Straatsburg', in: NJCM-Bulletin, jrg. 31 (2006), nr. 1, p. 39-64. Zij verwijzen naar de dissertatie van P.H.P.H.M.C. van Kempen, Heropening van procedures na veroordelingen door het EHRM, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003.
[5] Zie daarvoor het in noot 4 geciteerde artikel.
[6] De vorige zaak was de zaak Steur, EHRM 28 oktober 2003 NJ 2004, 555.


Geplaatst 02.11.2007