|
In
het Advocatenblad van 7 september 2007 wordt op
pagina 497 verslag gedaan van het vervolg op de zaak
Veraart bij het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens. Het Hof verklaarde in zijn uitspraak van 30
november 2006 [1]
de klacht die confrère Veraart had ingediend, naar
aanleiding van de hem door het Hof van Discipline
opgelegde berisping, gegrond. Het Hof achtte een
schending van artikel 10 EVRM aanwezig, omdat het HvD
onder meer niet had onderzocht of Veraart voor zijn
negatieve uitlatingen in een radioprogramma over de
Noord Hollandse regressietherapeut ('een magiër die
beter kool kon gaan verbouwen') voldoende feitelijke
grondslag had gehad. Het Noordhollands Dagblad en
de Telegraaf schreven na de uitspraak dat het
EHRM had beslist dat Veraart de therapeut een
gevaarlijke magiër had mogen noemen. De therapeut
diende een klacht in bij de Raad van de Journalistiek,
die vervolgens in augustus van dit jaar besliste dat de
kranten dat niet hadden mogen schrijven omdat het EHRM
niet inhoudelijk over de zaak had beslist.
Kennisneming
van de uitspraak van de Raad [2]
leert dat de Raad in deze beslissing zeer kort door de
bocht is gegaan. Het EHRM heeft immers uitgemaakt dat
het HvD de openbare uiting van de advocaat volgens een
fundamenteel verkeerde maatstaf had beoordeeld
(letterlijk zegt het zelfs: een essentieel aspect over
het hoofd heeft gezien). Het had moeten kijken of
Veraart wel voldoende argumenten voor zijn
waarde-oordelen had, zonder dat hij die nu volledig
behoefde te bewijzen. Op grond van de voor mij kenbare
feiten is het inderdaad niet onwaarschijnlijk dat hij
die argumenten had. [3]
In
het stuk wordt ook de griffier van het Hof van
Discipline, mevrouw I.F. Schouwink, aan het woord
gelaten. Haar uitlatingen komen er op neer dat er na de
uitspraak van het EHRM geen taak meer voor het Hof is.
Ook dat is een wat snelle conclusie. Wanneer het EHRM
een verdragschending constateert, is de veroordeelde
Staat op grond van het Verdrag gehouden om die schending
op te heffen. Bij onherroepelijke rechterlijke
uitspraken is daarvoor in Nederland geen algemene
procedure van herziening voorzien. [4]
In het strafrecht is dat inmiddels wel het geval
(artikel 457 Sv lid 1 onder 3e). In het bestuursrecht en
het civiele recht ligt het allemaal wat ingewikkelder. [5]
In de procedure van de Advocatentuchtrechter bestaat
geen expliciete voorziening, maar kennelijk (aldus de
geciteerde griffier) erkent het Hof in zijn rechtspraak
een herziening wegens schending van fundamentele
rechtsbeginselen. Nu het tuchtrecht nog het meeste lijkt
op het strafrecht lijkt mij een aansluiting bij artikel
457 Sv. heel wel verdedigbaar. Een nieuw onderzoek,
volgens de juiste maatstaf of de sanctie terecht is
opgelegd, is de meest adequate genoegdoening om de
verdragsschending op te heffen. Een bagatelliserende
opmerking 'Het hof trekt natuurlijk wel lering uit de
uitspraak' van de griffier van het HvD, dat voor de
tweede keer door Straatsburg in een soortgelijke zaak op
de vingers is getikt, zie ik niet als een bijdrage aan
een dergelijke genoegdoening. [6]
Noten
[1]
Geannoteerd
door ondergetekende in NJ 2007, 368.
[2] http://www.rvdj.nl/2007/51.
[3] Ik verwijs
verder naar mijn in noot 1 geciteerde annotatie onder 2,
4 en 5.
[4] Zie Tom
Barkhuysen & Michiel van Emmerik, 'Rechtsherstel bij
schending van het EHRM in Nederland en Straatsburg', in:
NJCM-Bulletin, jrg. 31 (2006), nr. 1, p. 39-64.
Zij verwijzen naar de dissertatie van P.H.P.H.M.C. van
Kempen, Heropening van procedures na veroordelingen
door het EHRM, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003.
[5] Zie daarvoor het
in noot 4 geciteerde artikel.
[6] De vorige zaak
was de zaak Steur, EHRM
28 oktober 2003 NJ 2004, 555. |