Het Auteursrecht en de ICT samenleving van de Eenentwintigste eeuw
Verschenen in A&M maart 2001

Door E.J. Dommering [1]


 

Het auteursrecht zal in de 21e eeuw geconfronteerd worden met een digitale technologie die tot gevolg zal hebben dat informatie (tekst, beeld, geluid) niet meer aan een medium gebonden op individuele basis zal worden aangeboden en gebruikt. Het klassieke auteursrecht is daar niet op ingesteld omdat het uit gaat van exploitatiehandelingen die zien op reproductie en openbaarmaking voor een homogeen publiek. Reproductie en origineel zijn in het digitale tijdperk niet van elkaar te onderscheiden. Het publiek is uiteengevallen in eenlingen die allemaal op een ander tijdstip van verschillende informatie kennis nemen. Een korte terreinverkenning.

 

1.  De klassieke exploitatiemodellen van het auteursrecht en de informatietechnologie [2]

Het auteursrecht gaat over een heleboel mooie dingen, maar vooral toch over de vraag hoe aan de productie, verspreiding en opslag van informatie geld valt te verdienen. Dat is ook de centrale vraag rond het Internet geworden, hoewel de gebruikers van het eerste uur de vrije uitwisseling van informatie het hoofdoel van dit communicatiemiddel blijven vinden. Om iets van die vraag te begrijpen wil ik de exploitatievormen beschrijven die door mij als de vier oermodellen voor de exploitatie van informatie worden beschouwd: het model van de drukpers, het model van het theater, het model van de omroep en het model van de telecommunicatie. De eerste twee zijn het oudst. De laatste twee zijn uitvindingen van het eind van de 19e eeuw. De eerste drie zijn modellen die gericht zijn op reproductie en openbaarmaking van informatie en zijn daardoor van meet af aan verweven met het auteursrecht. Het laatste model is ontworpen voor persoonlijk gebruik en is daardoor van oudsher auteursrechtelijk-neutraal geweest.
Het auteursrecht wordt wel het kind van de drukpers genoemd, nog altijd een van de krachtigste informatietechnologieën die wij kennen. Het auteursrecht heeft in het papieren tijdperk een tamelijk stabiel exploitatiemodel ontwikkeld, omdat er per informatiedrager kon worden afgerekend. Bij tijdschriften en kranten is dit bovendien in de buitengewoon lucratieve vorm van de voor uit betaalde abonnementen te gieten waardoor de abonnee toegang kreeg tot pakketten van informatie: packaging is van oudsher een belangrijke vorm van informatie-exploitatie geweest. Daar waar de verkoop van de aantallen beperkt bleef kon door kruissubsidie van de opbrengst van veel verkochte exemplaren binnen een onderneming een haalbare exploitatie worden bereikt doordat de uitgever een pakket van populaire en niet populaire informatie op de markt zette (de discussie over de vaste boekenprijs is daarvan een voorbeeld). Bij de kranten kon de reclame als indirecte financieringsbron worden aangeboord. Bij boeken die zich kenmerken door een individueel gebruik is dat nauwelijks de moeite waard (hoewel reclame over het eigen productassortiment daar voorkomt).
Ouder nog dan het drukpersmodel is het theater, waar een uitvoering voor een publiek plaatsvond dat een kaartje voor de toegang tot de zaal had gekocht. Hoe meer uitvoeringen, hoe meer opbrengsten.

De eerste grote omwenteling voor het auteursrecht vormde de uitvinding van foto en film. Het auteursrecht worstelde vooral met de objectvraag of een werk dat door een machine werd gemaakt wel een auteursrechtelijk werk kon zijn (die vraag keerde terug bij computersoftware). Wat de exploitatievorm betreft bracht deze technologie geen vernieuwing: de foto werd via reproducties van papieren dragers verkocht, de film door het afdraaien van de beeld- (en later ook: geluids) drager in de afzondering van een zaal die de toeschouwer tegen betaling van een plaatsbewijs kon betreden. De foto volgde dus het drukpersmodel, de film het theatermodel. Reclame werd bij de film op productieniveau in de vorm van sponsoring en op distributieniveau in de vorm van bioscoopreclame gerealiseerd.
De uitvinding van de omroep (in het begin niet als zodanig geïdentificeerd, omdat het eerst werd gezien als een vorm van telefonie) bracht de werkelijke omwenteling in de exploitatie. Omroep betekende een totaal nieuw fenomeen in het auteursrecht, dat allerlei vormen van collectieve exploitatie in het auteursrecht introduceerde. Omroep kenmerkte zich door een ongerichte vorm van verspreiding vanuit een centraal punt waardoor het onmogelijk was per informatiedrager of per gebruik (zoals een bioscoopkaartje) af te rekenen. Er ontstonden daardoor collectieve indirecte financieringsvormen. Er kwam een nationale gebruiksheffing (de omroepbijdrage die toegang gaf tot een pakket informatie over een bepaald tijdvak per territoir) en later de reclame. Omroep gefinancierd door de omroepbijdrage behoefde zich niet om een specifiek publiek te bekommeren, ja zelfs hadden de publieke omroeporganisaties de plicht om het algemene publiek binnen het territoir te bedienen: de informatie werd in een totaal pakket aangeboden.
Het telecommunicatiemodel ontstond tegelijkertijd met het omroepmodel en is gebaseerd op het feit dat de gebruikers niet zelf informatie ontvangen, maar informatie via het telecommunicatienet uitwisselen (telefoongesprekken). Zij betalen voor de aansluiting op het net (het telefoonabonnement) en per tijdseenheid (de telefoontikken). Voor zover er voor informatie wordt betaald is dit op basis van individuele transacties tussen de gebruikers. Daarom noem ik het telecommunicatiemodel auteursrechtelijk neutraal.
In deze modellen was de openbare en de privé-sfeer gescheiden: aan de ene kant stond de door het auteursrecht gereguleerde openbare sfeer waarvoor de gebruiker een (indirecte) toegangsprijs betaalde. Aan de andere kant stond de privé-sfeer waarbinnen de eindgebruiker vrij van de informatie gebruik kon maken en deze ook voor eigen gebruiksdoeleinden mocht reproduceren en opslaan.
Aan de openbare kant kwam met name het omroepmodel en in mindere mate de pers onder druk te staan. Reclame zou hier een van de splijtzwammen blijken te zijn. Reclame is gebaseerd op de ruilverhouding die bestaat tussen het publiek dat door een bepaalde soort informatie wordt aangetrokken en de reclameboodschap die voor dat publiek bestemd is. Dit heeft twee effecten: een concentratie van populaire programma’s (‘meer van hetzelfde’) in het midden om een groot publiek aan te trekken voor de grote merkreclame en een differentiatie van doelgroepen vanuit het midden dat met gespecialiseerde informatiepakketten en gespecialiseerde reclameboodschappen wordt bediend. Daardoor ontstonden gespecialiseerde magazines en doelgroepzenders. Zolang daarmee voldoende (binnen de doelgroep) homogene publieksvormen worden bereikt is reclame een belangrijke inkomstenbron naast de betaling per exemplaar of per tijdvak/territoir gebleven. De introductie van commerciële omroep die geheel vanuit reclame en sponsoring werd gefinancierd en waarnaar een groot deel van het publiek ging kijken ondergroef de legitimatie om een bepaalde categorie omroep (namelijk de publieke omroep) door middel van een heffing te financieren.
Aan de gebruikerskant kwam het model onder druk te staan door de komst van het fotokopieerapparaat en de audio - en videorecorder. De mogelijkheid van grootschalig hergebruik in de privé-sfeer verstoorde de ‘natuurlijke’ verhouding tussen het openbare gebruik waarvoor werd betaald en het vrije privé-gebruik.
Bovendien bleek de technologie het mogelijk te maken elektronische informatie gericht te verspreiden op abonnementsbasis door het signaal te coderen en kon informatie via het telecommunicatienet ongericht worden aangeboden via telefonische informatienummers waarvoor de (anonieme) gebruiker per gebruik betaalde. Dat begon met telefonische weerberichten en nieuwsberichten, maar nam spoedig een grote vlucht. Dit leidde een ontwikkeling in waarin het publiek verder werd versplinterd en het op basis van individueel gebruik voor informatie ging betalen. Het telecommunicatiemodel begon daarmee zijn langzame, maar onstuitbare opmars als het exploitatiemodel van de toekomst. Er werd immers niet langer alleen door gebruikers geproduceerde informatie (telefoongesprekken) over verspreid, maar ook voor een algemeen publiek geproduceerde berichten.
De trend die ik hier schets beslaat de laatste twintig jaar. Zij is inzover nog in te bedden in de traditionele juridische kaders doordat de verschillende media hun verschillende functies behielden. Dat zal met het doorzetten van de digitale technologie (alles enen en nullen) in de ICT wereld veranderen. Wat hebben wij in dit opzicht te verwachten?

 

2. De digitale technologie [3]

Aan de productiekant zal de wijze van produceren van boeken, films en audio dramatisch veranderen en zal de lijn tussen bedenken, produceren, distribueren en opslaan van informatie drastisch verkorten. Daardoor zullen productie - en distributiekosten dalen. Het gemak waarmee informatieproducten kunnen worden aangepast zal een vlucht van ‘tailor made’ producten doen ontstaan. ‘Packaging’ zal wel blijven plaatsvinden, maar ‘customizing’ zal toenemen. We noemen dat laatste ook wel de economy of scope.
Aan de distributiekant komen verschillende alternatieven in zicht. Het telefoonnet wordt geüpgraded met de ADSL (Asymmetric Digital Subscriber Line) techniek, waardoor de gebruiker een smalle upstream, maar een breedbandige downstream toegang heeft tot Internet- en Omroepdiensten. De kabel zal breedbandige toegang up en downstream gaan bieden. Daarnaast komen (breedbandige) draadloze toegangswegen via digitale satellietdiensten, WLL (Wireless Local Loop) en UMTS (Universal Mobile Telecommunications System). Dat betekent dat het huis van de toekomst data en ( 3 D) programma’s kan ontvangen via vier tot vijf verschillende toegangskanalen. Daarnaast wordt informatie in toenemende mate op CD ROM’s binnengebracht. Distributie van informatie zal steeds minder een fysiek karakter krijgen (transport van papier, filmrollen, CD’s, video’s), maar aan het eind van een van de gekozen transmissiemiddelen in de gewenste presentatievorm (tekens, beeld, geluid) worden aangemaakt.

Aan de gebruikerskant zullen zich eveneens dramatische veranderingen voltrekken. De gebruiker zal in zijn PC meer programma-functies verkrijgen en in zijn (digitale) TV toestel meer datafuncties. Hij zal meer PC’s op het telecommunicatienet aansluiten, één om een openbare harde schijf te hebben waarop hij data files (muziek, beeld, kennis) met anderen gaat delen door middel van een peer to peer technology (rechtstreekse toegang tot particuliere bestanden van andere gebruikers) en één driedubbel beveiligd met privé-bestanden. Deze zullen op verschillende plaatsen thuis en op kantoor in een netwerk zijn opgesteld. De gebruiker zal over een groot aantal andere randapparaten beschikken. Naaste de vaste telefoonaansluiting die steeds meer de functie van datatransport zal verkrijgen zullen dat zijn een mobiele telefoon met een internettoegang en palmtop apparatuur voor het zoeken op Internet, versturen van e-mail en het downloaden van informatie. Verder zal hij beschikken over DVD en CD spelers waarop de gedownloade beeld of geluidsinformatie kan worden afgespeeld en op nieuwe dragers worden vastgelegd. Op het interactieve vlak beschikt hij over spelmachines om in de huiskamer 3 D spelletjes (voetbalwedstrijden, achtervolgingen, avonturen met aan de speler toegekende rollen in het zelf in te vullen spel) op de TV te kunnen spelen, webcam audio - en video apparatuur die hij zal inzetten in zijn privé webstudio, waar hij eigen programma’s op het Internet zet, al of niet gemixt met van buitenaf aangeboden programmamateriaal. Er wordt hem een keur aan intelligente zoekmachines aangeboden om informatie uit alle mogelijke databanken te halen.
En wat zal daar nog meer bijkomen?

 

3.  Wel convergentie, geen substitutie.

Het is een veel gehoord misverstand dat elektronische media de papieren media zullen verdringen en dat nieuwe elektronische media dat met de oude zullen doen. Media krijgen wel andere functies en soms vindt er volledige verdringing plaats. De fax heeft de telex verdrongen (maar niet in het politionele verkeer) en wellicht zal e-mail dat met de fax doen. Maar in het algemeen is het toch gecompliceerder.
Het is niet erg waarschijnlijk dat de papieren informatiedrager zal verdwijnen. Kranten, tijdschriften en boeken zullen altijd deel blijven uitmaken van het informatievoorzieningsproces. De ‘paperless office’ heeft nog nooit zoveel papier geproduceerd. Pakken papier worden dagelijks door geavanceerde kopieer - en scanmachines opgegeten (Er zijn nog nooit zoveel bomen gekapt als in de papierloze samenleving). De functie en het gebruik van de papieren informatiedrager zijn echter aanzienlijk veranderd. Wij zullen altijd een krant en een tijdschrift blijven lezen omdat wij behoefte hebben om een algemeen of gespecialiseerd pakket van informatie dat gerelateerd is aan de actualiteit in een keer te ontvangen. Hoe we daar vervolgens van kennisnemen is een andere vraag. Na een ‘quick scan’ (een halfuurtje kranten lezen, een uurtje vakliteratuur doornemen) gooiden we het pakket altijd al weg (de krant) of bewaarden het (het tijdschrift in de chronologische verzamelband of het boek alfabetisch op schrijver of systematisch op onderwerp in de boekenkast), en, voor zover we er iets van nodig hadden, noteerden we de vindplaats (onze persoonlijke thesaurus) of haalden we het pakket uit elkaar (het krantenartikel werd uitgeknipt, het tijdschriftartikel of de relevante pagina’s uit het boek werd gekopieerd) en borgen het op in de eigen gespecialiseerde verzameling (het knipsel- of kopiemapje). Een groot deel van deze archief- en opzoekfunctie wordt overgenomen door off line (CD ROM) of on line (Internet) elektronische media. Steeds meer zullen uitgevers er toe overgaan om hun papieren informatieproduct flankerend met een van deze elektronische archieffuncties ter beschikking te stellen voorzien van krachtige zoekfuncties, en steeds meer zullen we daar de informatie die ons eerder in een pakket werd aangeboden gaan opzoeken en ophalen. Het fotokopieerapparaat is een printer geworden die deze informatie weer op een papieren informatiedrager aan ons aanlevert. Deed het kopieerapparaat dat vroeger uitsluitend in zwart-wit en in tekstvorm, nu doet hij dat in kleur en met plaatjes. De gemiddelde juridische student van vijf jaar geleden stond de hele dag tijdschriftartikelen te kopiëren, de gemiddelde juridische student van nu zit de hele dag informatie die op Internet is gevonden uit te printen (En als de informatie daar niet is te vinden dan bestaat zij niet, maar dat is een ander onderwerp!).
Over omroep valt een soortgelijk verhaal te vertellen. Ik wees er al op dat de package-functie in de loop der tijd drastisch is veranderd. Dat zal zeker ook gebeuren met de wijze van distributie. Op het werk het laatste nieuws via de PC (evenals trouwens de head lines van de avondeditie van de kranten op Internet), thuis zeer veel programma’s tegelijk op verschillende plaatsen op verschillend randapparaten en in een verschillende mix. TV en PC zullen naar elkaar toe groeien, maar niet helemaal in elkaar opgaan, omdat mensen in de huiskamer andere dingen doen dat in hun werkkamer. Maar er komen wel meer functies bij: interactieve spelletjes, webtv en als dat verveelt een televisieprogramma, dat de gebruiker trouwens tal van interactieve mogelijkheden biedt om via een van de beschreven randapparaten met dat programma mee te doen. Het zappen wordt multifunctioneel. En er zullen steeds meer zelfgemaakte CD’s en video’s in de kast staan die zijn gedownload uit een georganiseerd databestand of opgezocht in een privé-bestand van een gebruiker die op een peer to peer systeem is aangesloten. De gebruiker maakt een eigen pakket dat hij samenstelt uit de pakketten die hem worden aangeboden of die hij individueel ophaalt. Dit leidt weer tot een verdere versplintering van het publiek en daar zijn exploitanten van auteursrechtelijke werken en bedenkers van reclameboodschappen niet blij mee. Hoe is de consumentenkarper nog te vangen als hij zich telkens in een andere vijver bevindt dan die waar producent en reclamemaker in vissen?
Laten wij eens proberen te bedenken wat dat voor de exploitatie van auteursrechtelijke werken betekent? Wij zullen zien hoe het telecommunicatiemodel op verschillende manieren verder oprukt, maar ook hoe gezocht wordt naar nieuwe constructies die een ambigue samenvoeging van de oude modellen inhouden.

 

4.  De digitale exploitatie

Ik probeer de nieuwe situatie in een paar trends niet uitputtend samen te vatten.

Multimediale licenties verstrekt door auteurs aan producenten
De exploitatie van een werk of een productie is niet meer aan een bepaald medium of een bepaalde presentatievorm gebonden. Maar de exploitatievorm is heel verschillend al naar gelang het medium. Een omroepproductie of een voetbalwedstrijd worden in een omroepmedium integraal geëxploiteerd maar op een website of een CD ROM als hoogtepunt of als flits. Bovendien kunnen ze dan weer worden toegevoegd aan een nieuw verzamelwerk. Auteurs en producenten zullen zich daar terdege rekenschap van moeten geven. Bij voetbal hebben we er enige ervaring mee, omdat de exploitatie van doelpunten en flitsen daar al bekend is. Het Internet vormt daar een extensie van een bestaande praktijk. Het is niet gezegd dat de exploitatie van alle media in een hand komt. Zeker voor sport - en amusementsproducten is dat niet het geval. Internet-exploitatierechten van sport en amusement kunnen ook voor aanbieders van producten en diensten interessant zijn. De rollen worden dan omgedraaid. Liftten de reclamemakers vroeger op het redactionele eindproduct mee, nu gaan zij zelf informatie inkopen om als trekker voor hun producten en diensten te fungeren. Een Adidas-site met voetbaldoelpunten van de Olympische spelen is geschikt om een groot publiek aan te trekken dat vervolgens naar de producten kijkt en die gaat kopen. De verkoop van Internetrechten aan bedrijven die zelf geen producent van informatie zijn zal leiden tot volledige commercialisering van dit soort informatie-aanbod.
Uitgevers en muziekproducenten zullen wel proberen alle licenties voor alle media in handen te krijgen. Alleen dan kunnen zij immers met grootgebruikers paraplulicenties voor alle vormen van mediaal gebruik aanbieden. Een auteur verkoopt voortaan alleen nog informatie aan een uitgever of een producent, tenzij hij (als groep ) sterk genoeg is om zelf zijn licentiebeleid te bepalen..

Gebruikerslicenties: van oud naar nieuw
Het verkopen van een multimediaal product aan een grootgebruikersgroep heeft zeker voor de wetenschappelijke uitgevers de toekomst. Het biedt hen ook de mogelijkheid ‘oude’ en ‘nieuwe’ economie te combineren. Zij hebben een bestaande abonnementsrelatie met een gebruiker voor een papieren product (bijvoorbeeld een losbladig commentaar op het burgerlijk recht) en die kunnen zij op deze manier geleidelijk aan transformeren in een abonnement voor een multimediaal product. Op den duur koopt de gebruiker dan een licentie voor het gebruik van informatie in papieren of elektronische vorm in een besloten gebruikersgroep (die heel groot kan zijn: een wereldwijd kantoor op een netwerk; de campuslicentie van de universiteit is een ander voorbeeld). Het verschil tussen oud en nieuw is dat bij het papieren (losbladige) boek een exemplaar werd gekocht, terwijl het verdere hergebruik via het fotokopieerapparaat (overigens weinig succesvol getuige de hoge transactiekosten van reproregelingen) werd gereguleerd door het auteursrecht. In de nieuwe situatie wordt een licentie gekocht voor alle vormen van gebruik binnen een bepaalde organisatie, ongeacht of er nu gekopieerd wordt, een CD ROM in een netwerk wordt geplaatst of informatie wordt gedownload.

Grootschalig gebruik op het open Internet
Het gebruik van informatie op Internet is niet te exploiteren als een krant of omroep. De voorwaarden van de eenheid van publiek, de eenheid van plaats en de eenheid van tijd zijn niet meer aanwezig. Uitgevers en producenten hebben verschillende opties.

Optie 1: Het nieuwe medium naast het oude.

Optie 1 is een variant van de hierboven beschreven combinatie van oud en nieuw, maar er toch van te onderscheiden. Het Internet wordt in dit geval gebruikt om het merk uit de oude wereld meer bekendheid te geven door ook een vrij toegankelijke webpagina op het Internet te maken waar een deel van de informatie die in de oude wereld wordt verkocht vrij toegankelijk is. Kranten maken daar op dit moment op grote schaal gebruik van. Omroepen zullen hetzelfde gaan doen (of doen dat reeds) met populaire programma’s, met name om archieffuncties (wat gebeurde er in het vorige deel, wie is wie in de serie?) aan te bieden en interactieve invloed door het verzenden van e-mails op het programma te stimuleren. Wat er in dit opzicht gebeurt is niet totaal nieuw, omdat het nu ook reeds gebeurt met de programma-ondersteunende functies van teletekst en het bellen via 800 en 900 telefoonnummers om te kunnen reageren op het verloop van het programma. Dit betekent dat het nieuwe medium een zelfstandige variant van het oude wordt. Dit roept allerlei vragen op of de juridische beschermingsvormen die voor de oude situatie golden ook zonder meer zijn toe te passen op het nieuwe medium. Ik zal er hierna onder 5 iets over zeggen. Of de spin off effecten naar het oude medium op den duur groot genoeg zijn om informatie in het nieuwe medium vrij beschikbaar te stellen, moet worden betwijfeld. Vandaar dat geprobeerd zal worden afgesloten delen op de sites in te bouwen die alleen door registratie en betaling (per creditcard of per gebruik) toegankelijk zijn. Het telecommunicatiemodel bewijst hier belangrijke diensten, omdat het de middelen verschaft om de gebruiker te registreren en om per gebruik af te rekenen. De telecommunicatiediensten-aanbieder kan ook incassodiensten verschaffen omdat hij via het telecommunicatienet per tijdseenheid gekochte informatie via een telefoonrekening kan afrekenen of de door hem over het gebruik opgeslagen informatie aan de aanbieder ter beschikking kan stellen, zodat deze zelf een rekening kan sturen.
Een andere optie is een nieuw soort publiek te creëren. Dit is optie 2, door mij ook wel de pseudo omroepoptie genoemd.

Optie 2: Een zelfstandig nieuw medium volgens het pseudo-omroepmodel: ‘portals’ en ‘communities’.

Er is op het ogenblik veel discussie over ‘portals’ en ‘communities’. Het wil zoveel zeggen dat een bepaalde homepagina zo wordt ingericht dat er met doorlinken van de site een heel pakket van door de organisator van de portal geselecteerde informatie en gespecialiseerde producten of diensten kan worden afgenomen. De aanbieder van de webpagina gaat dus weer een packager worden, vergelijkbaar met een omroeporganisatie. Hij beoogt daarmee een doelgroep te vormen die ook voor reclameboodschappen van belang is. Nieuw is dat hij ook gaat bemiddelen bij de verkoop van goederen en diensten: kranten en omroeporganisaties deden dat dusver niet (behalve dan de variant van teleshopping op tv, maar deze wordt doorgaans niet door omroeporganisaties bedreven). Wat hier de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn is nog niet duidelijk. Wel duidelijk is dat het een nieuwe rol voor de intermediairs betekent, waar ik hierna onder 5 iets over zal zeggen.

Optie 3: Het op gang brengen van een nieuwe geldstroom van gebruiker naar aanbieder.

Deze optie is niet nieuw. Toen omroepprogramma-producenten begonnen in te zien dat door het grotere aanbod van omroepprogramma’s reclame een minder veilige bron van inkomen vormde, gingen zij op zoek naar nieuwe geldstromen en die vonden zij in de telecommunicatie. Als mensen tijdens uitzendingen gaan bellen naar 800 nummers kunnen de telecommunicatiediensten-aanbieders en programmamakers de opbrengst van dit gesprek waarvoor extra wordt betaald delen. Het bellen kan aantrekkelijk worden gemaakt door er een loterij van te maken (iedere tiende beller dingt mee naar een prijs). Internet en e-mail vergroten de mogelijkheden van deze manier van financiering aanzienlijk.

 

Optie 4: Gebruikerscoöperaties (Napster/Bertelsmann).

Alle hier beschreven opties kunnen het onbeperkte vrije gebruik van informatie niet aan banden leggen, met name als het gaat om peer to peer technologieën, waarvan Napster een variant is. Langs deze weg kunnen gebruikers immers in elkaars muziek en beeld files (MP3) kijken en er kopieën van maken en ophalen. De auteursrechthebbenden zien machteloos toe. In het geval van Napster konden zij nog een intermediair vinden die zij konden verbieden dit soort gebruik in de privé-sfeer mogelijk te maken, maar als zo’n intermediair er niet is (en dat is het geval wanneer gebruikers alleen nog maar software behoeven down te loaden die rechtstreekse communicatie met mede gebruikers mogelijk maakt) dan hebben zij alleen duizenden anonieme individuele gebruikers tegenover zich waartegen zij met het auteursrechtelijke verbodsrecht machteloos zijn. De samenwerking tussen Napster en Bertelsmann opent echter een perspectief naar een geheel nieuwe exploitatievorm: die van de elektronische gebruikerscoöperatie. In deze coöperatie brengen alle gebruikers informatie in die zij met alle gebruikers delen. Zij betalen daarvoor een lidmaatschapsprijs en daarvoor mogen zij van de informatie die binnen de coöperatie beschikbaar is vrij gebruikmaken.

Alle hier besproken varianten en opties hebben een ding met elkaar gemeen. Het voorheen auteursrechtelijk neutrale telecommunicatiemodel, waarvan individuele gebruikers op basis van tijdseenheden voor hun eigen communicatie gebruik van maakten, is meer en meer het model geworden met behulp waarvan auteursrechtelijk beschermd materiaal wordt verspreid en individueel wordt afgerekend.

 

5.  Wat betekent dit voor het auteursrecht?

De hier neergezette ruwe schets heeft ingrijpende consequenties voor het auteursrecht. In onderscheid er zes: De relatie auteur-producent; de relatie producent-gebruiker; nieuwe intermediairs; nieuwe werken; technische beveiliging; vrij gebruik van informatie.

Relatie auteur-producent
Ik heb onder 4 al aan gegeven dat wij toe groeien naar multimediale licenties. Het auteursrecht placht tot op heden mediagebonden te denken. Dat betekende dat overdrachtsclausules restrictief (per medium) werden uitgelegd (de Zweck Übertragungsleer). Ik wil niet betogen dat die tot het verleden behoort, maar meer dan tot nu toe zullen partijen bij hun afspraken over overdracht van auteursrecht zich er rekenschap van moeten geven dat het gebruik van informatie niet meer aan één informatiedrager, niet meer aan één medium en niet meer aan één pakket is gebonden. Daarbij zal ook de vraag moeten worden beantwoord of gelijktijdige transmissie over verschillende media (kabel, ADSL, UMTS, satelliet) even zo vele exploitatiehandelingen oplevert. Bij gelijktijdige transmissie via de ether en de kabel ging het auteursrecht tot dusver uit van twee exploitatiehandelingen, maar in de nieuwe situatie is dat niet zonder meer vanzelfsprekend. Bovendien zullen er ontelbare gebruiksvarianten bestaan die niet meer onder een noemer zijn te vangen.

Relatie producent-gebruiker
In het klassieke auteursrecht bestond de relatie tussen gebruiker en producent uit een contractuele relatie of een niet-contractuele. In de contractuele sloten gebruiker en producent een koopcontract waarbij een informatiedrager werd overgedragen, waarover de gebruiker vrij kon beschikken. In de niet-contractuele ging het om een indirecte (deels door publiekrecht geregeerde: denk aan de omroepbijdrage) relatie die naar tijd en plaats was begrenst. Het gebruik van de informatie in de privé-sfeer werd beheerst door auteursrecht: het artikel kon worden gekopieerd, de uitgezonden film op de videorecorder worden opgeslagen. Meer en meer worden deze relaties vervangen door een contractuele waarin de multimediale gebruikscondities van de afgenomen informatie worden vastgelegd. Er is geen onderscheid meer tussen afname van informatie en gebruik in de privé-sfeer.
Een andere variant die ik hierboven aanduidde is de gebruikerscoöperatie. De relatie tussen producent en gebruiker wordt dan gereguleerd door verenigingsrecht.

Nieuwe intermediairs
De E-commerce richtlijn en de Auteursrechtelijke richtlijn zijn zeer begaan met de vraag wat precies de verantwoordelijkheid is van Internet Service Providers en zij hebben sterk technologisch georiënteerde normen ontwikkeld voor het al of niet vrij kunnen opslaan en vasthouden van informatie in het kader van de transmissie daarvan (caching, hosting). Deze regels geven zich geen rekenschap van de nieuwe packagers van het Internet die portals en communities ontwikkelen. Dit vraagt om een nieuw soort regels, omdat de verantwoordelijkheidsrelatie tussen de organisator van een portal en de daarop aangeboden informatie veel diffuser is dan die tussen de producent en het geproduceerde informatieproduct.

Nieuwe werken
De nieuwe technische omgeving en de nieuwe gebruiksvormen kenmerken zich door een nieuw soort werken. De databank is er een van. Gebruiks- en archieffuncties smelten in elkaar. Informatie ontleent zijn meerwaarde steeds meer aan het feit dat het deel uitmaakt van een systematische door de gebruiker gemakkelijk te ontsluiten verzameling, zodat hij de informatie in combinatie met andere informatie op door hem gekozen tijdstippen en plaatsen kan raadplegen.

Een tweede soort werk dat in deze omgeving past is het werk waarvan de vorm niet volledig vastligt. Wij kennen dit al als het programmaformat uit de omroepwereld. Dit is de show of het spel waarvan de volgorde van de handelingen ongeveer bekend is en waarbinnen voldoende herkenbare vormelementen aanwezig zijn om het binnen de soort te onderscheiden (Het Rad van Avontuur, Big Brother). Formats zijn op het Internet echter moeilijker te beschermen, omdat er geen reeks handelingen binnen een bepaalde tijdseenheid plaatsvindt: de gebruiker kiest vanuit de home page zijn eigen pad. Er zullen steeds meer formats komen waarin de gebruiker een actieve rol speelt, waardoor het ‘werk’ (net als bij een spel in de sport) telkens weer een individueel verloop heeft. Hoe zijn die te beschermen? Ik acht het niet uitgesloten dat hier een fusie tussen merkenrecht, octrooirecht en auteursrecht plaatsvindt, waardoor een product ontstaat met duidelijke uitwendige merkonderscheidingstekens en autuersrechtelijke expressies en interne algoritmische kenmerken die het als geheel van soortgelijke producten beoogt te onderscheiden.

Technische beveiliging
Individueel exclusief gebruik in een telecommunicatie-afrekenmodel, vergt in toenemende mate technische beveiliging en we zien dan ook in hoog tempo normen ontstaan die de technische beveiliging een zelfstandige juridische status beogen te geven, omdat ‘oude eigendomsrechten’ ontoereikend zijn. Bovendien zal techniek worden ingezet om gebruiksbeperkingen op verstrekte informatie af te dwingen en om registratie en encryptietechnieken in elkaar te laten opgaan, zodat individueel gebruik kan worden getraceerd en afgerekend.

Informatievrijheid
Wij zagen reeds dat het gebruik van informatie in de privé-sfeer meer en meer door contractuele of verenigingsrechtelijke normen zal worden geregeerd en met behulp van techniek zal worden beperkt en geregistreerd. Daarmee lijkt de beperking op het auteursrecht bestaande in de vrijheid informatie voor eigen studie en gebruik op te slaan en te reproduceren geen grote toekomst te zijn beschoren, en is de vraag van het privé-gebruik meer een kwestie van privacybescherming geworden.
In de openbare sfeer blijft de informatievrijheid een belangrijke waarde, die van oudsher in het auteursrecht op verschillende manieren erkenning heeft gevonden. Hoe zal het gaan met citeer- en nieuwsexcepties in een digitale wereld, de wereld van hypertext, waar het met elkaar verbinden, ophalen en mengen van informatie de regel vormt? Het auteursrecht zal in de digitale wereld aan deze kernvrijheden een nieuwe inhoud moeten geven.

Geeft de richtlijn Auteursrecht in de Informatiesamenleving een antwoord op al deze vragen? Ik betwijfel het ten zeerste, omdat deze nog sterk vasthoudt aan de oude aan media gebonden exploitatieconcepten uit het verleden. Er is veel voor te zeggen om een Europese Auteurswet te ontwerpen, maar dan zal over de rol die het auteursrecht in de 21e eeuw speelt een langere en fundamentelere discussie moeten plaatsvinden dan het triviale lobbywerk rond de totstandkoming van deze richtlijn.

 


1. Hoogleraar Informatierecht en directeur van het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam.

2. De opiniërende bijdrage die de redactie van mij heeft gevraagd laat zich moeilijk combineren met noten. Voor meer achtergrondinformatie over hetgeen in deze korte bijdrage naar voren wordt gebracht verwijs ik naar E.J. Dommering, ‘Het auteursrecht spoelt weg door het elektronisch vergiet’, in: Computerrecht 1994/3, p. 109-112; E.J. Dommering e.a. Informatierecht, fundamentele rechten voor de Informatiesamenleving, Amsterdam: Otto Cramwinckel 2000, in het bijzonder de hoofdstukken 1, 7, 12, 13.1, 14.1, 22 en 23; P.B. Hugenholtz (ed.), The Future of Copyright in a Digital Environment: Den Haag: Kluwer Law International 1996; P.B. Hugenholtz (ed.), Copyright and Electronic Commerce, Legal Aspects of Electronic Management, Den Haag: Kluwer Law International 2000.; C. Shapiro & H.R. Varian, Information Rules. A Strategic Guide to the Network Economy, Boston: Harvard Business Press 1999.

3. Voor een goed overzicht van wat ons allemaal te wachten staat zie Scientific American november 2000.


Geplaatst 27.01.2001