|
Het auteursrecht zal
in de 21e eeuw geconfronteerd worden met een digitale
technologie die tot gevolg zal hebben dat informatie
(tekst, beeld, geluid) niet meer aan een medium gebonden
op individuele basis zal worden aangeboden en gebruikt.
Het klassieke auteursrecht is daar niet op ingesteld
omdat het uit gaat van exploitatiehandelingen die zien
op reproductie en openbaarmaking voor een homogeen
publiek. Reproductie en origineel zijn in het digitale
tijdperk niet van elkaar te onderscheiden. Het publiek
is uiteengevallen in eenlingen die allemaal op een ander
tijdstip van verschillende informatie kennis nemen. Een
korte terreinverkenning.
1. De
klassieke exploitatiemodellen van het auteursrecht en de
informatietechnologie [2]
Het auteursrecht gaat
over een heleboel mooie dingen, maar vooral toch over de
vraag hoe aan de productie, verspreiding en opslag van
informatie geld valt te verdienen. Dat is ook de
centrale vraag rond het Internet geworden, hoewel de
gebruikers van het eerste uur de vrije uitwisseling van
informatie het hoofdoel van dit communicatiemiddel
blijven vinden. Om iets van die vraag te begrijpen wil
ik de exploitatievormen beschrijven die door mij als de
vier oermodellen voor de exploitatie van informatie
worden beschouwd: het model van de drukpers, het model
van het theater, het model van de omroep en het model
van de telecommunicatie. De eerste twee zijn het oudst.
De laatste twee zijn uitvindingen van het eind van de
19e eeuw. De eerste drie zijn modellen die gericht zijn
op reproductie en openbaarmaking van informatie en zijn
daardoor van meet af aan verweven met het auteursrecht.
Het laatste model is ontworpen voor persoonlijk gebruik
en is daardoor van oudsher auteursrechtelijk-neutraal
geweest.
Het auteursrecht wordt wel het kind van de drukpers
genoemd, nog altijd een van de krachtigste
informatietechnologieën die wij kennen. Het
auteursrecht heeft in het papieren tijdperk een tamelijk
stabiel exploitatiemodel ontwikkeld, omdat er per
informatiedrager kon worden afgerekend. Bij
tijdschriften en kranten is dit bovendien in de
buitengewoon lucratieve vorm van de voor uit betaalde
abonnementen te gieten waardoor de abonnee toegang kreeg
tot pakketten van informatie: packaging is
van oudsher een belangrijke vorm van
informatie-exploitatie geweest. Daar waar de verkoop van
de aantallen beperkt bleef kon door kruissubsidie van de
opbrengst van veel verkochte exemplaren binnen een
onderneming een haalbare exploitatie worden bereikt
doordat de uitgever een pakket van populaire en niet
populaire informatie op de markt zette (de discussie
over de vaste boekenprijs is daarvan een voorbeeld). Bij
de kranten kon de reclame als indirecte
financieringsbron worden aangeboord. Bij boeken die zich
kenmerken door een individueel gebruik is dat nauwelijks
de moeite waard (hoewel reclame over het eigen
productassortiment daar voorkomt).
Ouder nog dan het drukpersmodel is het theater, waar een
uitvoering voor een publiek plaatsvond dat een
kaartje voor de toegang tot de zaal had gekocht. Hoe
meer uitvoeringen, hoe meer opbrengsten.
De eerste grote
omwenteling voor het auteursrecht vormde de uitvinding
van foto en film. Het auteursrecht worstelde vooral met
de objectvraag of een werk dat door een machine werd
gemaakt wel een auteursrechtelijk werk kon zijn (die
vraag keerde terug bij computersoftware). Wat de
exploitatievorm betreft bracht deze technologie geen
vernieuwing: de foto werd via reproducties van papieren
dragers verkocht, de film door het afdraaien van de
beeld- (en later ook: geluids) drager in de afzondering
van een zaal die de toeschouwer tegen betaling van een
plaatsbewijs kon betreden. De foto volgde dus het
drukpersmodel, de film het theatermodel. Reclame werd
bij de film op productieniveau in de vorm van sponsoring
en op distributieniveau in de vorm van bioscoopreclame
gerealiseerd.
De uitvinding van de omroep (in het begin niet als
zodanig geïdentificeerd, omdat het eerst werd gezien
als een vorm van telefonie) bracht de werkelijke
omwenteling in de exploitatie. Omroep betekende een
totaal nieuw fenomeen in het auteursrecht, dat allerlei
vormen van collectieve exploitatie in het auteursrecht
introduceerde. Omroep kenmerkte zich door een ongerichte
vorm van verspreiding vanuit een centraal punt waardoor
het onmogelijk was per informatiedrager of per gebruik
(zoals een bioscoopkaartje) af te rekenen. Er ontstonden
daardoor collectieve indirecte financieringsvormen. Er
kwam een nationale gebruiksheffing (de omroepbijdrage
die toegang gaf tot een pakket informatie over een
bepaald tijdvak per territoir) en later de reclame.
Omroep gefinancierd door de omroepbijdrage behoefde zich
niet om een specifiek publiek te bekommeren, ja zelfs
hadden de publieke omroeporganisaties de plicht om het algemene
publiek binnen het territoir te bedienen: de
informatie werd in een totaal pakket aangeboden.
Het telecommunicatiemodel ontstond tegelijkertijd met
het omroepmodel en is gebaseerd op het feit dat de
gebruikers niet zelf informatie ontvangen, maar
informatie via het telecommunicatienet uitwisselen
(telefoongesprekken). Zij betalen voor de aansluiting op
het net (het telefoonabonnement) en per tijdseenheid (de
telefoontikken). Voor zover er voor informatie wordt
betaald is dit op basis van individuele transacties
tussen de gebruikers. Daarom noem ik het
telecommunicatiemodel auteursrechtelijk neutraal.
In deze modellen was de openbare en de privé-sfeer
gescheiden: aan de ene kant stond de door het
auteursrecht gereguleerde openbare sfeer waarvoor de
gebruiker een (indirecte) toegangsprijs betaalde. Aan de
andere kant stond de privé-sfeer waarbinnen de
eindgebruiker vrij van de informatie gebruik kon maken
en deze ook voor eigen gebruiksdoeleinden mocht
reproduceren en opslaan.
Aan de openbare kant kwam met name het omroepmodel en in
mindere mate de pers onder druk te staan. Reclame zou
hier een van de splijtzwammen blijken te zijn. Reclame
is gebaseerd op de ruilverhouding die bestaat tussen het
publiek dat door een bepaalde soort informatie wordt
aangetrokken en de reclameboodschap die voor dat publiek
bestemd is. Dit heeft twee effecten: een concentratie
van populaire programma’s (‘meer van hetzelfde’)
in het midden om een groot publiek aan te trekken voor
de grote merkreclame en een differentiatie van
doelgroepen vanuit het midden dat met gespecialiseerde
informatiepakketten en gespecialiseerde
reclameboodschappen wordt bediend. Daardoor ontstonden
gespecialiseerde magazines en doelgroepzenders. Zolang
daarmee voldoende (binnen de doelgroep) homogene
publieksvormen worden bereikt is reclame een belangrijke
inkomstenbron naast de betaling per exemplaar of per
tijdvak/territoir gebleven. De introductie van
commerciële omroep die geheel vanuit reclame en
sponsoring werd gefinancierd en waarnaar een groot deel
van het publiek ging kijken ondergroef de legitimatie om
een bepaalde categorie omroep (namelijk de publieke
omroep) door middel van een heffing te financieren.
Aan de gebruikerskant kwam het model onder druk te staan
door de komst van het fotokopieerapparaat en de audio -
en videorecorder. De mogelijkheid van grootschalig
hergebruik in de privé-sfeer verstoorde de ‘natuurlijke’
verhouding tussen het openbare gebruik waarvoor werd
betaald en het vrije privé-gebruik.
Bovendien bleek de technologie het mogelijk te maken
elektronische informatie gericht te verspreiden op
abonnementsbasis door het signaal te coderen en kon
informatie via het telecommunicatienet ongericht worden
aangeboden via telefonische informatienummers waarvoor
de (anonieme) gebruiker per gebruik betaalde. Dat begon
met telefonische weerberichten en nieuwsberichten, maar
nam spoedig een grote vlucht. Dit leidde een
ontwikkeling in waarin het publiek verder werd
versplinterd en het op basis van individueel gebruik
voor informatie ging betalen. Het telecommunicatiemodel
begon daarmee zijn langzame, maar onstuitbare opmars als
het exploitatiemodel van de toekomst. Er werd immers
niet langer alleen door gebruikers geproduceerde
informatie (telefoongesprekken) over verspreid, maar ook
voor een algemeen publiek geproduceerde berichten.
De trend die ik hier schets beslaat de laatste twintig
jaar. Zij is inzover nog in te bedden in de traditionele
juridische kaders doordat de verschillende media hun
verschillende functies behielden. Dat zal met het
doorzetten van de digitale technologie (alles enen en
nullen) in de ICT wereld veranderen. Wat hebben wij in
dit opzicht te verwachten?
2. De digitale
technologie [3]
Aan de productiekant
zal de wijze van produceren van boeken, films en audio
dramatisch veranderen en zal de lijn tussen bedenken,
produceren, distribueren en opslaan van informatie
drastisch verkorten. Daardoor zullen productie - en
distributiekosten dalen. Het gemak waarmee
informatieproducten kunnen worden aangepast zal een
vlucht van ‘tailor made’ producten doen ontstaan.
‘Packaging’ zal wel blijven plaatsvinden, maar ‘customizing’
zal toenemen. We noemen dat laatste ook wel de economy
of scope.
Aan de distributiekant komen verschillende alternatieven
in zicht. Het telefoonnet wordt geüpgraded met de ADSL
(Asymmetric Digital Subscriber Line) techniek, waardoor
de gebruiker een smalle upstream, maar een breedbandige
downstream toegang heeft tot Internet- en
Omroepdiensten. De kabel zal breedbandige toegang up en
downstream gaan bieden. Daarnaast komen (breedbandige)
draadloze toegangswegen via digitale satellietdiensten,
WLL (Wireless Local Loop) en UMTS (Universal Mobile
Telecommunications System). Dat betekent dat het huis
van de toekomst data en ( 3 D) programma’s kan
ontvangen via vier tot vijf verschillende
toegangskanalen. Daarnaast wordt informatie in
toenemende mate op CD ROM’s binnengebracht.
Distributie van informatie zal steeds minder een fysiek
karakter krijgen (transport van papier, filmrollen, CD’s,
video’s), maar aan het eind van een van de gekozen
transmissiemiddelen in de gewenste presentatievorm
(tekens, beeld, geluid) worden aangemaakt.
Aan de gebruikerskant
zullen zich eveneens dramatische veranderingen
voltrekken. De gebruiker zal in zijn PC meer
programma-functies verkrijgen en in zijn (digitale) TV
toestel meer datafuncties. Hij zal meer PC’s op het
telecommunicatienet aansluiten, één om een openbare
harde schijf te hebben waarop hij data files (muziek,
beeld, kennis) met anderen gaat delen door middel van
een peer to peer technology (rechtstreekse
toegang tot particuliere bestanden van andere
gebruikers) en één driedubbel beveiligd met
privé-bestanden. Deze zullen op verschillende plaatsen
thuis en op kantoor in een netwerk zijn opgesteld. De
gebruiker zal over een groot aantal andere randapparaten
beschikken. Naaste de vaste telefoonaansluiting die
steeds meer de functie van datatransport zal verkrijgen
zullen dat zijn een mobiele telefoon met een
internettoegang en palmtop apparatuur voor het zoeken op
Internet, versturen van e-mail en het downloaden van
informatie. Verder zal hij beschikken over DVD en CD
spelers waarop de gedownloade beeld of geluidsinformatie
kan worden afgespeeld en op nieuwe dragers worden
vastgelegd. Op het interactieve vlak beschikt hij over
spelmachines om in de huiskamer 3 D spelletjes
(voetbalwedstrijden, achtervolgingen, avonturen met aan
de speler toegekende rollen in het zelf in te vullen
spel) op de TV te kunnen spelen, webcam audio - en video
apparatuur die hij zal inzetten in zijn privé
webstudio, waar hij eigen programma’s op het Internet
zet, al of niet gemixt met van buitenaf aangeboden
programmamateriaal. Er wordt hem een keur aan
intelligente zoekmachines aangeboden om informatie uit
alle mogelijke databanken te halen.
En wat zal daar nog meer bijkomen?
3. Wel
convergentie, geen substitutie.
Het is een veel gehoord
misverstand dat elektronische media de papieren media
zullen verdringen en dat nieuwe elektronische media dat
met de oude zullen doen. Media krijgen wel andere
functies en soms vindt er volledige verdringing plaats.
De fax heeft de telex verdrongen (maar niet in het
politionele verkeer) en wellicht zal e-mail dat met de
fax doen. Maar in het algemeen is het toch
gecompliceerder.
Het is niet erg waarschijnlijk dat de papieren
informatiedrager zal verdwijnen. Kranten, tijdschriften
en boeken zullen altijd deel blijven uitmaken van het
informatievoorzieningsproces. De ‘paperless office’
heeft nog nooit zoveel papier geproduceerd. Pakken
papier worden dagelijks door geavanceerde kopieer - en
scanmachines opgegeten (Er zijn nog nooit zoveel bomen
gekapt als in de papierloze samenleving). De
functie en het gebruik van de papieren informatiedrager
zijn echter aanzienlijk veranderd. Wij zullen altijd een
krant en een tijdschrift blijven lezen omdat wij
behoefte hebben om een algemeen of gespecialiseerd
pakket van informatie dat gerelateerd is aan de
actualiteit in een keer te ontvangen. Hoe we daar
vervolgens van kennisnemen is een andere vraag. Na een
‘quick scan’ (een halfuurtje kranten lezen, een
uurtje vakliteratuur doornemen) gooiden we het pakket
altijd al weg (de krant) of bewaarden het (het
tijdschrift in de chronologische verzamelband of het
boek alfabetisch op schrijver of systematisch op
onderwerp in de boekenkast), en, voor zover we er iets
van nodig hadden, noteerden we de vindplaats (onze
persoonlijke thesaurus) of haalden we het pakket uit
elkaar (het krantenartikel werd uitgeknipt, het
tijdschriftartikel of de relevante pagina’s uit het
boek werd gekopieerd) en borgen het op in de eigen
gespecialiseerde verzameling (het knipsel- of
kopiemapje). Een groot deel van deze archief- en
opzoekfunctie wordt overgenomen door off line (CD ROM)
of on line (Internet) elektronische media. Steeds meer
zullen uitgevers er toe overgaan om hun papieren
informatieproduct flankerend met een van deze
elektronische archieffuncties ter beschikking te stellen
voorzien van krachtige zoekfuncties, en steeds meer
zullen we daar de informatie die ons eerder in een
pakket werd aangeboden gaan opzoeken en ophalen. Het
fotokopieerapparaat is een printer geworden die
deze informatie weer op een papieren informatiedrager
aan ons aanlevert. Deed het kopieerapparaat dat vroeger
uitsluitend in zwart-wit en in tekstvorm, nu doet hij
dat in kleur en met plaatjes. De gemiddelde juridische
student van vijf jaar geleden stond de hele dag
tijdschriftartikelen te kopiëren, de gemiddelde
juridische student van nu zit de hele dag informatie die
op Internet is gevonden uit te printen (En als de
informatie daar niet is te vinden dan bestaat zij
niet, maar dat is een ander onderwerp!).
Over omroep valt een soortgelijk verhaal te vertellen.
Ik wees er al op dat de package-functie in de loop der
tijd drastisch is veranderd. Dat zal zeker ook gebeuren
met de wijze van distributie. Op het werk het laatste
nieuws via de PC (evenals trouwens de head lines van de
avondeditie van de kranten op Internet), thuis zeer veel
programma’s tegelijk op verschillende plaatsen op
verschillend randapparaten en in een verschillende mix.
TV en PC zullen naar elkaar toe groeien, maar niet
helemaal in elkaar opgaan, omdat mensen in de huiskamer
andere dingen doen dat in hun werkkamer. Maar er komen
wel meer functies bij: interactieve spelletjes, webtv en
als dat verveelt een televisieprogramma, dat de
gebruiker trouwens tal van interactieve mogelijkheden
biedt om via een van de beschreven randapparaten met dat
programma mee te doen. Het zappen wordt
multifunctioneel. En er zullen steeds meer zelfgemaakte
CD’s en video’s in de kast staan die zijn gedownload
uit een georganiseerd databestand of opgezocht in een
privé-bestand van een gebruiker die op een peer to peer
systeem is aangesloten. De gebruiker maakt een eigen
pakket dat hij samenstelt uit de pakketten die hem
worden aangeboden of die hij individueel ophaalt. Dit
leidt weer tot een verdere versplintering van het
publiek en daar zijn exploitanten van auteursrechtelijke
werken en bedenkers van reclameboodschappen niet blij
mee. Hoe is de consumentenkarper nog te vangen als hij
zich telkens in een andere vijver bevindt dan die waar
producent en reclamemaker in vissen?
Laten wij eens proberen te bedenken wat dat voor de
exploitatie van auteursrechtelijke werken betekent? Wij
zullen zien hoe het telecommunicatiemodel op
verschillende manieren verder oprukt, maar ook hoe
gezocht wordt naar nieuwe constructies die een ambigue
samenvoeging van de oude modellen inhouden.
4. De
digitale exploitatie
Ik probeer de nieuwe
situatie in een paar trends niet uitputtend samen te
vatten.
Multimediale licenties
verstrekt door auteurs aan producenten
De exploitatie
van een werk of een productie is niet meer aan een
bepaald medium of een bepaalde presentatievorm gebonden.
Maar de exploitatievorm is heel verschillend al naar
gelang het medium. Een omroepproductie of een
voetbalwedstrijd worden in een omroepmedium integraal
geëxploiteerd maar op een website of een CD ROM als
hoogtepunt of als flits. Bovendien kunnen ze dan weer
worden toegevoegd aan een nieuw verzamelwerk. Auteurs en
producenten zullen zich daar terdege rekenschap van
moeten geven. Bij voetbal hebben we er enige ervaring
mee, omdat de exploitatie van doelpunten en flitsen daar
al bekend is. Het Internet vormt daar een extensie van
een bestaande praktijk. Het is niet gezegd dat de
exploitatie van alle media in een hand komt. Zeker voor
sport - en amusementsproducten is dat niet het geval.
Internet-exploitatierechten van sport en amusement
kunnen ook voor aanbieders van producten en diensten
interessant zijn. De rollen worden dan omgedraaid.
Liftten de reclamemakers vroeger op het redactionele
eindproduct mee, nu gaan zij zelf informatie inkopen om
als trekker voor hun producten en diensten te fungeren.
Een Adidas-site met voetbaldoelpunten van de Olympische
spelen is geschikt om een groot publiek aan te trekken
dat vervolgens naar de producten kijkt en die gaat
kopen. De verkoop van Internetrechten aan bedrijven die
zelf geen producent van informatie zijn zal leiden tot
volledige commercialisering van dit soort
informatie-aanbod.
Uitgevers en muziekproducenten zullen wel proberen alle
licenties voor alle media in handen te krijgen. Alleen
dan kunnen zij immers met grootgebruikers
paraplulicenties voor alle vormen van mediaal gebruik
aanbieden. Een auteur verkoopt voortaan alleen nog
informatie aan een uitgever of een producent, tenzij hij
(als groep ) sterk genoeg is om zelf zijn licentiebeleid
te bepalen..
Gebruikerslicenties:
van oud naar nieuw
Het verkopen
van een multimediaal product aan een
grootgebruikersgroep heeft zeker voor de
wetenschappelijke uitgevers de toekomst. Het biedt hen
ook de mogelijkheid ‘oude’ en ‘nieuwe’ economie
te combineren. Zij hebben een bestaande
abonnementsrelatie met een gebruiker voor een papieren
product (bijvoorbeeld een losbladig commentaar op het
burgerlijk recht) en die kunnen zij op deze manier
geleidelijk aan transformeren in een abonnement voor een
multimediaal product. Op den duur koopt de gebruiker dan
een licentie voor het gebruik van informatie in papieren
of elektronische vorm in een besloten gebruikersgroep
(die heel groot kan zijn: een wereldwijd kantoor op een
netwerk; de campuslicentie van de universiteit is
een ander voorbeeld). Het verschil tussen oud en nieuw
is dat bij het papieren (losbladige) boek een exemplaar
werd gekocht, terwijl het verdere hergebruik via het
fotokopieerapparaat (overigens weinig succesvol getuige
de hoge transactiekosten van reproregelingen) werd
gereguleerd door het auteursrecht. In de nieuwe situatie
wordt een licentie gekocht voor alle vormen van gebruik
binnen een bepaalde organisatie, ongeacht of er nu
gekopieerd wordt, een CD ROM in een netwerk wordt
geplaatst of informatie wordt gedownload.
Grootschalig gebruik op
het open Internet
Het gebruik van
informatie op Internet is niet te exploiteren als een
krant of omroep. De voorwaarden van de eenheid van
publiek, de eenheid van plaats en de eenheid van tijd
zijn niet meer aanwezig. Uitgevers en producenten hebben
verschillende opties.
Optie 1: Het nieuwe
medium naast het oude.
Optie 1 is een variant
van de hierboven beschreven combinatie van oud en nieuw,
maar er toch van te onderscheiden. Het Internet wordt in
dit geval gebruikt om het merk uit de oude wereld meer
bekendheid te geven door ook een vrij toegankelijke
webpagina op het Internet te maken waar een deel van de
informatie die in de oude wereld wordt verkocht vrij
toegankelijk is. Kranten maken daar op dit moment op
grote schaal gebruik van. Omroepen zullen hetzelfde gaan
doen (of doen dat reeds) met populaire programma’s,
met name om archieffuncties (wat gebeurde er in het
vorige deel, wie is wie in de serie?) aan te bieden en
interactieve invloed door het verzenden van e-mails op
het programma te stimuleren. Wat er in dit opzicht
gebeurt is niet totaal nieuw, omdat het nu ook reeds
gebeurt met de programma-ondersteunende functies van
teletekst en het bellen via 800 en 900 telefoonnummers
om te kunnen reageren op het verloop van het programma.
Dit betekent dat het nieuwe medium een zelfstandige
variant van het oude wordt. Dit roept allerlei vragen op
of de juridische beschermingsvormen die voor de oude
situatie golden ook zonder meer zijn toe te passen op
het nieuwe medium. Ik zal er hierna onder 5 iets over
zeggen. Of de spin off effecten naar het oude medium op
den duur groot genoeg zijn om informatie in het nieuwe
medium vrij beschikbaar te stellen, moet worden
betwijfeld. Vandaar dat geprobeerd zal worden afgesloten
delen op de sites in te bouwen die alleen door
registratie en betaling (per creditcard of per gebruik)
toegankelijk zijn. Het telecommunicatiemodel bewijst
hier belangrijke diensten, omdat het de middelen
verschaft om de gebruiker te registreren en om per
gebruik af te rekenen. De
telecommunicatiediensten-aanbieder kan ook
incassodiensten verschaffen omdat hij via het
telecommunicatienet per tijdseenheid gekochte informatie
via een telefoonrekening kan afrekenen of de door hem
over het gebruik opgeslagen informatie aan de aanbieder
ter beschikking kan stellen, zodat deze zelf een
rekening kan sturen.
Een andere optie is een nieuw soort publiek te creëren.
Dit is optie 2, door mij ook wel de pseudo omroepoptie
genoemd.
Optie 2: Een
zelfstandig nieuw medium volgens het pseudo-omroepmodel:
‘portals’ en ‘communities’.
Er is op het ogenblik
veel discussie over ‘portals’ en ‘communities’.
Het wil zoveel zeggen dat een bepaalde homepagina zo
wordt ingericht dat er met doorlinken van de site een
heel pakket van door de organisator van de portal
geselecteerde informatie en gespecialiseerde producten
of diensten kan worden afgenomen. De aanbieder van de
webpagina gaat dus weer een packager worden,
vergelijkbaar met een omroeporganisatie. Hij beoogt
daarmee een doelgroep te vormen die ook voor
reclameboodschappen van belang is. Nieuw is dat hij ook
gaat bemiddelen bij de verkoop van goederen en diensten:
kranten en omroeporganisaties deden dat dusver niet
(behalve dan de variant van teleshopping op tv,
maar deze wordt doorgaans niet door omroeporganisaties
bedreven). Wat hier de mogelijkheden en onmogelijkheden
zijn is nog niet duidelijk. Wel duidelijk is dat het een
nieuwe rol voor de intermediairs betekent, waar ik
hierna onder 5 iets over zal zeggen.
Optie 3: Het op gang
brengen van een nieuwe geldstroom van gebruiker naar
aanbieder.
Deze optie is niet
nieuw. Toen omroepprogramma-producenten begonnen in te
zien dat door het grotere aanbod van omroepprogramma’s
reclame een minder veilige bron van inkomen vormde,
gingen zij op zoek naar nieuwe geldstromen en die vonden
zij in de telecommunicatie. Als mensen tijdens
uitzendingen gaan bellen naar 800 nummers kunnen de
telecommunicatiediensten-aanbieders en programmamakers
de opbrengst van dit gesprek waarvoor extra wordt
betaald delen. Het bellen kan aantrekkelijk worden
gemaakt door er een loterij van te maken (iedere tiende
beller dingt mee naar een prijs). Internet en e-mail
vergroten de mogelijkheden van deze manier van
financiering aanzienlijk.
Optie 4:
Gebruikerscoöperaties (Napster/Bertelsmann).
Alle hier beschreven
opties kunnen het onbeperkte vrije gebruik van
informatie niet aan banden leggen, met name als het gaat
om peer to peer technologieën, waarvan Napster een
variant is. Langs deze weg kunnen gebruikers immers in
elkaars muziek en beeld files (MP3) kijken en er
kopieën van maken en ophalen. De auteursrechthebbenden
zien machteloos toe. In het geval van Napster konden zij
nog een intermediair vinden die zij konden verbieden dit
soort gebruik in de privé-sfeer mogelijk te maken, maar
als zo’n intermediair er niet is (en dat is het geval
wanneer gebruikers alleen nog maar software behoeven
down te loaden die rechtstreekse communicatie met mede
gebruikers mogelijk maakt) dan hebben zij alleen
duizenden anonieme individuele gebruikers tegenover zich
waartegen zij met het auteursrechtelijke verbodsrecht
machteloos zijn. De samenwerking tussen Napster en
Bertelsmann opent echter een perspectief naar een geheel
nieuwe exploitatievorm: die van de elektronische
gebruikerscoöperatie. In deze coöperatie brengen alle
gebruikers informatie in die zij met alle gebruikers
delen. Zij betalen daarvoor een lidmaatschapsprijs en
daarvoor mogen zij van de informatie die binnen de
coöperatie beschikbaar is vrij gebruikmaken.
Alle hier besproken
varianten en opties hebben een ding met elkaar gemeen.
Het voorheen auteursrechtelijk neutrale
telecommunicatiemodel, waarvan individuele gebruikers op
basis van tijdseenheden voor hun eigen communicatie
gebruik van maakten, is meer en meer het model geworden
met behulp waarvan auteursrechtelijk beschermd materiaal
wordt verspreid en individueel wordt afgerekend.
5. Wat
betekent dit voor het auteursrecht?
De hier neergezette
ruwe schets heeft ingrijpende consequenties voor het
auteursrecht. In onderscheid er zes: De relatie
auteur-producent; de relatie producent-gebruiker; nieuwe
intermediairs; nieuwe werken; technische beveiliging;
vrij gebruik van informatie.
Relatie
auteur-producent
Ik heb onder 4
al aan gegeven dat wij toe groeien naar multimediale
licenties. Het auteursrecht placht tot op heden
mediagebonden te denken. Dat betekende dat
overdrachtsclausules restrictief (per medium) werden
uitgelegd (de Zweck Übertragungsleer). Ik wil
niet betogen dat die tot het verleden behoort, maar meer
dan tot nu toe zullen partijen bij hun afspraken over
overdracht van auteursrecht zich er rekenschap van
moeten geven dat het gebruik van informatie niet meer
aan één informatiedrager, niet meer aan één medium
en niet meer aan één pakket is gebonden. Daarbij zal
ook de vraag moeten worden beantwoord of gelijktijdige
transmissie over verschillende media (kabel, ADSL, UMTS,
satelliet) even zo vele exploitatiehandelingen oplevert.
Bij gelijktijdige transmissie via de ether en de kabel
ging het auteursrecht tot dusver uit van twee
exploitatiehandelingen, maar in de nieuwe situatie is
dat niet zonder meer vanzelfsprekend. Bovendien zullen
er ontelbare gebruiksvarianten bestaan die niet meer
onder een noemer zijn te vangen.
Relatie
producent-gebruiker
In het
klassieke auteursrecht bestond de relatie tussen
gebruiker en producent uit een contractuele relatie of
een niet-contractuele. In de contractuele sloten
gebruiker en producent een koopcontract waarbij een
informatiedrager werd overgedragen, waarover de
gebruiker vrij kon beschikken. In de niet-contractuele
ging het om een indirecte (deels door publiekrecht
geregeerde: denk aan de omroepbijdrage) relatie die naar
tijd en plaats was begrenst. Het gebruik van de
informatie in de privé-sfeer werd beheerst door
auteursrecht: het artikel kon worden gekopieerd, de
uitgezonden film op de videorecorder worden opgeslagen.
Meer en meer worden deze relaties vervangen door een
contractuele waarin de multimediale gebruikscondities
van de afgenomen informatie worden vastgelegd. Er is
geen onderscheid meer tussen afname van informatie en
gebruik in de privé-sfeer.
Een andere variant die ik hierboven aanduidde is de
gebruikerscoöperatie. De relatie tussen producent en
gebruiker wordt dan gereguleerd door verenigingsrecht.
Nieuwe intermediairs
De E-commerce
richtlijn en de Auteursrechtelijke richtlijn zijn zeer
begaan met de vraag wat precies de verantwoordelijkheid
is van Internet Service Providers en zij hebben sterk
technologisch georiënteerde normen ontwikkeld voor het
al of niet vrij kunnen opslaan en vasthouden van
informatie in het kader van de transmissie daarvan (caching,
hosting). Deze regels geven zich geen rekenschap van
de nieuwe packagers van het Internet die portals en
communities ontwikkelen. Dit vraagt om een nieuw soort
regels, omdat de verantwoordelijkheidsrelatie tussen de
organisator van een portal en de daarop aangeboden
informatie veel diffuser is dan die tussen de producent
en het geproduceerde informatieproduct.
Nieuwe werken
De nieuwe technische omgeving en de nieuwe
gebruiksvormen kenmerken zich door een nieuw soort
werken. De databank is er een van. Gebruiks- en
archieffuncties smelten in elkaar. Informatie ontleent
zijn meerwaarde steeds meer aan het feit dat het deel
uitmaakt van een systematische door de gebruiker
gemakkelijk te ontsluiten verzameling, zodat hij de
informatie in combinatie met andere informatie op door
hem gekozen tijdstippen en plaatsen kan raadplegen.
Een tweede soort werk
dat in deze omgeving past is het werk waarvan de vorm
niet volledig vastligt. Wij kennen dit al als het
programmaformat uit de omroepwereld. Dit is de show of
het spel waarvan de volgorde van de handelingen ongeveer
bekend is en waarbinnen voldoende herkenbare
vormelementen aanwezig zijn om het binnen de soort te
onderscheiden (Het Rad van Avontuur, Big Brother).
Formats zijn op het Internet echter moeilijker te
beschermen, omdat er geen reeks handelingen binnen een
bepaalde tijdseenheid plaatsvindt: de gebruiker kiest
vanuit de home page zijn eigen pad. Er zullen steeds
meer formats komen waarin de gebruiker een actieve rol
speelt, waardoor het ‘werk’ (net als bij een spel in
de sport) telkens weer een individueel verloop heeft.
Hoe zijn die te beschermen? Ik acht het niet uitgesloten
dat hier een fusie tussen merkenrecht, octrooirecht en
auteursrecht plaatsvindt, waardoor een product ontstaat
met duidelijke uitwendige merkonderscheidingstekens en
autuersrechtelijke expressies en interne algoritmische
kenmerken die het als geheel van soortgelijke producten
beoogt te onderscheiden.
Technische beveiliging
Individueel
exclusief gebruik in een telecommunicatie-afrekenmodel,
vergt in toenemende mate technische beveiliging en we
zien dan ook in hoog tempo normen ontstaan die de
technische beveiliging een zelfstandige juridische
status beogen te geven, omdat ‘oude eigendomsrechten’
ontoereikend zijn. Bovendien zal techniek worden ingezet
om gebruiksbeperkingen op verstrekte informatie af te
dwingen en om registratie en encryptietechnieken in
elkaar te laten opgaan, zodat individueel gebruik kan
worden getraceerd en afgerekend.
Informatievrijheid
Wij zagen reeds dat het gebruik van informatie in de
privé-sfeer meer en meer door contractuele of
verenigingsrechtelijke normen zal worden geregeerd en
met behulp van techniek zal worden beperkt en
geregistreerd. Daarmee lijkt de beperking op het
auteursrecht bestaande in de vrijheid informatie voor
eigen studie en gebruik op te slaan en te reproduceren
geen grote toekomst te zijn beschoren, en is de vraag
van het privé-gebruik meer een kwestie van
privacybescherming geworden.
In de openbare sfeer blijft de informatievrijheid een
belangrijke waarde, die van oudsher in het auteursrecht
op verschillende manieren erkenning heeft gevonden. Hoe
zal het gaan met citeer- en nieuwsexcepties in een
digitale wereld, de wereld van hypertext, waar
het met elkaar verbinden, ophalen en mengen van
informatie de regel vormt? Het auteursrecht zal in de
digitale wereld aan deze kernvrijheden een nieuwe inhoud
moeten geven.
Geeft de richtlijn
Auteursrecht in de Informatiesamenleving een antwoord op
al deze vragen? Ik betwijfel het ten zeerste, omdat deze
nog sterk vasthoudt aan de oude aan media gebonden
exploitatieconcepten uit het verleden. Er is veel voor
te zeggen om een Europese Auteurswet te ontwerpen, maar
dan zal over de rol die het auteursrecht in de 21e eeuw
speelt een langere en fundamentelere discussie moeten
plaatsvinden dan het triviale lobbywerk rond de
totstandkoming van deze richtlijn. |