|
Talloze commerciële bedrijven verbinden tegen een financiële
bijdrage hun naam aan musea, voor de cultuurinstelling is het een mooie bron
van extra inkomsten, voor het bedrijf een manier om zich te onderscheiden
van concurrenten en een bepaalde doelgroep te bereiken.
Maar cultuursponsoring heeft ook een schaduwzijde. Contracten zijn geheim.
Doordat onvoldoende toezicht mogelijk is op de sponsorcontracten dreigt de
inhoudelijke onafhankelijkheid van cultuurinstellingen te worden aangetast.
Om sommige onwenselijke situaties met betrekking
tot de sponsoring van cultuurinstellingen te voorkomen is gekozen voor een
systeem van zelfregulering. Hiertoe is in 1993 de Code Cultuursponsoring
is opgesteld, welke gedragsregels bevat die door de bij cultuursponsoring
betrokken partijen nageleefd dienen te worden.
In deze Code vinden wij de bepaling
dat zowel de sponsor als de gesponsorde, alsmede eventuele andere bij de
overeenkomst betrokken partijen de plicht hebben zorg te dragen voor het
behoud van de inhoudelijke onafhankelijkheid van de instelling. De sponsor
mag hierbij uitdrukkelijk geen concessies van de gesponsorde verlangen wat
betreft het inhoudelijke beleid.
Toch kopte deze krant op maandag 15 mei: 'Partner' ABN krijgt invloed op
Stedelijk.
Wat was het geval? Nadat het Stedelijk Museum vorig jaar al in opspraak
kwam door de benoeming van ABN Amro topman Rijkman Groenink als voorzitter
van de Raad van Toezicht - terwijl ABN Amro toen reeds de belangrijkste sponsor
van het museum was - werd nu uit contracten tussen beide partijen duidelijk
dat voor deze sponsorrelatie vergaande tegenprestaties van de kant van het
museum worden verlangd. De verplichting om ten minste één 'blockbuster'
per jaar te organiseren heeft op zijn minst de schijn van inhoudelijke bemoeienis
zelfs al wordt de invulling van die tentoonstelling geheel aan het
museum overgelaten.
Belast met het toezicht op de naleving van de Code Cultuursponsoring is de
Stichting Code Cultuursponsoring. De Stichting registreert klachten over
niet-naleving, en geeft op verzoek van de beklaagde partij een niet-openbaar
advies met betrekking tot de afdoening van de klacht. En hier stuiten wij
meteen op een probleem: want wie zal in het bovengenoemde geval een klacht
indienen? De sponsor is tevreden, het museum is zelf akkoord gegaan, en het
publiek heeft er geen idee van dat de inhoudelijke onafhankelijkheid van
de cultuurinstelling wellicht geweld is aangedaan.
De beste en meest voor de hand liggende
oplossing voor dit probleem zou het openbaar maken van de sponsorcontracten
zijn. Bovendien kan dit wellicht voor de musea het positieve neveneffect
hebben dat bedrijven 'tegen elkaar op gaan bieden' als bekend is wat de concurrent
over heeft voor cultuursponsoring.
Voor de bij de overeenkomst betrokken partijen lijkt dit echter geen optie;
deze zijn bijzonder terughoudend in het verstrekken van dergelijke informatie.
Het contract tussen het Stedelijk Museum en ABN Amro werd dan ook pas
beperkt openbaar gemaakt toen dit op last van de rechter moest. Het verplicht
openbaar maken van sponsorcontracten zou dus het risico met zich mee kunnen
brengen dat minder bedrijven tot sponsoring bereid worden gevonden.
Is het probleem op te lossen met een andere manier van regulering? Vermoedelijk
niet: het probleem berust op een niet-naleving van de regels die niet zichtbaar
is. Het overbrengen van de betreffende regels naar wetgeving zou de niet-naleving
niet zichtbaarder maken.
Een mogelijke oplossing kan mijns inziens gevonden worden
in een uitbreiding van de taak van de Stichting Code Cultuursponsoring. In
plaats van slechts te reageren op klachten, zou het aanbevelenswaardig zijn
om sponsorcontracten preventief te laten toetsen door de Stichting.
De contracten worden hierdoor niet openbaar gemaakt, maar wel gecontroleerd
op conformiteit met de Code. Het resultaat van deze toetsing zou moeten uitmonden
in een advies van de Stichting. Dit advies zou niet-bindend van aard kunnen
zijn, zodat de contractvrijheid van partijen wordt gewaarborgd en het dichtst
bij het systeem van zelfregulering wordt gebleven. Om het advies toch effect
te laten hebben, zou dit wél openbaar gemaakt moeten worden. Ik ga
er dan van uit dat zodra bekend wordt dat de Stichting negatief heeft geadviseerd
op een sponsorcontract partijen zelf aanpassingen zullen doorvoeren zodat
de Stichting wel akkoord gaat: op negatieve publiciteit zullen zij immers
niet zitten te wachten!
Is de hier voorgestelde oplossing
nu een panacee? Zeker niet. Immers, nooit zal duidelijk worden welke invloed
er wellicht al is geweest vóór de totstandkoming van het uiteindelijk
ter controle voorgelegde contract. Maar de inhoudelijke onafhankelijkheid
van cultuurinstellingen ten opzichte van sponsors is een groot goed, en het
lijkt mij bijzonder zinvol om in elk geval te proberen deze zo behoorlijk
mogelijk te waarborgen.
|