|
Een overheid moet zich
liever niet met dingen bemoeien die burgers ook heel
goed onderling kunnen regelen. Nog onlangs werd in een
kabinetsnota [1]
geconstateerd, dat er in het geval van de Stichting
Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) is voldaan
aan de gestelde voorwaarden voor zelfregulering: het zou
gaan om een 'begrensde groep burgers die als geheel
voldoende bij de besluitvorming betrokken is', en er
zouden geen grondrechten in het geding zijn die
specifieke bescherming verlangen.
Daar kan men ook anders
over denken. In de eerste plaats moet eigenlijk ook het
publiek dat Internet gebruikt als belanghebbende worden
gezien. Dat is langzamerhand een groot deel van de
bevolking, een 'groep' die door een private organisatie
als de SIDN nauwelijks adequaat bij de besluitvorming
kan worden betrokken. En bovendien zijn er wel degelijk
grondrechten in het geding. Zo moet er zorgvuldig voor
gewaakt worden dat ook ideële organisaties op Internet
hun stem kunnen laten horen, en gehoord kunnen worden,
via een herkenbare domeinnaam.
Sommige voorstanders
van overheidsbemoeienis wijzen erop, dat domeinnamen
'nummers' zijn naar de letter van art. 1.1.t van de
Telecommunicatiewet. [2]
Maar er zijn toch aanzienlijke verschillen tussen de
problematiek van de verdeling van (telefoon)nummers en
die van de toekenning van domeinnamen. De
Telecommunicatiewet schrijft voor dat er bij schaarste
een veiling of verloting van nummers plaats dient te
vinden. Een (eerlijke) verloting is volstrekt
willekeurig, zodat er geen rekening kan worden gehouden
met de belangen van het publiek. Dat is gebaat is bij
een logische en niet bij een toevallige toekenning van
domeinnamen. En een veiling zou ideële gegadigden
onaanvaardbaar benadelen ten opzichte van commerciële
gegadigden. Bovendien doet zich nog de praktische
moeilijkheid voor, dat aanvragen voor domeinnamen één
voor één binnenkomen, en ook niet een poosje kunnen
worden opgezout: dat zou absurd zijn in de snelle wereld
van Internet.
De realiteit van het
moment is dat domeinnamen worden geregistreerd zonder
enige controle vooraf. Liefst moet dat ook zo blijven:
het gaat snel, het is goedkoop, en zo gaat het ook in
andere landen. Alleen als de rechtmatigheid in
het geding is worden domeinnamen ingetrokken, achteraf,
al dan niet na tussenkomst van de rechter.
Een belangrijke vraag
is nu, of in bijzondere gevallen niet ook de
mogelijkheid zou moeten bestaan om domeinnamen in te
trekken als de doelmatigheid op het spel staat,
bijvoorbeeld als een 'generieke naam' zoals
http://www.merkenbureau.nl op een verwarrende manier
wordt gebruikt, of als een particulier een merkhouder in
de weg zit, situaties waar het recht nu weinig vat op
heeft. Wie een domeinnaam ziet als een 'eigendom' zal
hier bezwaar tegen hebben. Maar wie zo'n naam beschouwt
als een middel tot een doel, ook ten behoeve van het
publiek, zal hier anders tegenaan kijken. In de
Telecommunicatiewet is geregeld, dat 'nummers' kunnen
worden ingetrokken ter wille van 'het doelmatig gebruik
in het algemeen maatschappelijk en economisch belang',
en het zou van pas komen als ook domeinnamen eventueel
in zulke gevallen zouden kunnen worden ingetrokken.
De SIDN is in de
huidige opzet als puur private organisatie niet in een
positie om een dergelijke taak te vervullen: dat is iets
voor een bestuursorgaan. Denkbaar is dat de SIDN dan
maar tot bestuursorgaan wordt gemaakt. Maar wellicht is
het beter, om een onderscheid te maken tussen enerzijds
de (technische) registratie – de core
business van de SIDN – en anderzijds deze
bestuurstaak, die - in de terminologie van de
Telecommunicatiewet - kan worden aangeduid als de toekenning
van domeinnamen, en die laatste taak elders onder te
brengen. Het spreekt overigens niet vanzelf dat dat bij
de OPTA zou moeten zijn. Dat blijkt uit de gang van
zaken bij de toekenning van naamnummers zoals
0800-MEDIAFORUM: [3]
die gebeurt weliswaar door de OPTA, maar de OPTA heeft
zelf aangegeven zo min mogelijk bemoeienis te willen
hebben met de toetsing van de gebruikte namen.
Omdat er aanzienlijke
belangen op het spel kunnen staan, is het aan te bevelen
om een eventuele wettelijke regeling niet te beperken
tot een enkele open norm, zoals nu in de
Telecommunicatiewet is gebeurd. De opdracht aan het
uitvoerende bestuursorgaan zal vrij nauwkeurig moeten
worden vastgelegd, ook al omdat de rechter in het
bestuursrecht als regel slechts marginaal toetst, [4]
en dus maar in beperkte mate aan de rechtsontwikkeling
kan bijdragen.
Aanhangers van het
gedachtegoed van de deregulering zullen zich misschien
verbazen over zoveel regelzucht. Toch is dit allemaal
ook weer niet zo heel esoterisch als men zich bedenkt
dat sinds jaar en dag vergelijkbare dingen gebeuren ter
wille van de (fysieke) ruimtelijke ordening. Nu de
'naamruimte' van de domeinnamen al bijkans net zo vol
raakt als ons dichtbevolkte land wordt de behoefte aan
een goede 'domein-naam-ruimtelijke ordening' steeds
sterker. Daar ligt toch ook een taak voor de overheid. |