De Europese Bill of Rights. Over de communicatiegrondrechten na Nice
Verschenen in Mediaforum 2001-2, p. 41.

L.F. Asscher


 

Van alle “eclatante successen” op de Eurotop in Nice, eind 2000, was de ondertekening van het grondrechtenhandvest misschien wel het meest feestelijk. Als pauze tijdens hun bloedige gevecht rond de stemverdeling en de toekomst van de Unie namen de regeringsleiders van Europa even tijd om te tekenen voor een ‘Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.’ Buiten werden de gestaalde kaders van de Europese vakbeweging met traangas op afstand gehouden. Binnen krasten de pennen.

Het Nederlandse parlement was niet op voorhand enthousiast. Gevreesd werd voor een moeizame verhouding met andere verdragen en voor onduidelijke doorwerking binnen de eigen nationale rechtsorde van zo’n handvest. De kritiek werd echter gesust met de mededeling dat het slechts gaat om een politiek statement zonder juridische bindendheid. Minister van Aartsen schreef de Kamer: “Immers, aan een politieke verklaring kan een EU-burger geen afdwingbare rechten ontlenen.”[1] 

De lezer van Mediaforum vraagt zich maar één ding af. Wat betekent dit Handvest voor het eigen vakgebied? Privacy, communicatiegeheim en vrijheid van meningsuiting zijn beschermd in de Grondwet en door internationale verdragen. Vraag is nu vooral wat de verhouding zal zijn tussen de teksten van het Handvest en die van andere bronnen als het EVRM. Het Handvest bevat daarover een expliciete bepaling, artikel 52 lid 3, die hierop neer komt dat het Handvest onder geen beding afbreuk doet aan de bescherming die wordt geboden door het EVRM.

Het grondrechtenhandvest beschermt de privacy in twee artikelen. De relationele privacy en het communicatiegeheim vinden we in artikel 7: ‘Everyone has the right to respect for his or her private and family life, home and communications.’ Dit artikel vertoont sterke gelijkenis met artikel 8 EVRM, met dien verstande dat het woord “correspondentie” is vervangen door “communicatie.” Dit is bewust gebeurd met het oog op de ontwikkelingen in de technologie. Toch zijn, blijkens de toelichting, het object, de reikwijdte en het beperkingsregime gelijk aan dat van artikel 8 EVRM.[2] Onduidelijk is waar bij een recht op respect voor communicatie het onderscheid met openbare communicatie ligt.

Een apart artikel beschermt de informationele privacy: Artikel 8 Handvest: 1. Everyone has the right to the protection of personal data concerning him or her. 2. Such data must be processed fairly for specified purposes and on the basis of the consent of the person concerned or some other legitimate basis laid down by law. Everyone has the right of access to data which has been collected concerning him or her, and the right to have it rectified. 3. Compliance to these rules shall be subject to control by an independent authority.’ Dit artikel is blijkens de toelichting gebaseerd op de privacyrichtlijn en op artikel 8 EVRM. Interessant is het derde lid waarin een onafhankelijke toezichthouder geëist wordt. Nu het Handvest juist ook bedoeld is als bescherming tegen schendingen door EU-organen zelf, mag dit worden uitgelegd als een aanzet tot een Europese Registratiekamer.

De vrijheid van meningsuiting is in het Handvest als volgt geformuleerd: 1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall include freedom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. 2. The freedom and pluralism of the media shall be respected.

Wederom meldt de toelichting dat eventuele beperkingen op dit recht die van artikel 10 lid 2 EVRM niet mogen overschrijden. In de toelichting staat wel aangegeven dat de Unie zich het recht voorbehoudt om de vergunningstelsels die artikel 10 EVRM mogelijk maakt, te toetsen aan het Europese mededingingsrecht. Vooralsnog is onduidelijk of in het tweede lid een positieve verplichting kan worden gelezen om de pluraliteit te bevorderen.[3]

Biedt het Handvest nu een verbetering voor de bescherming van de communicatiegrondrechten? Het feit dat binnen het algemene privacyartikel nu is gekozen voor “communicatie” lijkt een duidelijke bevestiging van de theorie dat het communicatiegeheim geldt ongeacht het gebruikte communicatiemiddel. Het had ook veel mooier kunnen zijn. Het Handvest bevat verder geen bepalingen die specifiek met het oog op de informatiesamenleving zijn geschreven. Geen recht op het gebruik van encryptie, geen recht op anoniem communiceren.[4] Zo bezien is het Handvest wellicht teleurstellend. Het artikel dat specifiek persoonsgegevens beschermt, kan misschien gezien worden als een reactie op privacybedreigingen in de informatiesamenleving.

Welk belang hebben deze punten nu in de praktijk voor de bescherming van de communicatiegrondrechten? Het is immers slechts een politieke verklaring? Een zekere invloed valt toch te verwachten. Ten eerste zal het Handvest gebruikt gaan worden als inspiratiebron door rechters. Ten tweede ligt het voor de hand dat er in de toekomst wél gekozen wordt voor een juridisch bindend verdrag, en de kans dat dan opnieuw over de inhoud onderhandeld wordt, lijkt klein.[5] Het is te hopen dat dan ook een uitgebreidere toelichting wordt gegeven. Per saldo is het uiteindelijk een positieve ontwikkeling dat de Unie een voorzichtig begin maakt met een eigen Bill of Rights.

Overigens ben ik van mening dat de EU moet toetreden tot het EVRM.

 


[1] Kamerstukken II, 2000/01, 27 407, nr. 8, p. 2.

[2] Toelichting CHARTE 4473/00, p. 10.

[3] In de Nederlandse (onofficiële) versie is pluralism overigens vertaald als pluriformiteit.

[4] Vgl. L.F. Asscher, ‘Naar een eEurope van de burgers’, NJB 2000-14, p. 762-763.

[5] Vgl. R.A. Lawson, ‘Het EU-grondrechtenhandvest’, NJCM-Bulletin 2000-5, p. 925-935.


Geplaatst 03.01.2001