|
'Sick stuff', noemde burgemeester Giuliani van
New York de kunstwerken op de tentoonstelling Sensation in het Brooklyn
Museum of Art. Zijn walging betrof vooral het hier afgebeelde kunstwerk van
Chris Ofili, The Holy Virgin Mary. Een werk dat een schandelijke
ontheiliging van het Katholieke geloof inhield. Al gauw ontstond er werkelijk
sensatie, want Giuliani liet het er niet bij zitten. Een groot aantal
persconferenties werd belegd, en de eerste burger verzocht het museum de
tentoonstelling af te blazen, of althans het gewraakte kunstwerk te verwijderen.
Aan dat verzoek werd een aantal serieuze dreigementen toegevoegd, zoals het
onmiddellijk stopzetten van de subsidie en uitzetting van het museum uit het
gebouw dat het al ruim honderd jaar van de stad NY huurde. Dit leidde tot felle
reacties uit de kunstwereld. De zaak kwam in het centrum van de belangstelling
te staan, en er werd een heuse 'rally' georganiseerd voor de vrijheid van het
museum. Als kersverse en betrokken inwoonster van de staat New York, kon de
first lady niet lang stil blijven. Hillary liet weten zelf nooit naar een
dergelijke schokkende expositie te zullen gaan, maar dat de burgemeester zich er
niet mee mocht bemoeien. Amerikaanse burgers moeten zelf kunnen uitmaken of ze
zo'n tentoonstelling willen bezoeken.
|
|
Wat maakte het werk dat de toorn van Giuliani
opriep nu zo schokkend? The Holy Virgin Mary toont een lieflijke zwarte
Madonna, met een klomp olifantenpoep bij wijze van rechterborst. Maria draagt
een blauwgrijze jurk die als een bloem is gedrapeerd op een glanzend gouden
achtergrond. Als kleurige putti zijn om Maria heen knipsels uit pornoblaadjes
geplakt. Het werk lijkt geïnspireerd op Gustav Klimt en de Op-art beweging. Had
Ofili het werk My Friend Mildred genoemd, er zou geen haan naar gekraaid
hebben (aldus de New York Times, 5 oktober 1999). Sommige andere werken
op de tentoonstelling, zoals een doorgezaagd varken en een rottende koeienkop
van Damien Hirst, of een borstbeeld van bevroren mensenbloed, zouden overigens
ook best als schokkend kunnen worden ervaren. Het museum had dan ook de
hiernaast weergegeven 'health warning' bij de tentoonstelling opgenomen.
|
|
De verdedigers van Ofili merkten op dat
olifantenpoep in de Afrikaanse kunst geen ongebruikelijk materiaal is. Olifanten
symboliseren kracht en olifantenpoep staat voor vruchtbaarheid. Bovendien is
Ofili als gelovig katholiek per definitie onverdacht. De kunstenaar zelf zegt
daarentegen dat hij de olifantenpoep een dubbele betekenis heeft willen geven.
Het werk is bedoeld om te provoceren en heeft de bedoeling het blanke publiek op
ironische wijze te confronteren met het beeld dat bestaat van zwarte
kunstenaars. 'It's what people really want from black artists, we're the voodoo
king, the witch doctor, the drug dealer. I'm giving them all that'.
|
 |
Al gauw voegden de adviseurs van Giuliani een
tweede element toe om de publiciteitsslag te laten kantelen in het voordeel van
Rudy. De show zou een slecht gemaskeerde poging tot zelfverrijking zijn van
Saatchi, de rijke verzamelaar aan wie alle tentoongestelde kunstwerken
toebehoren. Daar komt nog bij dat de tentoonstelling gesponsord is door
veilinghuis Christie's, dat er zelf vast ook baat bij heeft dat de kunstwerken
in waarde stijgen. En moeten de arme burgers van New York daar belasting voor
betalen?
De gemeente schortte de betaling van subsidie
op en startte de uitzettingsprocedure tegen het museum. Het museum gaf geen
krimp, en reageerde met een kort geding tegen Giuliani waarin onmiddellijke
schorsing van genoemde maatregelen werd geëist. Het Brooklyn District Court
oordeelde bij monde van judge Nina Gershon, dat Giuliani met zijn aanvallen op
het museum in strijd had gehandeld met het First Amendment (US District Court of
New York 1 november 1999, Brooklyn Institute of Arts/NY and Giuliani).
Met een donderende overweging voegt zij Giuliani toe, dat 'there is no
constitutional issue more grave than the effort by government officials to
censor works of expression and to threaten the vitality of a major cultural
institution as punishment for failing to abide by governmental demands for
orthodoxy.' Het Amerikaanse Hooggerechtshof had weliswaar in 1998 uitgemaakt dat
bij subsidieverlening een zekere toets aan fatsoensnormen is toegestaan (National
Endowment for Arts v. Finley, 524 U.S. 569 (1998) ), voor dit soort
punitieve acties laat het First Amendment geen ruimte.
Is een dergelijke casus in een Nederlandse
situatie voorstelbaar? Het Stedelijk Museum kocht het werk Waste aan, een
glazen doos met ziekenhuisafval (van eerdergenoemde Damien Hirst), maar
burgemeester Patijn onthield zich van een persconferentie waarin hij het
spenderen van belastingguldens aan deze beschimping van de volksgezondheid
veroordeelde. Als de overheid in reactie op deze aankoop of op bijvoorbeeld het
exposeren door het Groninger Museum van de omstreden foto's van Serrano
plotseling de subsidie zou intrekken, kan de rechter dan iets doen?
Zoals gewoonlijk biedt artikel 7 Grondwet geen
soelaas. Het artikel verbiedt, in het derde lid, weliswaar voorafgaand toezicht
vanwege de inhoud, maar het achteraf intrekken van subsidie kan niet als zodanig
gekwalificeerd worden. Verder biedt de Grondwet alleen artikel 22 lid 3, waarin
een instructienorm tot het bevorderen van culturele ontplooiing gelegen is. Ook
artikel 10 EVRM biedt vermoedelijk geen uitkomst. Het is zeer de vraag of de
rechter bereid is het intrekken van de subsidie te kwalificeren als een
beperking in de zin van het tweede lid. Zo dat al gedaan wordt, dan heeft een
nationale overheid traditiegetrouw een grote beoordelingsvrijheid als het gaat
om obsceniteit en overige vormen van goede smaak (zie bijvoorbeeld EHRM 24 mei
1988, NJ 1991, 685, m.nt. EAA).
Toch kan met artikel 22 lid 3 Grondwet in de
hand wellicht iets worden bereikt. De daarin vervatte opdracht aan de overheid
kan weliswaar slechts worden uitgelegd als een aansporing tot het voeren van
kunstbeleid, en biedt daarom geen maatstaven om dat kunstbeleid vervolgens te
toetsen. Wel kan betoogd worden dat artikel 22 lid 3 Grondwet impliceert dat de
beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn op het te voeren
kunstenbeleid.[1] In
dat licht zouden de acties van een Giuliani of Patijn wellicht toch onrechtmatig
bevonden worden.
Het tweede element van de Sensation-zaak
komt ons bekend voor. De weerstand tegen een te grote invloed van sponsoren is
zeker ook in Nederland actueel. Enerzijds worden kunstinstellingen aangespoord
te zoeken naar private financiering. Anderzijds ontdoet dat de overheid niet van
haar ideële verantwoordelijkheid voor het cultuurbeleid. Het plan om van het
Stedelijk voor een prikkie een Audi-showroom te maken, haalde het niet in de
Gemeenteraad. En ook in de code voor cultuursponsoring wordt gewaakt voor een
vermenging van commerciële met artistieke belangen. Artikel 3.1 van de Code
Cultuursponsoring bepaalt dat zowel de gesponsorde als de sponsor...de plicht
hebben zorg te dragen voor de inhoudelijke onafhankelijkheid van de culturele
instelling.
Alles goed beschouwd blijft een beoordeling van
het kunstbeleid in het licht van de communicatievrijheid een heikele
onderneming. Hier conflicteert de onthoudingsplicht van de overheid met het
sociale grondrecht op een door de overheid gestimuleerd kunstenaanbod. Het is
daarbij zaak goed te onderscheiden welke doelen de overheid nastreeft met haar
subsidiebeleid. In dat licht moeten de plannen van staatssecretaris Van der
Ploeg genoemd worden om instellingen die niet voldoende allochtone of jongere
bezoekers trekken, een strafkorting op de toegezegde subsidie te geven. Het
voeren van een minderhedenbeleid onder het mom van cultuurhervorming kan mijns
inziens onder omstandigheden gekwalificeerd worden als een beperking van de
communicatievrijheid. Toetsing aan artikel 10 EVRM ligt dan in het verschiet.
Overigens zou het werk van Ofili de goedkeuring van de staatssecretaris
vermoedelijk wel kunnen wegdragen. Sensation trekt enorme aantallen jonge,
etnisch diverse bezoekers. Ofili zegt niet voor niets over zijn interpretatie
van de Heilige Maagd: 'Mine is simply a hip hop version'.
|