Noot bij Bernstein v. USDOJ et al.
U.S. Court of Appeals for the Ninth Circuit 6 mei 1999

L.F. Asscher


 
1.      Aanleiding tot bovenstaand geding is het Amerikaanse exportverbod voor verleutelingssoftware ofwel encryptie. Export zonder vergunning is verboden, en als export geldt iedere publicatie die de mogelijkheid open laat van actieve of passieve toegang door een buitenlander binnen of buiten de Verenigde Staten. Het exportverbod leidt al jaren tot fel debat tussen voor- en tegenstanders van de vrije verspreiding van encryptie. De zogenaamde cryptowar wordt gevoerd tussen de veiligheidsdiensten en opsporingsautoriteiten enerzijds en de computerindustrie en de mensenrechtenorganisaties anderzijds. De eersten vrezen niet meer alle communicatie van pedofielen, terroristen en andere boeven af te kunnen tappen als die de beschikking krijgen over sterke versleutelingsprogramma's. De softwareproducenten zijn juist bang achterop te raken in de internationale concurrentieslag als gevolg van het verbod. De mensenrechtenorganisaties strijden voor het recht van een ieder zijn communicatie te beschermen.

2.       Daniel Bernstein is hoogleraar wiskunde aan de universiteit van Illinois, Chicago. Als student ontwikkelde Bernstein een encryptie-methode en doopte die 'Snuffle'. De methode legde hij neer in twee computerprogramma's. Deze programma's zijn geschreven in computertaal C, zogenaamde source code of broncode. Later schreef hij ook een gebruiksaanwijzing in het Engels. De Amerikaanse overheid deelde Bernstein desgevraagd mee dat hij voor publicatie van Snuffle een vergunning nodig had. Immers, Snuffle was munitie op grond van de International Traffic in Arms Regulations en viel onder het exportverbod.

3.       Bernstein bracht de zaak voor de rechter waarbij hij de grondwettelijkheid van de exportregels bestreed. Zijn beroep op het first amendment slaagde eerst bij de District Court en nu bij het Court of Appeals for the Ninth Circuit, het Hof dat onder andere jurisdictie heeft over silicon valley.

4.      Bernstein voert aan dat de exportregels een ontoelaatbare voorafgaande beperking vormen en daarmee in strijd zijn met het first amendment. Voorafgaande beperkingen kunnen leiden tot zelfcensuur en verborgen misbruik door de vergunninggevende instantie. Indien een systeem van vergunningen een overheidsinstantie de mogelijkheid geeft tussen uitingen te discrimineren op grond van inhoud of spreker en indien de beperking in voldoende nauw verband staat met expressie om gevaar van censuur te veroorzaken, is er sprake van een voorafgaande beperking met de grondwettelijke schijn tegen. Aan de eerste voorwaarde is reeds voldaan aangezien er geen sprake is van reële controle op de instanties die de vergunningen verlenen (r.o A4).

5.      De belangrijkste rechtsvraag is hier: is de broncode voor encryptie expressie in de zin van het first amendment? Broncode is de tekst van een programma in een hoge programmeertaal, het hart van een programma. Object code daarentegen is bedoeld voor het uitvoeren van een programma, en is binair weergegeven (in nullen en enen). Het Hof analyseert in vijf stappen in hoeverre source code geldt als uiting in de zin van het first amendment (r.o. A4, A5). i. Broncode is specifiek bedoeld om gelezen en begrepen te worden door mensen. ii. Broncode kan niet direct gebruikt worden om een computer te besturen (daarvoor moet het eerst vertaald worden in objectcode). iii. Voor het schrijven van broncode gelden strenge regels van grammatica, syntax en interpunctie waardoor alleen programmeurs die de betreffende programmeertaal beheersen de broncode kunnen lezen. iv. Broncode wordt in de cryptografie gebruikt om ideeën met betrekking tot algoritmes weer te geven. v. Cryptografie is niet de enige wetenschap waar de behoefte bestaat aan grote precisie bij het formuleren en testen van hypothesen. Zoals wiskundigen vergelijkingen nodig hebben, zoals economen zich beroepen op grafieken, zo maken cryptografen gebruik van broncode om hun ideeën te uiten. Daaraan doet niet af dat er ook alternatieve communicatiemiddelen waren, broncode is, zoals gebruikt door cryptografen, een uiting in de zin van het first amendment.

6.      Het tegenargument van de regering is dat broncode anders is dan andere uitingen aangezien het kan worden gebruikt om direct een computer te besturen. Dit argument gaat volgens het Hof om twee redenen niet op. Ten eerste is broncode vooral geschreven voor menselijke analyse en begrip. Ten tweede is het niet zo dat one drop of direct functionality een uiting buiten de constitutionele bescherming plaatst. Dan merkt het Hof op dat dit des te meer geldt nu de technologische ontwikkelingen zorgen voor steeds meer computermogelijkheden waarbij de scherpe grens tussen expressie en functie ook niet altijd te trekken is. Het Hof erkent hiermee de invloed en gevolgen van technologische verandering op het first amendment. Hins acht software beschermd door artikel 7 lid 3 Gw en 10 EVRM indien zo'n programma tot doel heeft informatie toegankelijk te maken (A.W. Hins, 'Gedachten en gevoelens over de elektronische snelweg' in: Communicatie- en informatievrijheid in het digitale tijdperk, Publicaties van de Staatsrechtkring, nr. 11, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 31, 32.). Me dunkt dat ook programma's die informatie juist ontoegankelijk maken in sommige gevallen op grond van dezelfde redening beschermd zullen zijn.

7.      Kortom: de exportverboden zijn een voorafgaande beperking. Die beperking is ontoelaatbaar aangezien de procedurele waarborgen in het vergunningensysteem volstrekt ontoereikend zijn (r.o. B12-B14). Dat maakt de exportregels unconstitutional maar, zo merkt het Hof nadrukkelijk op, met deze uitspraak is niet beoogd alle software onder het first amendment te brengen.

8.      Het Hof wijst er nog op dat de pogingen van de overheid om de verspreiding van kennis over encryptie te beheersen veel meer raken dan alleen de uitingsvrijheid van cryptografen. Hier raakt het Hof een snaar die ook in Nederland gevoelig is. Immers, zo merkt het Hof op, alle nieuwe technologie heeft er voor gezorgd dat we geheel afhankelijk zijn van techniek voor onze communicatie en dat we daarbij steeds minder privacy hebben; 'it is fair to say that never has our ability to shield our affairs from prying eyes been at such a low ebb.' Encryptie biedt ons de mogelijkheid iets van die verloren privacy terug te winnen en daarom hebben de exportverboden implicaties voor ons allen als 'potential recipients of encryption's bounty'. Hier zijn in het geding het recht anoniem te uiten, het recht tegen gedwongen uitingen, het recht op informationele privacy en het fourth amendment dat ziet op huiszoeking en communicatiegeheim. In Nederland is de 'Commissie digitale grondrechten' belast met de opdracht te adviseren over een aanpassing van de Grondwet met het oog op de technologische turbulentie (Besluit van 23 februari 1999, Stb. 1999, 101). In de Nota Wetgeving voor de Elektronische Snelweg gaf de regering reeds aan dat encryptie wat haar betreft vrij moet blijven (Kamerstukken II 1997/98, 25 880 nrs. 1-2, p. 10). Wellicht moet de vrijheid om de eigen communicatie te beschermen nu ook een constitutionele basis krijgen.

9.      De laatste stand van zaken is dat een voorstel is ingediend waarin de exportverboden (grotendeels) worden opgeheven. De strijd lijkt zich in de VS kortom te ontwikkelen in het voordeel van de cryptovrijheid. Tegelijkertijd is echter een voorstel in omloop dat de overheid in staat stelt om sleutels die zich bij derden bevinden op te eisen teneinde geëncrypteerde communicatie te kunnen ontcijferen. Even afwachten dus of er nu cryptovrede komt of dat slechts sprake is van een Pyrrusoverwinning voor Bernstein. Het Department of Commerce heeft een rehearing aangevraagd.


Geplaatst 08.10.1999