De vrijheid om politici te kwetsen
Verschenen in Het Parool 18 mei 2002, p. 19 (Meningen Opinie)

L.F. Asscher


DE AANKLACHT TEGEN NRC Handelsblad en enkele politici wegens aanzetten tot haat is als campagnestunt van de Lijst Pim Fortuyn wellicht geschikt, juridisch is zij vrijwel kansloos. Het was niet smaakvol van D66-leider Thom de Graaf Anne Frank in stelling te brengen tegen Fortuyn, maar strafbaar was het evenmin.

Uitingsvrijheid geldt niet alleen voor meningen die gunstig worden ontvangen. Ze is er ook om te kwetsen, te schokken en te verontrusten. Die vrijheid is essentieel voor het functioneren van de democratie en voor het vrije publieke debat. En de rechter heeft uitgemaakt dat de vrijheid het grootst is wanneer het gaat om uitingen die direct deel uitmaken van het politieke debat. Publieke figuren moeten zich in dat verband hardere uitlatingen laten welgevallen dan anderen.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de Oostenrijkse journalist Peter Michael Lingens nog veroordeeld omdat hij de toenmalige kanselier Bruno Kreisky had beschuldigd van 'misselijkmakend opportusme' en zijn gedrag 'immoreel' en 'onterend' had genoemd. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens tikte vervolgens de Oostenrijkse rechter op de vingers: een politicus mag in veel hardere bewoordingen bekritiseerd worden dan een gewone burger. Natuurlijk hebben ook politici recht op bescherming van eer en goede naam, maar die bescherming moet worden afgewogen tegen het belang van open debat over politieke zaken.

Enige jaren later noemde een andere Oostenrijkse journalist Jörg Haider een 'trottel', zoiets als 'een idioot'. Ook hij werd veroordeeld door de plaatselijke rechter, maar later in het gelijk gesteld door het mensenrechtenhof. Een waardeoordeel hoef je als journalist niet te bewijzen. De woordkeuze was volgens het hof niet disproportioneel, zeker niet omdat die gebruikt werd in een reportage over een speech waarin Haider beweerde dat soldaten van beide kanten in de Tweede Wereldoorlog hadden gevochten voor vrede en vrijheid.

Ook de Nederlandse rechter geeft aan dat waardeoordelen vrij zijn. Over politici kan men negatieve waardeoordelen uiten wat men wil, zolang ze althans niet nodeloos grievend zijn. En zelfs dan kan er nog vrij veel door de beugel.

Moeilijker wordt het als politici worden beschuldigd van feiten. De beschuldiging dat iemand een racist is of een xenofoob, bestaat gedeeltelijk uit een waardeoordeel, maar behoeft wel degelijk enige feitelijke onderbouwing.

Beschuldigingen van fascistische of nazigezindheid behoren tot de ergste die men kan uiten. In een derde Oostenrijkse zaak kwam dat probleem aan de orde. Een politicus deed in verkiezingstijd het voorstel Oostenrijkse vrouwen vijftig procent meer kinderbijslag te verlenen en immigrantenvrouwen juist de helft minder. Journalist Gerhard Oberschlick vergeleek dit voorstel met het beleid van de Duitse nazipartij. Ook deze journalist kreeg van de Weense rechter op zijn kop, maar werd vervolgens vrijgepleit door de Europese rechter: 'Vrijheid van meningsuiting in het politieke debat is een kernwaarde in een democratische maatschappij.'

Juist politici moeten zich realiseren dat ze blootstaan aan kritiek die ook ongezouten mag zijn. Dit geldt te meer wanneer de politicus die wordt aangepakt zelf ook uitspraken heeft gedaan die heftige kritiek of debat oproepen.

Kortom, de kranten die zich scherp hebben uitgelaten over Fortuyn, de politici die hem in het debat pittig hebben aangepakt op zijn visie op immigratie, hebben niet aangezet tot haat. Zij hebben bijgedragen aan het robuuste politieke debat dat hoort bij een democratische samenleving.

LODEWIJK ASSCHER
onderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht aan de UvA en PvdA-gemeenteraadslid in Amsterdam.


Geplaatst 05.06.2002