|
DE AANKLACHT TEGEN NRC Handelsblad en enkele
politici wegens aanzetten tot haat is als campagnestunt van de Lijst Pim Fortuyn
wellicht geschikt, juridisch is zij vrijwel kansloos. Het was niet smaakvol van
D66-leider Thom de Graaf Anne Frank in stelling te brengen tegen Fortuyn, maar
strafbaar was het evenmin.
Uitingsvrijheid geldt niet alleen voor meningen
die gunstig worden ontvangen. Ze is er ook om te kwetsen,
te schokken en te verontrusten. Die vrijheid is essentieel voor het functioneren
van de democratie en voor het vrije publieke debat. En de rechter heeft
uitgemaakt dat de vrijheid het grootst is wanneer het gaat om uitingen die
direct deel uitmaken van het politieke debat. Publieke figuren moeten zich in
dat verband hardere uitlatingen laten welgevallen dan anderen.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de
Oostenrijkse journalist Peter Michael Lingens nog veroordeeld omdat hij de
toenmalige kanselier Bruno Kreisky had beschuldigd van 'misselijkmakend
opportusme' en zijn gedrag 'immoreel' en 'onterend' had genoemd. Het Europese
Hof voor de Rechten van de Mens tikte vervolgens de Oostenrijkse rechter op de
vingers: een politicus mag in veel hardere bewoordingen bekritiseerd worden dan
een gewone burger. Natuurlijk hebben ook politici recht op bescherming van eer
en goede naam, maar die bescherming moet worden afgewogen tegen het belang van
open debat over politieke zaken.
Enige jaren later noemde een andere
Oostenrijkse journalist Jörg Haider een 'trottel', zoiets als 'een idioot'. Ook
hij werd veroordeeld door de plaatselijke rechter, maar later in het gelijk
gesteld door het mensenrechtenhof. Een waardeoordeel hoef je als journalist niet
te bewijzen. De woordkeuze was volgens het hof niet disproportioneel, zeker niet
omdat die gebruikt werd in een reportage over een speech waarin Haider beweerde
dat soldaten van beide kanten in de Tweede Wereldoorlog hadden gevochten voor
vrede en vrijheid.
Ook de Nederlandse rechter geeft aan dat
waardeoordelen vrij zijn. Over politici kan men negatieve waardeoordelen uiten
wat men wil, zolang ze althans niet nodeloos grievend zijn. En zelfs dan kan er
nog vrij veel door de beugel.
Moeilijker wordt het als politici worden
beschuldigd van feiten. De beschuldiging dat iemand een racist is of een
xenofoob, bestaat gedeeltelijk uit een waardeoordeel, maar behoeft wel degelijk
enige feitelijke onderbouwing.
Beschuldigingen van fascistische of
nazigezindheid behoren tot de ergste die men kan uiten. In een derde
Oostenrijkse zaak kwam dat probleem aan de orde. Een politicus deed in
verkiezingstijd het voorstel Oostenrijkse vrouwen vijftig procent meer
kinderbijslag te verlenen en immigrantenvrouwen juist de helft minder.
Journalist Gerhard Oberschlick vergeleek dit voorstel met het beleid van de
Duitse nazipartij. Ook deze journalist kreeg van de Weense rechter op zijn kop,
maar werd vervolgens vrijgepleit door de Europese rechter: 'Vrijheid van
meningsuiting in het politieke debat is een kernwaarde in een democratische
maatschappij.'
Juist politici moeten zich realiseren dat ze
blootstaan aan kritiek die ook ongezouten mag zijn. Dit geldt te meer wanneer de
politicus die wordt aangepakt zelf ook uitspraken heeft gedaan die heftige
kritiek of debat oproepen.
Kortom, de kranten die zich scherp hebben
uitgelaten over Fortuyn, de politici die hem in het debat pittig hebben
aangepakt op zijn visie op immigratie, hebben niet aangezet tot haat. Zij hebben
bijgedragen aan het robuuste politieke debat dat hoort bij een democratische
samenleving.
LODEWIJK ASSCHER
onderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht aan de UvA en
PvdA-gemeenteraadslid in Amsterdam. |