Een zorg voor de nieuwe Grondwetscommissie
Gastcommentaar Mediaforum 25-01-1999

L.F. Asscher


 

Minister Peper van Binnenlandse zaken heeft mede namens de minister-president en zijn collega's van OCW en V&W aangekondigd dat er een commissie zal worden ingesteld met de opdracht te adviseren inzake de gevolgen van nieuwe informatie- en communicatietechnologie voor de grondrechten. Het onderzoek van de commissie zal zich vooral moeten richten op de artikelen 7 (vrijheid van meningsuiting) en 13 (brief-, telefoon- en telegraafgeheim) en zal ook betrekking hebben op artikel 10 (privacy). Een van de knelpunten in de huidige Grondwet is dat het beschermingsniveau van communicatie afhankelijk is gesteld van het gebruikte communicatiemiddel. Zo is het telefoongeheim zwakker dan het briefgeheim en mag communicatie via radio en televisie meer beperkt worden dan uitingen via de drukpers. Convergentie van de verschillende communicatietechnieken maakt een dergelijk onderscheid steeds minder hanteerbaar.

Met het oog op het onderzoek wordt de verdere behandeling van het voorstel tot wijziging van artikel 13 vooralsnog aangehouden. Dit laatste nieuws zal voor velen een opluchting zijn, gezien de brede kritiek op het voorstel in de literatuur en in beide Kamers.[1]  In de Eerste Kamer werd het voorstel zelfs tot 'hapsnap werk' bestempeld.

Het is op zichzelf een verstandig idee om te komen tot een algemeen debat over de bescherming van de grondrechten die zien op communicatie. De minister wil het advies graag in mei 2000 op zijn bureau hebben om dan het gehele wetgevingstraject vóór maart 2002 te volbrengen. Deze tijdsplanning herbergt toch een zeker risico. Het is misschien beter bij een zo belangrijk en omvangrijk project de commissie de ruimte te gunnen om alle aspecten grondig te bezien.

De minister geeft de commissie vooralsnog geen inhoudelijke aanwijzingen mee over de richting van het onderzoek. Wel wordt opgemerkt dat het tot de mogelijkheden behoort dat de commissie met een nieuw grondrecht met betrekking tot toegankelijkheid van (elektronische) (overheids-) informatie op de proppen komt. Bovendien wordt verwezen naar de Nota Wetgeving voor de Elektronische Snelweg (Nota WES) waarin het standpunt gehuldigd wordt dat sprake zou moeten zijn van een 'zekere mate van technologie-onafhankelijkheid'.[2] 

Twee weken na het aankondigen van de Grondwetscommissie beantwoordt de regering een lijst vragen over de Nota WES. Daarin wordt een aantal belangwekkende punten aangestipt. Zo wordt gesteld dat de overheid diverse instrumenten ten dienste staan om de toegankelijkheid en pluriformiteit van de informatievoorziening te garanderen. Daarbij moet voorop staan dat in de maatschappij 'door middel van haar georganiseerde verbanden' een dergelijke informatievoorziening tot stand komt.[3] 

In hoeverre moet nu de nieuwe adviescommissie dit onderdeel van het beleid bij haar werk betrekken? In hoeverre moet een zorgplicht van de overheid met betrekking tot toegang en pluriformiteit worden opgenomen in een nieuwe communicatieparagraaf?

Dommering geeft een voorbeeld van een mogelijke Grondwetsbepaling op dit punt: 'De overheid treft bij wet maatregelen ter bescherming van de pluriformiteit van het informatie-aanbod en de toegang tot de communicatiemiddelen, voor zover dat in een democratische samenleving noodzakelijk is en rekening houdend met de behoorlijke mededinging. De overheid kan ten aanzien van door haar ondersteund informatie-aanbod bij wet taakstellende eisen stellen, voor zover dat niet ziet op de inhoud van de informatie'[4] 

Toegangsvraagstukken kunnen op diverse niveaus de (informatie-)grondrechten raken. Het kan gaan om vrije toegang tot de markt, toegang tot (overheids-) informatie of toegang tot natuurlijke hulpbronnen die nodig zijn voor communicatie zoals het spectrum. Het is te verdedigen dat deze toegangsrechten alle deel uitmaken van of essentieel zijn voor de uitingsvrijheid. Van het recht om uitingen te verspreiden is dat in de jurisprudentie traditioneel reeds aangenomen. De regering erkent de mogelijke noodzaak van het garanderen van toegangsrechten, maar wil eerst afwachten of de elektronische snelweg zich ontwikkelt tot een onmisbare informatiebron.[5]  Die vraag kan mijns inziens nu reeds bevestigend beantwoord worden. Opvallend is in dit verband dat PvdA-fractievoorzitter Melkert onlangs reeds pleitte voor gelijke toegang tot het Internet, dat hij en passant 'het pen en papier van de toekomst' noemde.[6] 

Van een ietwat ander karakter is het recht op pluriforme informatievoorziening. Een garantie van pluriformiteit lijkt te duiden op een inhoudelijke zorplicht van de overheid die zich moeilijk laat verenigen met het traditionele onthoudings-karakter van artikel 7 Grondwet. Nu zijn er eerder stemmen opgegaan om aan artikel 7 een dergelijke richtsnoerfunctie te verlenen. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa omschrijft de zorgplicht van de overheid als volgt: '[states...] should adopt policies designed to foster as much as possible a variety of media and a plurality of information sources, thereby allowing a plurality of ideas and opinions'.[7]  Misschien is het nodig om de strijd tegen de Amerikaanse culturele hegemonie, het zogenoemde 'Disney effect', in onze Grondwet vast te leggen.[8] 

Anderzijds vormt het vastleggen van een dergelijke overheidstaak wellicht een beperking van de uitingsvrijheid. Was het grondrecht niet juist bedoeld om ons te vrijwaren van een overheid die voor ons bepaalt welke informatie er geuit en ontvangen kan worden? Onlangs ontstond nog beroering toen de voorzitter van het Commissariaat voor de Media een inhoudelijke taak voor dat college suggereerde. Is de term 'pluriformiteit' een Trojaans paard, gevuld met paternalistische overheidsfunctionarissen?

De afstemming tussen zorg en onthouding is slechts één van de complexe problemen waarvoor de commissie een oplossing zal moeten bedenken. Het is een probleem dat de grondslagen van de democratie raakt.

 


[1]  N.A.N.M. van Eijk, '(G)een recht op vertrouwelijke communicatie', NJB 1997, p. 1554-1555; E.J. Dommering, 'Geen telefoongeheim op elektronische snelweg', Mediaforum 1997, 142-147; zie ook: A.J. Nieuwenhuis, 'Vertrouwde en virtuele bescherming', NJCM-bulletin 1998, p. 423. [Terug naar tekst]

[2]  Kamerstukken II 1998/99, 25443 nr. 16, p. 1-3. [Terug naar tekst]

[3]  Kamerstukken II 1998/99, 25880 nr. 3, p. 28, 31. [Terug naar tekst]

[4]  De discussie is geopend in: E.J. Dommering, 'De Grondwet in de informatiesamenleving' in: M.C. Burkens (red.), Gelet op de Grondwet, Den Haag: Ministerie van binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, directie Constitutionele Zaken en Wetgeving 1998, p. 110-123. [Terug naar tekst]

[5]  Kamerstukken II 1998/99, 25880, nrs. 1-2, p. 151-153. [Terug naar tekst]

[6]  Interview in Vrij Nederland 16 januari 1999, p. 12. [Terug naar tekst]

[7]  'Declaration on freedom of expression and information', in: Council of Europe activities in the mass media field, Strassbourg 1986, aangehaald in: F. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten. Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en zociale grondrechten, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 154. [Terug naar tekst]

[8]  Kamerstukken II 1997/98, 25880, nrs. 1-2, p. 155.  [Terug naar tekst]


Geplaatst 03.02.1999