|
Minister Peper van Binnenlandse zaken heeft
mede namens de minister-president en zijn collega's van OCW en V&W
aangekondigd dat er een commissie zal worden ingesteld met de opdracht te
adviseren inzake de gevolgen van nieuwe informatie- en communicatietechnologie
voor de grondrechten. Het onderzoek van de commissie zal zich vooral moeten
richten op de artikelen 7 (vrijheid van meningsuiting) en 13 (brief-, telefoon-
en telegraafgeheim) en zal ook betrekking hebben op artikel 10 (privacy). Een
van de knelpunten in de huidige Grondwet is dat het beschermingsniveau van
communicatie afhankelijk is gesteld van het gebruikte communicatiemiddel. Zo is
het telefoongeheim zwakker dan het briefgeheim en mag communicatie via radio en
televisie meer beperkt worden dan uitingen via de drukpers. Convergentie van de
verschillende communicatietechnieken maakt een dergelijk onderscheid steeds
minder hanteerbaar.
Met het oog op het onderzoek wordt de verdere
behandeling van het voorstel tot wijziging van artikel 13 vooralsnog
aangehouden. Dit laatste nieuws zal voor velen een opluchting zijn, gezien de
brede kritiek op het voorstel in de literatuur en in beide Kamers.[1]
In de Eerste Kamer werd het voorstel zelfs tot 'hapsnap werk' bestempeld.
Het is op zichzelf een verstandig idee om te
komen tot een algemeen debat over de bescherming van de grondrechten die zien op
communicatie. De minister wil het advies graag in mei 2000 op zijn bureau hebben
om dan het gehele wetgevingstraject vóór maart 2002 te volbrengen. Deze
tijdsplanning herbergt toch een zeker risico. Het is misschien beter bij een zo
belangrijk en omvangrijk project de commissie de ruimte te gunnen om alle
aspecten grondig te bezien.
De minister geeft de commissie vooralsnog geen
inhoudelijke aanwijzingen mee over de richting van het onderzoek. Wel wordt
opgemerkt dat het tot de mogelijkheden behoort dat de commissie met een nieuw
grondrecht met betrekking tot toegankelijkheid van (elektronische) (overheids-)
informatie op de proppen komt. Bovendien wordt verwezen naar de Nota Wetgeving
voor de Elektronische Snelweg (Nota WES) waarin het standpunt gehuldigd wordt
dat sprake zou moeten zijn van een 'zekere mate van
technologie-onafhankelijkheid'.[2]
Twee weken na het aankondigen van de
Grondwetscommissie beantwoordt de regering een lijst vragen over de Nota WES.
Daarin wordt een aantal belangwekkende punten aangestipt. Zo wordt gesteld dat
de overheid diverse instrumenten ten dienste staan om de toegankelijkheid en
pluriformiteit van de informatievoorziening te garanderen. Daarbij moet voorop
staan dat in de maatschappij 'door middel van haar georganiseerde verbanden' een
dergelijke informatievoorziening tot stand komt.[3]
In hoeverre moet nu de nieuwe adviescommissie
dit onderdeel van het beleid bij haar werk betrekken? In hoeverre moet een
zorgplicht van de overheid met betrekking tot toegang en pluriformiteit worden
opgenomen in een nieuwe communicatieparagraaf?
Dommering geeft een voorbeeld van een mogelijke
Grondwetsbepaling op dit punt: 'De overheid treft bij wet maatregelen ter
bescherming van de pluriformiteit van het informatie-aanbod en de toegang tot de
communicatiemiddelen, voor zover dat in een democratische samenleving
noodzakelijk is en rekening houdend met de behoorlijke mededinging. De overheid
kan ten aanzien van door haar ondersteund informatie-aanbod bij wet
taakstellende eisen stellen, voor zover dat niet ziet op de inhoud van de
informatie'[4]
Toegangsvraagstukken kunnen op diverse niveaus
de (informatie-)grondrechten raken. Het kan gaan om vrije toegang tot de markt,
toegang tot (overheids-) informatie of toegang tot natuurlijke hulpbronnen die
nodig zijn voor communicatie zoals het spectrum. Het is te verdedigen dat deze
toegangsrechten alle deel uitmaken van of essentieel zijn voor de
uitingsvrijheid. Van het recht om uitingen te verspreiden is dat in de
jurisprudentie traditioneel reeds aangenomen. De regering erkent de mogelijke
noodzaak van het garanderen van toegangsrechten, maar wil eerst afwachten of de
elektronische snelweg zich ontwikkelt tot een onmisbare informatiebron.[5]
Die vraag kan mijns inziens nu reeds bevestigend beantwoord worden. Opvallend is
in dit verband dat PvdA-fractievoorzitter Melkert onlangs reeds pleitte voor
gelijke toegang tot het Internet, dat hij en passant 'het pen en papier van de
toekomst' noemde.[6]
Van een ietwat ander karakter is het recht op pluriforme
informatievoorziening. Een garantie van pluriformiteit lijkt te duiden op een inhoudelijke
zorplicht van de overheid die zich moeilijk laat verenigen met het traditionele
onthoudings-karakter van artikel 7 Grondwet. Nu zijn er eerder stemmen opgegaan
om aan artikel 7 een dergelijke richtsnoerfunctie te verlenen. Het Comité van
Ministers van de Raad van Europa omschrijft de zorgplicht van de overheid als
volgt: '[states...] should adopt policies designed to foster as much as
possible a variety of media and a plurality of information sources, thereby
allowing a plurality of ideas and opinions'.[7]
Misschien is het nodig om de strijd tegen de Amerikaanse culturele hegemonie,
het zogenoemde 'Disney effect', in onze Grondwet vast te leggen.[8]
Anderzijds vormt het vastleggen van een
dergelijke overheidstaak wellicht een beperking van de uitingsvrijheid. Was het
grondrecht niet juist bedoeld om ons te vrijwaren van een overheid die voor ons
bepaalt welke informatie er geuit en ontvangen kan worden? Onlangs ontstond nog
beroering toen de voorzitter van het Commissariaat voor de Media een
inhoudelijke taak voor dat college suggereerde. Is de term 'pluriformiteit' een
Trojaans paard, gevuld met paternalistische overheidsfunctionarissen?
De afstemming tussen zorg en onthouding is
slechts één van de complexe problemen waarvoor de commissie een oplossing zal
moeten bedenken. Het is een probleem dat de grondslagen van de democratie raakt.
|