|
Na de dramatische voetbalveldslag in Beverwijk
verweet men de politie de ontmoeting tussen de hooligans niet voorkomen te
hebben. Met matte machteloosheid werd geantwoord dat de afspraken waren gemaakt
via 'GSM en zo', en dat er dus niets aan te doen was. Enige weken later
verstuurden 'PSV-fans' voorafgaand aan de wedstrijd PSV-Ajax, enkele emails
waarin zij zeggen 'graag een afspraak te willen maken voor 13 april'. 'Hartelijk
gefeliciteerd met jullie dode, kutjoden, misschien dat wij er ook een van jullie
zouden kunnen doden'. Hoewel de politie ondertussen had vastgesteld dat de
berichten waren verstuurd door een 'snotneusje', nam justitie de zaak serieus en
eiste inzage in de computerbestanden van Freemail[1]
teneinde de identiteit van de afzender te achterhalen. Hoewel dat bedrijf eerst
principieel bezwaar maakte, stond het inzage toch toe, 'uit vrees voor
rechterlijke dwang'.
Dit alles roept enige vragen op omtrent de
bevoegdheden van de overheid tot het aftappen van moderne telecommunicatie. Naar
aanleiding van deze problematiek maakte de minister van Verkeer en Waterstaat
haar 'Beleidsvoornemens Bevoegd Aftappen Telecommunicatie'[2]
bekend. Daarin stelt zij voor niet alleen de traditionele netwerkbeheerders te
verplichten het aftappen te faciliteren, maar ook de dienstenaanbieders. Naar
verluidt worden de daarin gedane voorstellen ook overgenomen in het ontwerp voor
de nieuwe Telecommunicatiewet.
Wat is thans de wettelijke basis om inzage te
verkrijgen in emailbestanden? zo vroegen de kamerleden Van Zuijlen en Roethof de
minister van Justitie. In haar antwoord geeft minister Sorgdrager aan dat het in
dit geval niet gaat om het aftappen van telecommunicatie, zoals geregeld in de
artikelen 125f-125h van het Wetboek van Strafvordering, maar om onderzoek van
gegevens die zijn opgeslagen in geautomatiseerde werken, artikelen 125i-125n. De
medewerking van de serviceprovider daartoe kan geschieden op vrijwillige basis
of op bevel van de rechter-commissaris. Dat bevel kan dan worden gegeven op
grond van artikel 125i Sv in de bij de wet omschreven gevallen.[3]
De vrijwillige verstrekking door de provider
zou het gevolg zijn van een afweging van belangen zoals is toegestaan krachtens
artikel 11 lid 2 Wet Persoonsregistraties. Het afgeven aan derden van
persoonsgegevens is toegestaan, indien dat geschiedt om een dringende en
gewichtige reden en indien de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde
daardoor niet onnodig wordt geschaad. De internetprovider is dan
civielrechtelijk aansprakelijk indien de rechter oordeelt dat hij bovengenoemde
belangenafweging verkeerd gemaakt heeft. De provider is, hoe hij die afweging
ook maakt, niet verpl¡cht tot medewerking.
De bovengenoemde afweging kan de provider
echter alleen maken nadat hij kennis heeft genomen van de in zijn mailbox
opgeslagen informatie. De vraag is of die kennisname niet onrechtmatig is
tegenover zijn cliënten. Volgens de minister mag de provider de door hem
opgeslagen emailberichten lezen, tenzij hij zich contractueel heeft verbonden
zich van kennisname te onthouden. Zij trekt een vergelijking met ansichtkaarten,
die ook door postbeambten gelezen mogen worden. Er geldt in die zin dus geen
briefgeheim voor emailberichten.
Als het om nieuwe communicatiemedia gaat is het
altijd goed uit te gaan van algemene rechtsbeginselen, zoals die met betrekking
tot privacy en informatievrijheid, maar men zou moeten oppassen met analogieën
met oude media. Hoewel het voor de internetprovider inderdaad betrekkelijk
eenvoudig is, kennis te nemen van de inhoud van door hem opgeslagen
emailberichten, gaat de vergelijking met ansichtkaarten niet op. Ook bij
telefoonverkeer kan de service-provider gemakkelijk kennis nemen van de aan hem
toevertrouwde informatie. Bij de grondwettelijke invoering van het
telefoongeheim is dan ook als voorwaarde voor bescherming gesteld dat de burger
zelf de nodige voorzorgsmaatregelen neemt om te zorgen dat zijn berichten niet
voor een ieder toegankelijk zijn.[4]
Om die reden werd bijvoorbeeld het draadloos telefoneren van bescherming
uitgesloten. Met het dichtplakken van een enveloppe geeft de burger aan PTT-Post
de intentie van privé-communicatie te kennen. Bij e-mail is de voornaamste
mogelijkheid om die intentie weer te geven het gebruik maken van een wachtwoord
of PIN-code, gecombineerd met een persoonlijke adressering. Het zonder
toestemming bekijken van opgeslagen emailberichtjes indien dat niet noodzakelijk
is voor het controleren van de kwaliteit van het transport lijkt mij wel
degelijk onrechtmatig. Daar hoeft de gebruiker geen overeenkomst met de provider
voor te sluiten.
De impliciete suggestie van de minister, dat de
privacy van het emailverkeer maar contractueel geregeld moet worden, gaat
voorbij aan het in de grondwet en de internationale mensenrechtenverdragen (art.
8, maar ook art. 10 EVRM) gewaarborgde grondrecht op privacy en
privé-communicatie, dat in beginsel ook tussen burgers, dus tussen gebruiker en
provider, werking heeft.[5]
Grondrechten bieden een onaantastbaar minimum aan bescherming, niet een
richtsnoer voor onderhandelingen. De minister lijkt ons eigenlijk te zeggen:
'Het zijn ansichtkaarten, maar als je de postbode betaalt zal hij ze niet
bekijken!'.
|