Trojaans hobbelpaard
Een analyse van het rapport van de commissie Grondrechten in het Digitale Tijdperk
Verschenen in Mediaforum 2000-7/8, p. 228-233

L.F. Asscher


 

De Grondwet is nog niet klaar voor de informatiesamenleving en moet ingrijpend gewijzigd worden. Dat blijkt uit het rapport ‘Grondrechten in het digitale tijdperk’, dat voorstellen bevat tot wijziging van de artikelen 7 (vrijheid van meningsuiting), 10 (privacy) en 13 (communicatiegeheim) van de Grondwet. Ook wordt voorgesteld een nieuw artikel op te nemen dat een recht op toegang tot elektronische overheidsinformatie garandeert.

1. De commissie Franken

Op 24 mei 2000 verscheen het rapport ‘grondrechten in het digitale tijdperk’. Binnen de 14 maanden die de gelijknamige commissie gekregen heeft, leverde zij een kloek eindrapport af, zo’n 340 pagina’s grondrechten en wat dies meer zij. Nadat in 1997 een voorstel tot wijziging van artikel 13 Grondwet inzake het brief-, telefoon- en telegraafgeheim nogal wat tumult had veroorzaakt, gingen stemmen op voor een studiecommissie. De kritiek maakte destijds gehakt van het voorstel een grondrecht op ‘vertrouwelijke communicatie’ in te voeren.[1]  De Tweede Kamer amendeerde vervolgens zo rigoureus dat de Eerste Kamer er geen brood meer in zag. Op 20 januari 1998 diende Marjet van Zuijlen een motie in waarin ze, ‘overwegende dat de discussie over de constitutionele aspecten van de elektronische snelweg nog niet is afgerond’, verzocht om een nota van de regering over dit onderwerp.[2]  Op 25 maart 1999 werd dan de commissie ‘grondrechten in het digitale tijdperk’ geïnstalleerd, een tienkoppig team onder leiding van de Leidse hoogleraar Franken.[3]  Ze kreeg als opdracht mee met concrete wijzigingsvoorstellen te komen die techniekonafhankelijk waren en zoveel mogelijk in overeenstemming met hangende wetsvoorstellen en bestaande beleidsnotities.[4]  Bovendien moest het resultaat er al in mei 2000 zijn. Dat laatste is dus gelukt. [5] 

2. Het rapport grondrechten in het digitale tijdperk

De commissie beschrijft met verve welke werkwijze zij heeft gevolgd en geeft daarbij aan hoe is getracht de maatschappelijke participatie te bevorderen. Zo is er een workshop georganiseerd, was er een website en een (gesloten) internetdiscussiegroep met (in het rapport niet bij name genoemde) buitenlandse experts.[6] 

Er is hard gewerkt. In het rapport wordt een beeld geschetst van geschiedenis, functie en toekomst van de grondrechten in het digitale tijdperk. De ouverture wordt gevormd door een verkenning van de eigenschappen van het informatietijdperk en de rol van de overheid daarin. Hierin schemert de technotaal van de Nota Wetgeving voor de Elektronische Snelweg door. Termen als ‘turbulentie’, ‘verdringing’ en ‘dematerialisering’ worden in het rapport gebruikt om de overgang naar het informatietijdperk te beschrijven.[7]  Het rapport vervolgt met een beschrijving van de functie van de Grondwet en de daarin neergelegde grondrechten. Ook wordt stelling ingenomen over de plaats van grondrechten in het digitale tijdperk.

Het belangrijkste gedeelte van het rapport bestaat uit de beschrijving van de knelpunten rond de artikelen 7, 10 en 13 van de Grondwet, aangevuld met concrete tekstvoorstellen en toelichting. Een apart hoofdstuk is gewijd aan de mogelijkheid van een nieuw grondrecht op toegang tot overheidsinformatie. Tenslotte komen in de laatste hoofdstukken mogelijke andere door het informatietijdperk geraakte grondrechten aan bod en wordt afgesloten met een samenvatting. In de bijlage treffen we een omvangrijk rechtsvergelijkend onderzoek uit Tilburg, alsmede de reacties van een groot aantal maatschappelijke organisaties.[8]  In dit artikel zal ik mij vooral richten op de voorstellen van de commissie Franken met betrekking tot de artikelen 7 en 13 van de Grondwet.

3. Karakter van de Grondwet

Alvorens in te gaan op de concrete voorstellen van de commissie, is het interessant te kijken wat haar visie is op het karakter en de plaats van de Nederlandse Grondwet. In het algemene hoofdstuk merkt de commissie op dat de Nederlandse Grondwet een sober karakter heeft. Althans, ‘zo het sobere karakter van de Grondwet niet al een kenmerk zou zijn, dit toch tenminste uitgangspunt zou moeten zijn’ (p. 47). Het gevaar van trivialisering van de constitutie brengt de commissie Franken tot twee belangrijke conclusies: ten eerste moeten alleen die grondrechten worden opgenomen die waarlijk essentieel zijn voor het maatschappelijke en persoonlijke functioneren van de burgers, ten tweede moeten van die grondrechten slechts de essentialia worden opgenomen. Later in het rapport blijkt deze conclusie verstrekkende gevolgen te hebben. Maar er zijn meer belangrijke premissen. Zo geeft de commissie aan zich niet te zeer te willen uitspreken over het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet omdat dat niet tot haar taak hoort. Niettemin pleit zij - in de grootst mogelijke meerderheid - vóór afschaffing van het toetsingsverbod (in ieder geval wat betreft toetsing aan de grondrechten).[9]  De commissie heeft een voorkeur voor het behoud van de bestaande beperkingssystematiek. Informatiegrondrechten komen volgens haar pas in aanmerking voor grondwettelijke bescherming als ze ‘voldoende constitutionele rijpheid’ bezitten en ze wil af van van de techniekafhankelijkheid (p. 70-71).

Als methode om te komen tot verbeterde bescherming van grondrechten in het digitale tijdperk wordt gekeken naar de ‘achterliggende rechtsbelangen’ (p.61). Bij artikel 7 Grondwet is dat rechtsbelang de vrijheid van meningsuiting, bij artikel 13 Grondwet is dat rechtsbelang de bescherming van besloten, vertrouwelijk bedoelde communicatie, aldus de commissie (p. 62). Hier begeeft de commissie zich op glad ijs. Hieronder kom ik terug op het rechtsbelang van ‘besloten, vertrouwelijk bedoelde communicatie’. Voldoende is om hier in ieder geval op te merken dat deze analyse van artikel 13 Grondwet niet onomstreden is.[10] 

Vervolgens geeft de commissie weer hoe ze staat tegenover grondrechten in de informatiemaatschappij.[11]  Opvallend is dat het verdeelvraagstuk met betrekking tot schaarse communicatiemiddelen niet relevant wordt geacht voor de Grondwet. Hieraan wijdt de commissie een aardige stoplapredenering: ‘De verdeling van schaarse communicatiemiddelen door de overheid ten behoeve van de openbare communicatie strekt ertoe te bevorderen dat er zoveel mogelijk ruimte voor het uiten van verschillende meningen is. De pluriformiteit in de informatieverstrekking die daardoor ontstaat, is een belangrijke bestaansvoorwaarde voor een democratische samenleving’ (p.66). Einde mededeling.

Is dit niet juist een pleidooi voor het belang van toegangsvragen in de Grondwet? Natuurlijk is het een mogelijkheid toegangs- en verdeelvraagstukken niet in de Grondwet te regelen, maar de vaststelling dat ze niet relevant zijn lijkt me onjuist. In dit kader wordt nog opgemerkt dat het tegengaan van machtsconcentraties in de telecommunicatiesector grondrechtelijk evenmin relevant is (p. 66-67). Verderop in het rapport neemt de commissie echter een ander standpunt in. In het hoofdstuk over artikel 7 Grondwet merkt zij op dat nu steeds meer communicatiekanalen in particuliere handen zijn en de mogelijkheid bestaat dat de toegang tot de communicatiekanalen tot bepaalde personen of instanties beperkt wordt, de Grondwet een bepaling moet bevatten die de overheid de gereedschappen aanreikt daar wat aan te doen (p. 105-106).

4. Openbare communicatievrijheid

Dit brengt ons vanzelf bij het huidige en het nieuw voorgestelde artikel 7 Grondwet:

Artikel 7 Grondwet (huidig)

  1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending.
  3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan 16 jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
  4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

 

Voorstel commissie Franken 7 Gw (p. 107)

  1. Ieder heeft het recht vrij zijn mening te uiten. Dit recht omvat de vrijheid om denkbeelden of andere informatie te openbaren, te verspreiden of te ontvangen.
  2. Bij de wet kan dit recht worden beperkt. Een beperking van de vrijheid om te openbaren kan geen voorafgaand verlof inhouden. Een beperking van de vrijheid om te verspreiden en te ontvangen kan tevens krachtens de wet plaatsvinden en een voorafgaand verlof inhouden, mits deze beperking wordt gesteld in het belang van de openbare orde en zij geen betrekking heeft op de inhoud van de denkbeelden of andere informatie.
  3. Indien de beperking betrekking heeft op de inhoud van handelsreclame of productinformatie, kan dit recht ter bescherming van de gezondheid of in het belang van de veiligheid tevens krachtens de wet worden beperkt.
  4. Bevordering van voldoende pluriformiteit in de denkbeelden en andere informatie is voorwerp van zorg van de overheid. Bij de wet kunnen daartoe regels worden gesteld over publieke mediadiensten en de algemene aard van de informatie die door middel van deze diensten wordt verspreid.

Terecht merkt de commissie op dat het denken over de rol van de techniek in de bescherming van de vrijheid van meningsuiting niet iets nieuws is. Convergentie is niet een uniek verschijnsel van de informatiesamenleving. Van den Bergh schreef al in 1940: ‘.. het geluid wordt gezien, schrift wordt gehoord. Alle grenzen zijn uitgewist. Maar de Grondwet, die de ontwikkeling der techniek niet voorzien kon, onderscheidt. De grondwetgever kon niet weten dat deze onderscheiding zinledig zou worden.’[12]  In haar advies aan de grondwetgever houdt de commissie Franken expliciet rekening met het verdwijnen van technische verschillen tussen communicatietechnieken (p. 72-73, concl. 7).

Wat zijn nu de opvallendste voor- en nadelen van het voorgestelde artikel 7? Een eerste, in het oog springend verschil met het huidige artikel 7 is de positieve formulering (‘ieder heeft’) van het grondrecht. Dit betekent een vooruitgang ten opzichte van het oude artikel (‘niemand’) aangezien het belang van de vrijheid van meningsuiting zo meer wordt benadrukt en omdat het duidelijk maakt dat het grondrecht niet uitsluitend zijn betekenis ontleent aan de bescherming tegenover de overheid. Ook de introductie van het begrip ‘denkbeelden en andere informatie’ lijkt mij een aanzienlijke verbetering ten opzichte van het oude ‘gedachten en gevoelens.’ Dit omdat zo beter wordt aangegeven dat de bescherming van artikel 7 geldt voor alle informatie, ook als daarin geen denkbeelden of gevoelens zijn vervat.[13]  Belangrijke winst is voorts dat het artikel – conform het verzoek van de minister - techniekonafhankelijk gesteld is. Drukpers, radio en televisie komen niet meer als zodanig voor in het nieuwe artikel 7 Grondwet.

De commissie spreekt zich uit tegen het opnemen van de garingsvrijheid: ‘Gezien de variëteit in activiteiten waarin de garingsvrijheid zich kan uiten, valt naar het oordeel van de commissie niet goed te overzien welke beperkingsmogelijkheden in algemene zin nodig zijn’ (p. 98). Daar komt bij dat de commissie dit grondrecht op zich afdoende beschermd acht door artikel 19 IVBPR. Veertig jaar verwarring herleeft waar de commissie het recht op toegang tot overheidsinformatie ‘een soort garingsvrijheid’ noemt. De WOB, en het recht op toegang tot overheidsinformatie gaan over een recht op informatie. De garingsvrijheid daarentegen beschermt de vrijheid ongehinderd informatie te verzamelen – hetgeen niet verward mag worden met een afdwingbaar recht op overheidsinformatie.[14]  Naar mijn mening ontbreekt de garingsvrijheid ten onrechte.[15] 

Wel zien we dat een onderscheid is aangebracht tussen het beschermingsniveau van het openbaren enerzijds en het verspreiden en ontvangen anderzijds. Daarmee wordt de verspreidingsjurisprudentie – die een onderscheid maakt tussen de bescherming van openbaren en verspreiden – alsnog in de Grondwet gecodificeerd.[16]  Het is de vraag of dat wel zo mooi is. Het onderscheid tussen verspreiden en openbaren nam allengs een meer gekunstelde vorm aan in de jurisprudentie.[17]  Zeg nou zelf, wat is openbaren zonder verspreiden? Het ware beter geweest als dit onderscheid was verdwenen. Een alternatief zou kunnen zijn om, naar Amerikaans voorbeeld, een onderscheid te maken tussen beperkingen die zich richten op de inhoud van de uiting en beperkingen die zich daar niet op richten.[18]  Vreemd is bovendien dat niet alleen het verspreiden, maar ook het ontvangen van informatie minder sterk beschermd wordt dan het openbaren. Zo’n onderscheid wordt in artikel 10 EVRM niet gemaakt.[19] 

De beperkingsclausule van het nieuwe artikel 7 kent een gelaagde structuur. Ten eerste kunnen bij formele wet uitingsdelicten worden gecreëerd – er is een ongeclausuleerde formele beperkingsbepaling. Ten tweede mag het openbaren van meningen en andere informatie niet vooraf worden beperkt. Hiermee poogt de commissie het voor het huidige artikel 7 Grondwet kenmerkende censuurverbod te behouden. De andere fasen van het communicatieproces kunnen wel worden onderworpen aan voorafgaand verlof mits dat gebeurt in het belang van de openbare orde en mits de beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de informatie. Wordt voldaan aan dat doelcriterium dan hoeft niet bij de wet, maar mag ook krachtens de wet beperkt worden. Hiermee is een delegatiemogelijkheid geschapen. Welke interpretatie is aan het begrip openbare orde gegeven? Het wordt niet geheel duidelijk uit de betreffende passage van het rapport (p. 110-111). In het derde lid worden nog twee doelcriteria geïntroduceerd: gezondheid en veiligheid. Met een beroep op die doelen mag namelijk de bescherming van productinformatie en handelsreclame worden beperkt. In ruil hiervoor is het vierde lid van het oude artikel 7, dat handelsreclame geheel van grondwettelijke bescherming uitsloot, geschrapt. Dit is een verbetering ten opzichte van het huidige regime, waarop van verschillende kanten was aangedrongen.[20] 

De doelcriteria die in het voorgestelde artikel 7 voorkomen lijken ontleend aan het EVRM. Echter, waar binnen het EVRM een belangrijke rol wordt ingenomen door het noodzakelijkheidsvereiste van (bijvoorbeeld) artikel 10 lid 2 EVRM, ontbreekt dit in het advies van de commissie Franken. Immers, het noodzakelijkheidscriterium zou toch door de wetgever kunnen worden ingevuld zoals het hem goeddunkt, en is dus op te vatten als window dressing, zo begrijp ik althans de redenering van de commissie (p. 55). Deze argumentatie van de commissie wekt verbazing. De Grondwet is er niet alleen voor de wetgever maar ook voor de rechter, die – zeker na het eventuele opheffen van het toetsingsverbod – met het noodzakelijkheidsvereiste in de hand veel zou kunnen bereiken. Dan heeft de rechter tenminste iets om aan te toetsen.[21]  Daarnaast is het noodzakelijkheidsvereiste in de jurisprudentie van het EHRM van zeer groot belang gebleken en het zou wellicht een dergelijke rol in de Grondwet kunnen spelen.

Bleef het met betrekking tot de eerste drie leden bij (ernstige) twijfelpunten, ik ben zeer kritisch over het door de commissie voorgestelde vierde lid van artikel 7. De vage termen ‘publieke mediadiensten’, ‘voldoende pluriformiteit’ en ‘de aard van de verspreide informatie’ zorgen voor een onleesbare bepaling. Lees maar: er staat niet wat er staat. De toelichting onthult de ware aard van deze bepaling: ‘onder het begrip ‘publieke mediadiensten’ valt in ieder geval de publieke omroep. Daarnaast moet gedacht worden aan de uitgifte van dagbladen of tijdschriften, openbare communicatie via internet, commerciële omroep, omroep via het internet, het bibliotheekwezen, etc. Met de term ‘publiek’ wordt aangegeven dat de mediadiensten voor het publiek toegankelijk dienen te zijn’ (p. 113). Met andere woorden, ‘publieke mediadiensten’ blijkt een cryptische omschrijving van alle openbare communicatie.

Is dit dan een – wellicht onverstandige maar verder ongevaarlijke – zorgplicht om de pluriformiteit te stimuleren van het gehele openbare informatieaanbod? Neen, de implicaties van dit vierde lid strekken verder. Nog een stukje toelichting kan dienen om het onbehaaglijke gevoel te verklaren: ‘Er is uitdrukkelijk niet voor gekozen om de huidige systematiek van artikel 7 lid 2 van de Grondwet te continueren waarin alleen ten aanzien van radio en televisie een specifieke beperkingsbevoegdheid is neergelegd. Gezien de ontwikkelingen op het terrein van de informatie- en communicatietechnologie, is er naar de mening van de commissie geen aanleiding de huidige uitzonderingspositie te beperken tot omroep in de traditionele betekenis. Ook ten aanzien van andere publieke mediadiensten dan omroep kan het wenselijk zijn om het tot stand brengen van een pluriform informatieaanbod niet (volledig) over te laten aan de markt, maar hier regulerend op te treden’ (p. 113). Dat gaat verder dan het stellen van eisen aan door de overheid ondersteund informatie-aanbod zoals dat wordt geleverd door musea en symfonie-orkesten.[22]  Waarom is die verscheidenheid zo belangrijk? De toelichting biedt uitkomst: ‘Een verscheidenheid in de informatiestroom is volgens de commissie onmisbaar voor het goed functioneren van een democratische samenleving. Dit geldt met name in een informatiesamenleving, die zich kenmerkt door een toename van informatie’ (p. 105, curs. LFA).

 

Dit betekent dat het systeem van artikel 7 lid 2 Grondwet (oud) niet verdwijnt, maar wordt toegepast op alle communicatiemiddelen! Deze carte blanche biedt prachtige perspectieven voor de bewakers van de pluriformiteit bij de diverse overheidsorganen.[23]  Laten we beginnen met een concessiestelsel voor de kranten, een cultuurplicht voor de websitehouders en een keuringsdienst voor het bibliotheekwezen. Als waakhond dient het Commissariaat voor de Media zich al aan. Dit alles met het oog op de bevordering van de pluriformiteit natuurlijk, dat spreekt. Het nieuwe speeltuig dat de commissie Franken ons hier voorzet, blijkt een Trojaans hobbelpaard. Het hobbelt vrolijk en is omgeven met louter goede bedoelingen, maar is gevuld met het dodelijke gif van paternalisme en voortdurende overheidsbemoeienis.[24] 

Al met al roept het voorgestelde artikel 7 tal van vragen op en is het in deze vorm geen verbetering ten opzichte van het huidige artikel.

5. Vertrouwelijke communicatie: derde poging[25] 

Wat adviseert de commissie over artikel 13 Grondwet? Zoals gezegd, is hierover eind jaren ’90 al flink gediscussieerd. De lat ligt dus hoog en er mag niet opnieuw in dezelfde valkuilen gestapt worden. Hier volgen het huidige en het voorgestelde artikel 13 Grondwet:

Artikel 13 Grondwet (huidig)

  1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
  2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

 

Voorstel commissie Franken 13 Gw (p. 162)

  1. Ieder heeft het recht vertrouwelijk te communiceren.
  2. Dit recht kan bij de wet worden beperkt, op last van de rechter, of, indien de beperking in het belang van de nationale veiligheid plaatsvindt, met machtiging van een bij de wet aangewezen minister.
  3. Degene van wie dit recht wordt beperkt, wordt van die beperking zo spoedig mogelijk in kennis gesteld. In bij de wet te bepalen gevallen kan in het belang van de nationale veiligheid de kennisgeving worden uitgesteld. Indien het belang van de nationale veiligheid zich blijvend tegen de kennisgeving verzet, kan, in bij de wet te bepalen gevallen, de kennisgeving achterwege worden gelaten.
  4. De wet stelt regels ter bescherming van de vertrouwelijkheid van communicatie.

De commissie heeft dus toch opnieuw gekozen voor ‘vertrouwelijke communicatie’. Het is de vraag of het verstandig is van de commissie om die terminologie te gebruiken terwijl daarover in 1997 en 1998 al zo is gebakkeleid. Er zijn alternatieven genoeg. Zo stelde een VMC-studiecommissie voor te spreken van een recht op respect voor het communicatiegeheim.[26]  Maar daarvan zeggen Franken c.s.: ‘Wat betreft de keuze van de studiecommissie voor de term ‘communicatiegeheim’ is de commissie van mening dat, hoewel dit begrip in zoverre gelukkig is dat daarmee een zekere continuïteit wordt aangegeven met het huidige aan artikel 13 ten grondslag liggende gedachtegoed, het nochtans betreurd moet worden dat een wijziging van dit artikel niet tevens wordt aangegrepen om ook in de Grondwet zoveel mogelijk het normale spraakgebruik te volgen’ (p. 152). Dit is een merkwaardig argument dat de commissie zelf niet consequent heeft toegepast. Of zou het begrip ‘publieke mediadiensten’ (in het voorgestelde artikel 7) binnenkort van het normale spraakgebruik deel uit maken?

Wat betekent nu vertrouwelijk communiceren in de opvatting van de commissie Franken? Welnu, er is vertrouwelijke communicatie ‘wanneer een rechtssubject op grond van zijn wil tot geheimhouding een wijze van communiceren kiest, die hem een redelijke verwachting van vertrouwelijkheid biedt’. ‘De vraag wanneer een verwachting van vertrouwelijkheid als redelijk mag worden gekwalificeerd, dient te worden beantwoord met behulp van een functioneel vertrouwelijkheidscriterium, te weten op basis van feiten en omstandigheden waaruit voor een ander objectief kan worden afgeleid dat de subjectieve wil van de verzender op vertrouwelijkheid is gericht.’ Daarbij noemt de commissie drie criteria: 1. De aard van het kanaal (besloten) 2. Adressering 3. De aard van de communicatie (gesloten enveloppe, encryptie, opschriften als ‘vertrouwelijk’ en andere uiterlijke kenmerken die op vertrouwelijkheid wijzen) (p. 163). De enkele adressering van de informatie is niet voldoende voor het vaststellen van vertrouwelijke communicatie. Want van de inhoud van briefkaarten en drukwerk in een wikkel zou zo makkelijk door anderen dan de geadresseerde kennis kunnen worden genomen dat het te ver voert om aan die communicatie de bescherming van de vertrouwelijke communicatie te verlenen.

Wie denkt dat de commissie daarmee email buitenspel zet, heeft het mis. ‘Email is door de aard van het gebruikte kanaal reeds te beschouwen als vertrouwelijke communicatie’. Hetzelfde argument werd gebruikt door het kabinet in 1997: zolang email over de telefoonlijnen wordt verstuurd, is het beschermd. Paars I zei het zo: ‘De reden voor deze radicale bescherming is gelegen in de technische kenmerken van het telefoonnet. Het is niet mogelijk de verschillende soorten communicatie te onderscheiden zonder kennis te nemen van de inhoud.’[27]  Dit roept ten eerste de vraag op of dit niet toch een techniekafhankelijke norm vormt. Ten tweede blijft onduidelijk wat de status is van email die via andere communicatiekanalen verstuurd wordt. Email kan over zowel satelliet, telefoonlijn, ether als kabel verzonden worden, terwijl ik niet vermoed dat de commissie al deze kanalen als – naar hun áard – vertrouwelijk beschouwt.

Net als in het veel besproken voorstel 25 443 beoogt het nieuwe artikel ook het ‘live-gesprek’ te beschermen. Daarvoor is wel wat te zeggen. Met nieuwe afluistermiddelen als richtmicrofoons en dergelijke is het steeds makkelijker geworden het gewone gesprek te onderscheppen. De uitbreiding van het object van artikel 13 Grondwet mag echter niet ten koste gaan van het uiteindelijke beschermingsniveau. Het voorgestelde artikel 13 verleent ook bescherming tegen het storen van het gesprek van overheidswege, hetgeen vooral actueel is in verband met het ‘platleggen’ van mobiele telefonie door politie met het oog op de openbare orde. Daarvoor zal voortaan een rechterlijke last noodzakelijk zijn. Dit houdt echter niet in dat er ook een recht bestaat op toegang tot vertrouwelijke communicatiemiddelen. Waar ligt nu de precieze grens van ‘vertrouwelijke communicatie’? Je vraagt je af of het fotograferen van een ontmoeting (de communicatieve handdruk) onder het nieuwe artikel 13 zal vallen, en of het volgen van een crimineel niet een schoolvoorbeeld is van het verhinderen van diens vertrouwelijke communicatie. Het lijkt wel mooi de bescherming van artikel 13 uit te breiden tot het ‘live-gesprek’, maar de prijs daarvoor ligt in het verdwijnen van de afgrenzing met het gemene privacyrecht. Het gevaar van een verwatering van de bescherming doordat alles afhankelijk wordt van een (relatieve) redelijke privacyverwachting is mijns inziens niet denkbeeldig.[28]  Het uitgaan van een redelijke verwachting in een systeem zonder noodzakelijkheidsvereiste biedt onvoldoende garantie.

Concluderend moet worden gesteld dat het riskant is om – zeker na de discussie over voorstel 25 443 – vast te houden aan ‘vertrouwelijke communicatie’ als object van artikel 13 Grondwet. Voor de commissie valt te vrezen dat ook deze derde poging zal stranden.[29] 

Een laatste opmerking over het object van de voorgestelde bepaling betreft de verkeersgegevens. Die worden niet beschermd ‘omdat artikel 13 van de Grondwet juist beoogt de inhoud van de communicatie te beschermen’(p. 159). Hierover wordt – net als ten tijde van voorstel 25 443 – opgemerkt dat de bescherming door artikel 10 Grondwet volstaat. Ga je echter uit van een andere benadering van het communicatiegeheim, te weten dat het grondrecht beoogt het communicatiekanaal te beschermen, dan is dat argument ongeldig. De bescherming die artikel 10 Grondwet en de WPR aan de verkeersgegevens bieden, noemde Dommering reeds in 1997 een ‘wassen neus’.[30] 

De commissie geeft in haar toelichting een wat tendentieuze interpretatie van de discussie over dit onderwerp: ‘Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 13 van de Grondwet is uitdrukkelijk de vraag aan de orde geweest of verkeersgegevens niet op gelijke wijze als de inhoud van het gegevensverkeer behandeld moet worden. Het oorspronkelijke wetsvoorstel ging uit van het thans bestaande model, waarin verkeersgegevens worden beschermd door artikel 10. De Tweede Kamer aanvaardde echter, op aansporing van enkele scribenten, een amendement waarin verkeersgegevens onder werking van artikel 13 werden gebracht. De Eerste Kamer was daar weer buitengewoon kritisch over’ (p. 160). Uit de kamerstukken blijkt daarentegen dat de Eerste Kamer kritisch was over het hele project van de grondwetsherziening zoals dat tot dan toe gestalte had gekregen. Slechts de VVD-fractie in de Eerste Kamer maakte bezwaar tegen de bescherming van verkeersgegevens in artikel 13.[31] 

De reikwijdte van het voorgestelde artikel 13 Grondwet is niet beperkt tot de transportfase. Hier komt de redelijke privacyverwachting weer gelegen: ‘Als uitgangspunt voor de duur van de bescherming geldt dat de inhoud van de boodschap gedurende het gehele communicatieproces wordt beschermd, voor zolang de verzender naar objectieve maatstaven een redelijke verwachting van vertrouwelijkheid mag hebben. Dit betekent dat, afhankelijk van het communicatiemiddel dat gebruikt wordt, de beschermingsduur kan variëren’ ( p. 155). Hoe moeten we ons dat laatste voorstellen? Welnu, de bescherming van de inhoud van een brief duurt tot de geadresseerde ‘in de gelegenheid is geweest van de inhoud kennis te nemen’. De email blijft beschermd zolang hij zich ongelezen in de mailbox van de ontvanger bevindt (p. 163-164). Daarbij is een eerste vraag hoe lang email als ongelezen mag worden beschouwd. Als het onderwerp van een email wordt bekeken en hij wordt vervolgens ongeopend gecatalogiseerd, is dan de bescherming verlengd? En de email die thuis al gelezen is, maar die op een andere PC nog ongeopend in de mailbox zit? Wat betekent het wel openen van een email voor de status van de zich nog op de server bevindende kopie? Het zijn vragen die niet of onvoldoende worden beantwoord.

‘De bescherming strekt zich uit over de inhoud van de communicatie voor de duur van het communicatieproces’, aldus de commissie (p. 164). Een alternatief zou kunnen zijn de bescherming alleen te laten gelden tijdens het transport, dat wil zeggen zolang de informatie nog niet is afgeleverd: ‘Er van uitgaand dat het kanaal beschermd dient te worden, dient de nadruk te liggen op de briefwisseling, niet op de brief. Dit betekent dat met de zich na de plof omdraaiende postbode de postdienst is beëindigd, dat na het verbreken van de verbinding door de antwoordapparaat-inspreker de transportdienst klaar is. Daarentegen eindigt bij de vertraagde transporten à la voicemail (stempost) en e-mail (elektronische post) de dienst pas wanneer de geadresseerde de informatie opgehaald heeft.’[32]  De commissie vindt dit een ‘weliswaar pragmatische, doch beperkte opvatting’ en kiest voor een beschermingsduur die zich uitstrekt tot buiten de transportfase van de communicatie. Weer dreigt naar mijn mening verwatering van de bescherming.

Er is ook goed nieuws. De beperkingsclausule lijdt niet aan het manco van voorstel 25 443, waarin de rechterlijke last plotseling was afgeschaft. Alle communicatiemiddelen worden op dezelfde wijze beschermd. Een beperking is alleen toegestaan met rechterlijke last, in bij formele wet aangegeven gevallen. Een uitzondering geldt voor die gevallen waarin de nationale veiligheid dat vereist. Dit biedt een heldere en techniekonafhankelijke beperkingsclausule die een duidelijke verbetering inhoudt ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee komt ook een einde aan het verschil in bescherming tussen brieven enerzijds en telefoon en telegraaf anderzijds. De regeling van de notificatie – die in voorstel 25 443 voor het eerst werd geopperd – is eveneens een winstpunt. Meer transparantie en een zorgvuldiger overheid zijn te verwachten als gevolg van het instellen van deze kennisgevingsplicht. Een ander positief punt is de bepaling met betrekking tot horizontale werking in het vierde lid die ook al stamt uit de tijd van voorstel 25 443. Het is evident dat de bescherming van het communicatiegeheim ook in horizontale verhouding gegarandeerd moet worden, en de sobere benadering van de commissie lijkt hier wel gepast.[33] 

Het recht om gebruik te maken van versleutelingsmethoden zoals cryptografie wordt door de commissie buiten artikel 13 Grondwet gehouden. Hier zien we de eerder genoemde sobere benadering terug. De commissie geeft aan dat dit geen essentieel grondrecht betreft en daarom kiest zij ervoor het niet op te nemen.[34]  Daarvoor heeft zij twee redenen: ‘De commissie is concluderend van mening dat artikel 10 van de Grondwet in een adequaat beschermingsniveau voorziet en bovendien beter aansluit bij de aard van het te beschermen belang.’ De aard van het te beschermen belang is volgens de commissie niet in de eerste plaats de vertrouwelijkheid van de inhoud van communicatie, doch heeft in brede zin betrekking op de vrijheid van een ieder de persoonlijke levenssfeer af te schermen door de toepassing van encryptie e.d.’ (p. 161). Daar is wat voor te zeggen, en ook in het VMC-rapport wordt toegegeven dat de encryptievrijheid niet de hardste kern van het grondrecht vormt. Toch pleit ik voor opname van dit – weliswaar accessoire – grondrecht.[35]  Met name met het oog op de bestaande bedreigingen van de communicatievrijheid en het communicatiegeheim, is de vrijheid zelf maatregelen te nemen ter bescherming van communicatie een groot goed.[36] 

6. Conclusie: voorstellen commissie niet rijp voor Grondwet .

Hierboven schetste ik de contouren van het rapport van de commissie Franken, hier zal ik trachten tot een eindoordeel te komen.

Het rapport van de commissie Franken weerspiegelt de complexiteit van de behandelde problematiek. Is een Grondwetsherziening al geen licht karwei, aanpassing aan de informatiemaatschappij blijkt een ware opgave. Bij artikel 13 Grondwet doemt bovendien het beeld op van een Sisyphus die telkens weer het rotsblok van de vertrouwelijke communicatie omhoog duwt. Het is om moedeloos van te worden.

Winst in het rapport is daarentegen de techniekonafhankelijkheid die over de gehele linie wordt bereikt. Ook de opname van andere fasen van het communicatieproces dan het openbaren is een belangrijke uitbreiding van de communicatievrijheid. Daarnaast zijn het schrappen van de uitsluiting van handelsreclame, en de poging tot handhaving van het censuurverbod positief te noemen. Twijfelachtig zijn de lagere bescherming van de ontvangstvrijheid, het weglaten van de garingsvrijheid en het ontbreken van een noodzakelijkheidsvereiste. De geïntroduceerde doelcriteria roepen vooralsnog vooral veel vragen op. Het vierde lid van het voorstel met betrekking tot artikel 7 Grondwet kan simpelweg geschrapt worden. Wat artikel 13 betreft vallen in positieve zin het beperkingsregime, de horizontale werking en de notificatieplicht op. Het is afwachten hoe het dit keer afloopt met ‘vertrouwelijke communicatie’ en het is te betreuren dat de verkeersgegevens bescherming in artikel 13 ontberen. Het kabinet heeft kortom nog veel werk te doen voordat een Grondwetswijziging een feit is.

In deze bespreking is een aantal positieve punten ongenoemd gebleven door de nadruk die lag op de artikelen 7 en 13 Grondwet. Nuttige intitiatieven als het gaat om modernisering van toegankelijkheid van overheidsinformatie en aanpassing van het petitierecht aan de moderne tijd wijzen er op dat de commissie met dit rapport wel degelijk een belangrijke bijdrage aan het debat heeft geleverd. Samenvattend kunnen we stellen dat de commissie Franken een aantal belangrijke verbeteringen heeft voorgesteld, en enkele verslechteringen. Een compliment moet ook uitgaan naar het secretariaat van de commissie dat in korte tijd zo’n stevig en goed gedocumenteerd rapport produceerde.

Uiteindelijk biedt het rapport echter niet wat ervan verwacht en gehoopt mocht worden. Is daarmee de exercitie van de commissie Franken een nutteloze? Geenszins. Van den Bergh schreef het al in 1940: ‘het heeft alles geen zin, maar de gedachte stroomt voort!’[37]

 


[1]  N.A.N.M. van Eijk, ‘(G)een recht op vertrouwelijke communicatie: fax en email vogel­vrij’, NJB 1997, afl. 33, p. 1554-1555; E.J. Dommering, ‘Geen telefoongeheim op de elektronische snelweg’, Mediaforum 1997-10, p. 142-147; A.J. Nieuwenhuis, ‘Vertrouwde en virtuele bescherming’, NJCM-Bulletin 4, 1998, p. 423-437. Terug naar tekst

[2]  Kamerstukken II 1997/98, 25 443, nr. 15. Terug naar tekst

[3]  Stb. 1999, 101. Terug naar tekst

[4]  Kritiek op die opdracht leverden G.A.I. Schuijt, ‘Artikel 7 Grondwet in de 21ste eeuw’, Mediaforum 1999-11/12, p. 303 en F. Kuitenbrouwer, ‘Paternalisme overheid bedreigt digitale grondrechten’, NRC Handelsblad 9 april 1999. Terug naar tekst

[5]  Commissie grondrechten in het digitale tijdperk, Rapport, Den Haag: 2000. Exemplaren zijn verkrijgbaar bij servicevoorlichting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Terug naar tekst

[6]  Zie http://www.minbzk.nl/gdt/ Terug naar tekst

[7]  Kamerstukken II 1997/98, 25 880, nr. 1-2, p. 2. Terug naar tekst

[8]  A. Koekkoek e.a., Bescherming van grondrechten in het digitale tijdperk. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar informatie- en communicatievrijheid en privacy in Zweden, Duitsland, Frankrijk, België, de Verenigde Staten en Canada, Tilburg: 2000. Terug naar tekst

[9]  Voor een opheffing van het toetsingsverbod i.v.m. grondrechten in het digitale tijdperk pleiten E.J. Dommering, ‘De Grondwet in de informatiemaatschappij’, in: M.C. Burkens e.a. (red.), Gelet op de Grondwet, Deventer: Kluwer 1998, p. 121; L.F. Asscher, Constitutionele convergentie van pers, omroep en telecommunicatie (ITeR deel 26), Kluwer: Deventer, 1999, p. 114, 132. Terug naar tekst

[10]  Zie voor een andere benadering L.F. Asscher, Constitutionele convergentie van pers, omroep en telecommunicatie (ITeR deel 26), Kluwer: Deventer, 1999, p. 53-64; E.J. Dommering e.a., Informatierecht. Fundamentele rechten voor de informatiesamenleving, Amsterdam: Cramwinckel, 2000, p. 74-79. Terug naar tekst

[11]  Daarbij bespreekt de commissie onder meer E.J. Dommering, ‘De Grondwet in de informatiemaatschappij’, in: M.C. Burkens e.a. (red.), Gelet op de Grondwet, Deventer: Kluwer 1998, p. 110-123. Terug naar tekst

[12]  G. van den Bergh, ‘De artikelen 7 en 9 van de Grondwet in het licht van de moderne techniek’, NJB 1940, p. 67-72. Terug naar tekst

[13]  Vgl. J.M. De Meij e.a., Uitingsvrijheid. De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief, Amsterdam: Cramwinckel, 2000, p. 106-110. Terug naar tekst

[14]  J.M. De Meij e.a., Uitingsvrijheid. De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief, Amsterdam: Cramwinckel, 2000, p. 134-143, beschrijft de geschiedenis van de verwarring tussen garingsvrijheid en openbaarheid van bestuur vanaf 1958 tot en met de behandeling van de grondwetswijziging van 1983. Terug naar tekst

[15]  Overigens is dit geen halszaak, nu artikel 10 EVRM via de ontvangstvrijheid voorziet in een adequate bescherming, vgl. EHRM 23 september 1994 (Jersild), NJ 1995, 382 m.nt. EJD. Terug naar tekst

[16]  Vgl. over de verspreidingsvrijheid F.H. Kistenkas, Vrije straatcommunicatie, Arnhem: Gouda Quint, 1989, met name p. 67-70; zie ook A.W. Hins, ‘Gedachten en gevoelens over de elektronische snelweg’, in: J.W. Kalkman, A.W. Hins en E.C.M. Jurgens, Communicatie- en informatievrijheid in het digitale tijdperk, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 40-44. Terug naar tekst

[17]  J.M. De Meij e.a., Uitingsvrijheid. De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief, Amsterdam: Cramwinckel, 2000, p. 111-120. Terug naar tekst

[18]  VMC Studiecommissie, ‘Preadvies inzake een nieuwe tekst voor de artikelen 7 en 13 van de Grondwet’, Mediaforum 1999-11/12, p. i-viii hanteert die benadering. Terug naar tekst

[19]  J.M. De Meij e.a., Uitingsvrijheid. De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief, Amsterdam: Cramwinckel, 2000, p. 201-203. Terug naar tekst

[20]  E.J. Dommering, De reclame en de Nederlandse Grondwet, Rapport voor de Stuurgroep Reclame, 10 november 1998, niet gepubliceerd; J.M. De Meij e.a., Uitingsvrijheid. De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief, Amsterdam: Cramwinckel, 2000, p. 247. Terug naar tekst

[21]  Vgl. VMC Studiecommissie, ‘Preadvies inzake een nieuwe tekst voor de artikelen 7 en 13 van de Grondwet’, Mediaforum 1999-11/12, p. i-viii; L.F. Asscher, Constitutionele convergentie van pers, omroep en telecommunicatie (ITeR deel 26), Kluwer: Deventer, 1999, p. 113-115. Terug naar tekst

[22]  Zoals in het voorstel van E.J. Dommering, ‘De Grondwet in de informatiemaatschappij’, in: M.C. Burkens e.a. (red.), Gelet op de Grondwet, Deventer: Kluwer 1998, p. 121. Terug naar tekst

[23]  Zie voor een andere benadering van pluriformiteit L.F. Asscher, Constitutionele convergentie van pers, omroep en telecommunicatie (ITeR deel 26), Kluwer: Deventer, 1999, p. 125-127. Daarin krijgt de overheid minder bevoegdheden die bovendien beter geclausuleerd zijn. De daar voorgestelde bepaling zou ertoe leiden dat de uitzondering van het omroepstelsel zou verdwijnen, in plaats van dat die utizondering wordt omgezet in de algemene regel. Terug naar tekst

[24]  Hiervoor waarschuwde ik in ‘Een zorg voor de nieuwe Grondwetscommissie’, Mediaforum 1999-2, p. 41. Terug naar tekst

[25]  Het begrip is afkomstig uit het proefschrift van J.A. Hofman, Vertrouwelijke communicatie. Een rechtsvergelijkende studie over de geheimhouding van communicatie in grondrechtelijk perspectief naar internationaal, Nederlands en Duits recht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995. Terug naar tekst

[26]  VMC Studiecommissie, ‘Preadvies inzake een nieuwe tekst voor de artikelen 7 en 13 van de Grondwet’, Mediaforum 1999-11/12, p. i-viii. Terug naar tekst

[27]  Kamerstukken II 1997/98, 25 443, nr. 5, p. 2-3. Terug naar tekst

[28]  Zie in die zin A.J. Nieuwenhuis, ‘Vertrouwde en virtuele bescherming’, NJCM-Bulletin 4, 1998, p. 429, die waarschuwt voor een zekere verwatering. Terug naar tekst

[29]  Derde poging want hiervoor kenden we Kamerstukken II 1997/98, 25 443, nr. 1-2 (poging 1) en nr 6 (poging 2). Terug naar tekst

[30]  E.J. Dommering, ‘Geen telefoongeheim op de elektronische snelweg’, Mediaforum 1997-10, p. 145. Terug naar tekst

[31]  Kamerstukken II 1998/99, 25 443, nr. 40, p. 2-3; die scribenten waren: N.A.N.M. van Eijk, ‘(G)een recht op vertrouwelijke communicatie: fax en email vogel­vrij’, NJB 1997, afl. 33, p. 1554-1555 en E.J. Dommering, ‘Geen telefoongeheim op de elektronische snelweg’, Mediaforum 1997-10, p. 142-147. Terug naar tekst

[32]  L.F. Asscher, Constitutionele convergentie van pers, omroep en telecommunicatie (ITeR deel 26), Kluwer: Deventer, 1999, p. 61. Terug naar tekst

[33]  Zie ook VMC Studiecommissie, ‘Preadvies inzake een nieuwe tekst voor de artikelen 7 en 13 van de Grondwet’, Mediaforum 1999-11/12, p. vi-viii. Terug naar tekst

[34]  Om dezelfde reden wordt afgezien van een grondrecht op anonimiteit (p. 126-127). Terug naar tekst

[35]  Opvallend is dat in de Verenigde Staten een zekere bescherming op grond van de communicatievrijheid (first amendment) bestaat, vgl. US Ct. of Appeals 9th C. 6 mei 1999, Bernstein v. United States, Mediaforum 1999-10, p. 279-286, met noot L.F. Asscher. Terug naar tekst

[36]  A.W. Hins en A.J. Nieuwenhuis wijzen er in ‘Hoe baken je een grondrecht af?’, NJB 1999-4, p. 163-165 op dat het belangrijk is te kijken naar de bestaande bedreigingen van het grondrecht. Terug naar tekst

[37]  G. van den Bergh, ‘De artikelen 7 en 9 van de Grondwet in het licht van de moderne techniek’, NJB 1940, p. 67-72.


Geplaatst 30.06.2000