Medewerkers
mr. G.J.H.M. Mom
(Gerard)
Universitair docent
 
Instituut voor
Informatierecht (IViR)

Bezoekadres
Korte Spinhuissteeg 3
1012 CG Amsterdam

Postadres
Kloveniersburgwal 48
1012 CX Amsterdam
kamer B1.17
tel: 020 - 525 3922
fax: 020 - 525 3033
G.J.H.M.Mom@uva.nl
 


Curriculum Vitae
Gerard Mom studeerde Nederlands Recht aan de Rijksuniversiteit Leiden en is sinds september 1974 als docent werkzaam aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam. Hij doceert op het terrein van het auteursrecht en het recht van de industriële eigendom. Hij promoveerde in 1990 aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Kabeltelevisie en auteursrecht. Hij is lid van de redactie van AMI, tijdschrift voor Auteurs-, Media- en Informatierecht. Voorts is hij lid van het bestuur van de Stichting Auteursrechtmanifestaties. Hij is redacteur van de MAG-Juridische vraagbaak voor marketing, reclame en verkoop (losbl.) en van de serie Adfo-Juridisch. Tevens is hij medewerker aan de losbladige VUGA-uitgave Intellectuele Eigendom.
Publicaties
Uitvoering in (strikt) besloten kring, AMI, 2010-3, p. 81-91.

Uitvoering van beschermde werken in een besloten kring is in beginsel aan toestemming van de betrokken rechthebbenden onderworpen, daar dit door wetsduiding geacht wordt 'in het openbaar' te geschieden. Een uitvoering in een familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen besloten kring mag echter zonder toestemming plaats vinden. In deze bijdrage staat de uit de greep van rechthebbenden blijvende voordrachten, op- en uitvoeringen en voorstellingen binnen deze drie 'strikt' besloten kringen centraal. De wettelijke regeling terzake is gecompliceerd en roept in de rechtspraktijk, meestal in zaken waar het gaat om het ten gehore brengen van beschermde muziek, steevast vragen op als: is wel van een 'uitvoering' sprake en zo ja, speelt die zich af in een strikt besloten kring? Is de situatie in landen om ons heen vergelijkbaar met de onze?

27.05.2010


(met L. Guibault) Evaluatie van de artikelen 29a en 29b van de Auteurswet 1912, Onderzoek in opdracht van het WODC (Ministerie van Justitie), oktober 2007.

De komst van de digitale netwerkomgeving als een commercieel levensvatbaar platform voor het verspreiden van auteursrechtelijk beschermd materiaal, heeft het noodzakelijk gemaakt de bescherming van de rechthebbenden op dit materiaal (de 'content') te versterken en uit te breiden. Deze studie beoogt de achtergrond en werking van de Nederlandse bepalingen betreffende de rechtsbescherming van technische voorzieningen en van informatie over het beheer van rechten (artikelen 29a en 29b Auteurswet) beknopt te inventariseren en analyseren.

26.03.2008


'Portretmerken', IER 1996-5, p. 169-175 ( illustraties).

Artikel over de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden en voorwaarden, de in de Auteurswet voorziene portretrechtelijke bescherming versterkt, aangevuld of soms zelfs vervangen zou kunnen worden door een merkenrechtelijke bescherming. Kan een portret een 'merk' zijn in de zin van de Benelux Merkenwet? Welke praktische en juridische haken en ogen zijn verbonden aan het deponeren respectievelijk gebruiken van iemands portret als teken ter onderscheiding van een product of dienst?

31.03.1998


'Collectieve auteursrechtenbureaus', in: Dossier: Ondernemingszaken, deel 23, Onderneming en Intellectuele Eigendom, Den Haag: Delwel/Advies 1996, p. 62-69 en 131-132.

Bijdrage over (het nut van) collectieve auteursrechtenbureaus in het algemeen, met nadere informatie over een aantal afzonderlijke in Nederland werkzame collectieve (beheers- en incasso-)organisaties op het gebied van het auteursrecht en de daaraan verwante rechten (zoals Buma/Stemra, Sena, Burafo, Beeldrecht, Thuiskopie, Reprorecht en Leenrecht).

31.03.1998


'Goede zeden en openbare orde in het intellectuele eigendomsrecht', IER 1995-3, p. 93-102 ( illustraties).

In dit artikel wordt de vraag aan de orde gesteld of en zo ja, in hoeverre strijdigheid met de goede zeden en/of de openbare orde van invloed is op bepaalde intellectuele eigendomsrechten. Zou bedoelde strijdigheid aanleiding kunnen zijn werken van letterkunde of kunst buiten de bescherming van het auteursrecht te plaatsen? En hoe is de situatie met betrekking tot `onzedelijke' of met de openbare orde strijdige uitvindingen, merken en modellen? Valt daaraan i.e.-bescherming te onthouden?

31.03.1998


Bijgewerkt 27.05.2010