|
|
|
|
|
Curriculum Vitae
|
|
Jan Kabel is hoogleraar
informatierecht, in het bijzonder commerciële informatie.
Hij promoveerde in 1981 op het onderwerp reclame en
vrijheid van meningsuiting en publiceert en doceert op het
terrein van intellectuele eigendom en oneerlijke
mededinging, reclame- en mediarecht en het recht op
bescherming van persoonsgegevens. Tot 2002 was hij tevens
bijzonder hoogleraar Media- en Communicatierecht aan de
Universiteit Utrecht.
Kabel is onder meer lid
van de Redactie van het tijdschrift voor Intellectuele
Eigendom & Reclamerecht (IER), Voorzitter van de
Geschillencommissie Bureau Kredietregistratie, plv.
Voorzitter van de Nederlandse Codecommissie voor het
Reclamewezen, lid van de Raad van Advies van het
tijdschrift Privacy & Informatie en Voorzitter van de
Vereniging voor Media- en Communicatierecht.
|
Publicaties
|
Annotatie bij Rb. Breda 18 september 2009 (Hermans /
Stichting Vredesduif), AMI, 2010-1, p. 24-29.
Lagere dan
overeengekomen plaatsing van werk van beeldende kunst in
de openbare ruimte. Primaire vordering tot hogere
plaatsing reeds op contractuele basis toewijsbaar.
Lagere plaatsing brengt bovendien nadeel toe aan eer en
goede naam van de maker, temeer daar het kunstwerk
daardoor vatbaarder wordt voor vandalisme.
23.02.2010
|
Boekman's Bedenkingen, in: D.J.G. Visser (red.),
Commercieel portretrecht. 30 jaar 't Schaep met de 5 pooten,
Amsterdam: Delex 2009, p. 23-29.
In 1966 publiceert
Sonja Boekman (1922-2000), de advocaat van de gedaagde
in de zaak "Teddy van Z., echtg. van H. Scholten te
Rijswijk tegen de N.V. Overzeese Sigaretten
Handelsmaatschappij, te Rotterdam" een artikel in het
Bijblad voor de Industriële Eigendom waarin zij de
systematiek van de rechtsbescherming van de
geportretteerde op de korrel neemt. Haar bedenkingen
tegen die systematiek leiden haar rechtstreeks naar de
rechtvaardiging voor het 'commerciële portretrecht', en
die betrek ik dan ook graag in deze bijdrage.
13.11.2009
|
Annotatie bij EHRM 5 maart 2009 (Hachette Filipacchi Automobile en Dupuy/Frankrijk), European Human Rights Cases, 2009-5, p.
591-600.
21.05.2009
|
(met F. Alleweldt et al.) Misleading Practices of 'Directory Companies' in the Context of Current and Future Internal Market Legislation Aimed at the Protection of Consumers and SMEs', studie in opdracht de Commissie Interne Markt en Consumentenbescherming in het Europees Parlement, oktober 2008. 28.04.2009
|
Annotatie bij EHRM 11 december 2008 (TV Vest As en Rogaland Pensjonistparti/Noorwegen), Mediaforum, 2009-3, nr. 6, p. 113-114.
14.04.2009
|
Annotatie bij EHRM 11 december 2008 (TV Vest As en Rogaland Pensjonistparti/Noorwegen), Mediaforum, 2009-3, nr. 6, p. 113-114.
14.04.2009
|
Annotatie bij Vrz. Rb. Haarlem 25 juli 2008 (Tele2/UPC), Intellectuele Eigendom & Reclamerecht (IER), 2009-1, nr. 6, p. 12-18.
14.04.2009
|
(met S. Kulk) Wie schrijft die blijft? De verhouding tussen uitgevers, redacteuren en hun schrijvers bij wijzigingen in het beleid van een uitgeversconcern, Amsterdam: Instituut voor
Informatierecht 2009. Studie in opdracht van NDC / VBK.
16.02.2009
|
(met S-E. Batenburg, K.
Schepers & C. Wiersma, onder redactie van G.J.H.M. Mom & J.J.C. Kabel) Een
nieuwe Auteurswet voor Suriname - Achtergronden,
internationale verdragen en bespreking van het
concept-wetsvoorstel, Mr. S-E. Batenburg, Mr. K.
Schepers & Mr. C. Wiersma, onder begeleiding en
onder redactie van prof.
dr. J.J.C. Kabel & dr.
G.J.H.M. Mom, Amsterdam: Instituut voor
Informatierecht 2008.
Rapport geschreven op
verzoek van het Bureau Intellectuele Eigendom van de
Republiek Suriname.
11.02.2009
|
(met A.C.A. Brinkman, L. van Dijk, J.C.J. Dute & R.D. Friele & M. Vervloet) ‘Evaluatie Reclamebesluit Geneesmiddelen’, Den Haag: ZonMW 2008.
Deze wetsevaluatie betreft een onderzoek naar de doelstelling van het Reclamebesluit Geneesmiddelen (thans zonder grote wijzigingen vervangen door hoofdstuk 9 van de Geneesmiddelenwet) en het systeem van geconditioneerde zelfregulering binnen de geneesmiddelenreclame. Daarbij is onderzocht of de Europese Richtlijn 2001/83/EG op een juiste wijze is geïmplementeerd. Ook is onderzocht hoe de implementatie in enkele ons omringende landen heeft plaatsgevonden. Tenslotte wordt ingegaan op de vraag hoe het systeem van geconditioneerde zelfregulering werkt en welke nieuwe ontwikkelingen zich op het gebied van geneesmiddelenreclame voordoen.
22.10.2008
|
‘Audiovisual Media Services
and the Unfair Commercial
Practices Directive’, IRIS plus (Supplement to IRIS - Legal Observations of the European Audiovisual Observatory), 2008-8, p. 2-8.
18.09.2008
|
|
Van
test naar waardering? Vergelijkend warenonderzoek in het
internettijdperk, in: N.A.N.M. van Eijk & P.B.
Hugenholtz (red.) Dommering-bundel: Opstellen over
informatierecht aangeboden aan prof. mr. E.J. Dommering,
Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever 2008, p. 169-188.
15.05.2008
|
|
Eerlijke
handel: de beoordeling van misleidende reclame en andere
oneerlijke handelspraktijken, Vakblad voor de
MKB-Adviseur, 2008-5, p. 6-11.
Het codificeren en
harmoniseren van oneerlijk mededingingsrecht gaat niet
van een leien dakje, vooral omdat de belangen van de
betrokken partijen niet op één lijn zijn te krijgen.
Uiteindelijk heeft de Europese Commissie besloten om
vooralsnog slecht een deel van het hier bedoelde
rechtsgebied te harmoniseren, te weten de bescherming
van de consument tegen oneerlijke handelspraktijken. Dat
is gebeurd in Richtlijn 2005/29, die vervolgens is
geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving die naar alle
waarschijnlijkheid een dezer dagen in werking treedt.
Die wetgeving gaat een hoop problemen opleveren, lijkt
nu al vast te staan.
15.05.2008
|
|
Annotatie
bij Rb. 's-Hertogenbosch 19 december 2007 (Verkade /
Taminiau), AMI, 2008-2, p. 50-54.
Opdrachtgever die het
risico draagt dat zij het in een serie geïnvesteerd
bedrag niet kan terugverdienen door middel van
exploitatie van de serie en die de makers heeft
geëngageerd, kan worden aangemerkt als producent in de
zin van art. 45d Aw.
15.05.2008
|
|
Annotatie
bij Hof
van Justitie 8 november 2007 (Ludwigs-Apotheke
München Internationale Apotheke / Juers Pharma
Import-Export GmbH), Intellectuele
Eigendom & Reclamerecht (IER), 2008-1, p. 22-28.
Het gaat om een
uitzondering op de regel dat levering van
ongeregistreerde geneesmidden is verboden. In
uitzonderlijke gevallen mag dat toch, en op die gevallen
is Richtlijn 2001/83 buiten toepassing verklaard. Voor
deze uitzonderlijke gevallen mag volgens de Duitse
wetgeving geen reclame worden gemaakt. Dit nationale
reclameverbod kan niet worden getoetst aan de Richtlijn.
Toetsing aan primair EG-recht leidt tot het oordeel dat
het desbetreffende reclameverbod in dit geval
disproportioneel wordt toegepast, omdat het informatie
verbiedt die niet als reclame valt te beschouwen (de
handelsnaam, het verpakkingsformaat, de prijs, de
dosering en de landen waar de geneesmiddelen wel zijn
geregistreerd).
15.05.2008
|
Reclamerecht
en Oneerlijke Mededinging - Ontwikkelingen in 2006, Intellectuele
Eigendom & Reclamerecht (IER), 2007-4, p. 203-209.
Publiekrechtelijke
handhaving van consumentenbelangen, juridische reactie
op digitalisering van audiovisuele media,
commercialisering van audiovisuele media, co-regulering,
paternalisme: dat zijn zo ongeveer de trefwoorden
waarmee de wetgevende arbeid op ons terrein, zowel
Europees als nationaal kunnen worden geschetst. Wil men
een algemene noemer voor de ontwikkelingen, dan denk ik
dat het accent vooral ligt op een actief
wetgevingsbeleid met betrekking tot de inhoud van
commerciële informatie, terwijl de regulering van de
infrastructuur steeds meer aan de markt wordt
overgelaten. Regulering van de inhoud dient ter
bescherming van specifieke economische en
niet-economische (gezondheid) consumentenbelangen.
Liberalisering van de infrastructuur heeft betrekking op
de opheffing of versoepeling van zogenaamde 'time, place
and manner' beperkingen op de verspreiding van
commerciële informatie.
12.09.2007
|
|
Moet
er een nieuwe Aalberse opstaan? Oneerlijke
handelspraktijken in B2B-verhoudingen, Intellectuele
Eigendom & Reclamerecht (IER), 2007-3, nr. 40, p.
143-144.
10.07.2007
|
|
De
onnavolgbare nagevolgd: Over Charles Dickens en het
auteursrecht, in D.J.G.
Visser & D.W.F. Verkade (red.), Een
eigen, oorspronkelijk karakter: opstellen aangeboden aan
prof. mr. Jaap H. Spoor, (Spoorbundel), Amsterdam:
Uitgeverij DeLex 2007, p. 171-186.
10.07.2007
|
|
Handelsinformatiebureaus,
particuliere onderzoeksbureaus en zwarte lijsten, in:
J.M.A. Berkvens en J.E.J. Prins, Privacyregulering in
theorie en praktijk, Kluwer: Deventer 2007, p.
227-251.
Gelet op het huidige
consumentengedrag en de ontwikkelingen in de markt, is
het niet onwaarschijnlijk dat vanuit het bedrijfsleven
er een groeiende behoefte blijft bestaan aan zwarte
lijsten en andere informatiesystemen over negatief
gedrag van particulieren en bedrijven. Het gaat bij het
verwerken van dit soort informatie om de harde kern van
privacyinbreuk: het verzamelen en verstrekken aan derden
van meestal gevoelige informatie die bedoeld is om
beslissingen over personen mogelijk te maken en die
doorgaans buiten betrokkene om wordt verwerkt. De Wet
bescherming persoonsgegevens bevat afzonderlijke
informatieplichten voor verantwoordelijken die gegevens
buiten betrokkene om verwerken, en een regeling in de
wet zelf voor bijzondere gegevens; het College voor de
bescherming van persoonsgegevens dient voorts
voorafgaande aan de verwerking door informatiebureaus
van strafrechtelijke gegevens of gegevens over
onrechtmatige of hinderlijk gedrag een onderzoek in te
stellen, indien die bureaus gaan werken zonder
vergunning op grond van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en onderzoeksbureaus. Voor
particuliere onderzoeksbureaus die met een vergunning
werken bestaat een bijzondere regeling in de vorm van
een bij Ministeriële regeling voorgeschreven verplicht
model voor een Privacygedragscode. Tevens is de
Gedragscode voor Handelsinformatiebureaus aangescherpt.
Voor zwarte lijsten bestaat een Checklist Zwarte
lijsten. De wettelijke regeling en de bijbehorende
rechtspraak en nadere gedragscodes worden in dit artikel
geanalyseerd.
16.05.2007
|
|
(met F. Henning-Bodewig),
Should
the objectives of the rules on unfair competition be te
protection of competitors, or consumers, or of other
interests? How should any conflict between these
objectives be resolved? International Report for the
LIDC Amsterdam Congress on Competition Law, 5-7 oktober
2006.
The European Directive
2005/29/EC on unfair commercial practices of May 11,
2005 regulates exclusively unfair commercial practices
which are directly related to influencing a
transactional decision of end-consumers and excludes all
practices that are neither directed to end-consumers,
nor directly influencing a transactional decision of
consumers. Misleading advertising, for instance, is now
judged on the basis of two different sets of regulation:
the new Directive 2005/29/EC deals with
"B2C"-advertising, while
"B2B"-advertising has to comply with Directive
84/450/EEC. This international report, based upon
contributions from eleven countries, is devoted to the
question whether there are a priori two different
standards for assessing unfair commercial practices. Is
there one standard for consumers and another one for
competitors? On the other hand, are the interests of all
market participants too intertwined to allow different
standards of fairness? More generally: Should the rules
on unfair competition focus on the act as such - which,
of course, must be seen against the background of alle
circumstances, especially the target group - or should
they focus primarily on the protection of the
end-consumer or of competitors?
24.05.2007
|
|
(m.m.v. P.B.
Hugenholtz en M.M.M. van
Eechoud),
Exclusiviteit
en openbaarheid van ruimtelijke informatievoorziening,
27 oktober 2006.
Kortlopend onderzoek
ten behoeve van de Nederlandse standpuntbepaling ten
aanzien van het voorstel voor een Richtlijn tot
oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke
informatie in de Gemeenschap (INSPIRE).
28.11.2006
|
|
Annotatie
bij Vzr.
Rb. Arnhem 16 augustus 2006 (KPN / UPC), Intellectuele
Eigendom & Reclamerecht (IER), 2006-5, nr. 81, p.
281-285.
Gebruik van het merk
van een ander in vergelijkende reclame vergt volgens
deze uitspraak onderzoek naar noodzaak dat merk te
noemen. Indien die noodzaak ontbreekt, is er geen sprake
van een geldige reden in de zin van artikel 13a, lid 1
sub d. BNW en sprake van onrechtmatig gebruik van het
merk in de zin van artikel 6:194a BW. Het simpele feit
dat een adverteerder vergelijkende reclame maakt, is
volgens annotator echter voldoende noodzaak om het merk
van de concurrent te noemen. Afzonderlijk onderzoek naar
de noodzaak is dan dus niet vereist. Een rechter die dat
wel doet, zet de richtlijn op zijn kop. Dat betekent ook
dat voor een afzonderlijk onderzoek naar het bestaan van
een geldige reden in het merkenrecht in zaken van
vergelijkende reclame geen plaats behoort te zijn.
25.05.2007
|
|
Annotatie
bij Hof
van Justitie van de EG 23 februari 2006 (Siemens/
VIPA), Intellectuele Eigendom & Reclamerecht (IER)
2006-3, nr. 47, p. 165-167.
Een concurrerende
leverancier die in zijn catalogi gebruikmaakt van het
kernelement van een in vakkringen bekend onderscheidend
kenmerk van een fabrikant, trekt in omstandigheden als
die in het hoofdgeding geen oneerlijk voordeel uit de
bekendheid van dit onderscheidend kenmerk. Het voordeel
van de vergelijkende reclame voor de consumenten moet in
aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het
oneerlijk voordeel dat de adverteerder trekt uit de
bekendheid van een merk, handelsnaam of andere
onderscheidende kenmerken van een concurrent. In casu
zouden de gebruikers, wanneer VIPA het kernelement van
de bestelnummers van haar aanvullende componenten voor
de besturingssystemen van Siemens veranderde, de
bestelnummers van de overeenkomstige producten van
Siemens in een vergelijkende lijst moeten opzoeken. Dat
zou nadelen voor de consumenten en VIPA opleveren.
Daarentegen kan het voordeel van de vergelijkende
reclame voor de adverteerder, dat wegens de aard van dit
soort reclame hoe dan ook evident is, op zich niet
beslissend zijn bij de beoordeling van de rechtmatigheid
van het gedrag van deze adverteerder.
05.07.2007
|
|
Reclame
en oneerlijke mededinging 2005, Intellectuele
Eigendom & Reclamerecht (IER), 2006-2, p. 57-77.
In dit jaarlijks
overzicht van wetgeving, rechtspraak en literatuur wordt
veel aandacht besteed aan nieuwe Europeesrechtelijke
voorstellen op het terrein van oneerlijke
handelspraktijken en reclame in audiovisuele media. Uit
de behandelde rechtspraak blijkt onder meer de
belangrijke betekenis voor de afloop van een zaak van
het leerstuk van oneerlijke voorsprong door
wetsovertreding.
25.05.2007
|
|
Commentaar
op Lycos/Pessers, Intellectuele Eigendom &
Reclamerecht (IER), 2006-1, p. 1-3.
Het gaat in deze zaak
om een anonieme, feitelijk verifieerbare, beschuldiging
van oplichting, die maar door één negatieve en
weersproken ervaring wordt gestaafd. Dat betekent dat de
onrechtmatigheid onmiskenbaar is, ook al zegt het Hof
dat helaas niet met zoveel woorden. Een beroep door de
afzender op het recht om anoniem te communiceren, is dan
niet aan de orde. Wanneer de tussenpersoon de enige is
die informatie kan leveren over de afzender en nakoming
van die informatieplicht geen ernstige risico's of
onevenredige belasting oplevert, handelt de
tussenpersoon, in een geval als dit, onzorgvuldig,
indien voldoende aannemelijk is dat de informatie, op
zichzelf beschouwd, jegens de derde potentieel
schadelijk is. De Hoge Raad maakt duidelijk, dat in dit
geval geen algemene regel is geformuleerd, maar het
oordeel van het Hof is toegesneden op het onderhavige
geval
25.05.2007
|
Annotatie
bij Rb.
Arnhem 31 augustus 2005 (De Lotto / Ladbrokes), Intellectuele
Eigendom & Reclamerecht (IER), 2005-6, nr. 89, p.
368-375.
Er zijn de laatste tijd
veel van dit soort zaken geweest, waarin een Nederlandse
aanbieder een (veelal in Engeland gevestigde)
buitenlander van de internetgokmarkt verdrijft met het
argument dat wat Nederlanders niet mogen, ook aan
buitenlanders niet is toegestaan uit een oogpunt van
eerlijke concurrentie. Tot nu toe hebben de Nederlandse
vergunninghouders het doorgaans gewonnen. Dat gebeurt
hier ook, mede dankzij een bijzondere vorm van public-private
partnership tussen rechterlijke en uitvoerende macht.
Publiek en privaat belang lijken hier als uit één mond
te spreken. Dat wekt enig wantrouwen. Wordt het leerstuk
van oneerlijke voorsprong door wetsovertreding wel goed
toegepast?
25.05.2007
|
|
Annotatie
bij Hof Den Haag 21 april 2005 (Goedewaagen / Bols),
Intellectuele Eigendom
& Reclamerecht (IER) 2005-4, nr. 46, p. 211-214.
Het auteursrecht
beschermt alleen bepaalde werken - een bepaalde
vormgeving/gestalte - en niet een bepaalde stijl - als
zodanig een abstractie - waarin een werk of
verschillende werken is/zijn gemaakt. Bescherming
toekennen aan de collectie van KLM-huisjes zou naar het
oordeel van het hof neerkomen op het ten onrechte
beschermen van een bepaalde stijl, hetgeen ook wel
blijkt uit de gevolgtrekking die de rechtbank aan het
aannemen van de collectie als één bepaald werk
verbindt, er op neer komend dat de gemeenschappelijke
kenmerken van de individuele huisjes auteursrechtelijke
bescherming toekomt.
05.07.2007
|
|
(met S.
Gorini), Broadcasters'
obligation to invest in (cinematographic) film: The
Netherlands, Amsterdam, 2005.
25.01.2006
|
Meer
onderzoek naar Misleiding & Verwarring? Consequenties
van de OHP Richtlijn, Presentatie op het
Lustrumcongres 20 jaar IER, 1 november 2005.
02.11.2005
|
‘Rechter
en publieksopvattingen: Feit, fictie of ervaring? Over de
beoordeling door de rechter van commerciële communicatie’,
Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van
het ambt van Hoogleraar in het Informatierecht, in het
bijzonder Commerciële Informatie aan de Universiteit van
Amsterdam op 17 juni 2005, Amsterdam: Otto Cramwinckel
Uitgever (2005).
20.06.2005
|
(met K. Janssen), Commercialisering
van overheidsinformatie door de overheid: rechtspraak en
wetgeving in België en Nederland. De honden blaffen, maar
de karavaan trekt voort, Computerrecht, 2005-3,
p. 117-129.
Overheidsinformatie
maakt een integraal deel uit van ons dagelijks leven.
's Morgens luisteren we naar het weerbericht. In de
auto horen we verkeersinformatie en gebruiken we een
wegenkaart of een GPS. Wanneer we een stuk grond of een
huis willen kopen, hoort daar informatie over de
bouwvoorschriften en van het Kadaster bij. Op kantoor
vragen we misschien de jaarrekening van een concurrent
op, of kijken we naar statistieken van het koopgedrag
van de consument.
In veel van deze gevallen zal de informatie waarop we
ons baseren, ook al is ze soms verpakt in een
commercieel product of dienst, afkomstig zijn van de
overheid. De overheid verzamelt bij de uitvoering van
haar publieke taak immers een gigantische hoeveelheid
aan informatie die ook zeer interessant kan zijn voor
alle deelnemers aan de samenleving.
05.07.2005
|
‘Van
een auteursrechtelijk naar een privaatrechtelijk droit
au respect bij vernietiging van werk’, in I.C.
van der Vlies, De kunst en het recht: over algemene
publiekrechtelijke regels met betrekking tot kunst,
Den Haag: Boom Juridische uitgevers (2005), p. 189-204.
16.06.2005
|
Annotatie
bij Vzngr. Rb. Amsterdam 13 januari 2005 (McDonald's /
Burger King), IER, 2005-3, p. 194-199.
Art. 13A lid 1 sub d BMW
en art. 6:194 lid 2 sub e BW. Vergelijkende reclame waarin
een Advertising Property (de clown van McDonald's) van de
concurrent wordt gebruikt. Deze vertoont te weinig
verwantschap met het merk zoals gedeponeerd om inbreuk op
het merkrecht van de concurrent aan te nemen. Het stiekeme
optreden van de clown in de winkel van de adverteerder
maakt de concurrent belachelijk en is onrechtmatig als een
vorm van kleinerende reclame. De prijsvergelijking zelf is
rechtmatig.
20.06.2005
|
Annotatie
bij Arr. Rb. Amsterdam 20 oktober 2004 (Tuijnman / Stichting
Het Woningbedrijf Amsterdam), AMI, 2005-3, p. 93-100.
Verzet van architect
tegen aantasting van zijn werk. Beoordeling op
contractuele gronden (art. 6:2 en 6:248 BW), op
rechtsverwerking en op artikel 25 lid 1 sub d Aw.
Vordering tot herstel in de oude toestand onder toekenning
van nieuwe opdracht aan architect afgewezen.
Schadevergoeding als gevolg van aantasting van
persoonlijkheidsrechten op € 10.000 vastgesteld.
14.06.2005
|
| (met E.R.
Vollebregt) ‘Kroniek
Reclamerecht en Oneerlijke Mededinging 2004’, IER,
2005-2, p. 85-90.
17.06.2005
|
|
Annotatie
bij Reclame Code Commissie 21 december 2004 (STIVA /
STAP), IER, 2005-2, nr. 31, p. 140-142.
Klacht van de Stichting
Verantwoord Alcoholgebruik tegen posters van de Stichting
Alcoholpreventie. De posters, bedoeld om kinderen af te
houden van alcoholgebruik, vertonen beelden van alcohol
drinkende kinderen. Gelet op de context is terecht
geoordeeld dat er geen sprake is van een aanmoediging om
alcohol te drinken en is het niet nodig om nog eens
afzonderlijk te beoordelen of er sprake is van strijd met
artikel 13 lid 1 NRC (misleiding in reclame gericht op
kinderen).
31.08.2007
|
Annotatie
bij Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 12 november 2004 (Pretium
Telecom / Yiggers Nederland), IER, 2005-2, p.
118-121.
Gebruik van merk en
handelsnaam van een ander als zoekwoord niet op zichzelf
onrechtmatig, maar wel indien aan zoekwoord advertentie
van die gebruiker wordt gekoppeld. Het niet onder eigen
naam doen van mededelingen over de concurrent is
onrechtmatig. Waarschuwingen met betrekking tot aanbod van
concurrent niet onrechtmatig indien de gemaakte
vergelijking verder inhoudelijk juist is.
06.07.2005
|
Annotatie
bij Rb. 's-Gravenhage 15 september 2004 (Caris / EON), IER,
2005-1, p. 10-13.
Aantasting in de zin van
art. 25 lid 1 sub d Aw. Toewijzing van de vordering tot
herstel van het werk betreft een discretionaire
bevoegdheid van de rechter en kan niet los worden gezien
van de context waarbinnen bedoelde schade is opgetreden.
Gelet op de discrepantie tussen het gevorderde herstel en
het recht van de eigenaar van een stoffelijk exemplaar van
een werk om onder bepaalde voorwaarden tot sloop over te
gaan, zolang dat niet onrechtmatig is te achten, acht de
rechtbank herstel geen passende vorm van redres.
16.06.2005
|
Annotatie
bij Hof Amsterdam 30 september 2004 (T-Mobile / ID&T
Mobile), IER, 2005-1, p. 41-43.
Bij de beoordeling van
verwarringsgevaar dient niet beslissend te zijn de door de
inbreukmaker zelf gebezigde uitingen, maar komt het aan op
het normale gebruik van het teken. Het hof kan dan ook
voorbijgaan aan marktonderzoek dat uitsluitend gebaseerd
is op de website en op commercials van de
inbreukmaker.
06.04.2005
|
(samen
met N.A.N.M
van Eijk, L.F.
Asscher, N.
Helberger),
De
regulering van media in internationaal perspectief
Achtergrondstudie voor het WRR-rapport
'Focus op functies : uitdagingen voor een toekomstbestendig
mediabeleid'. Deze publicatie is ook als boek te bestellen
bij Amsterdam
University Press (AUP).
04.02.2005
|
| Annotatie
bij Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 21 juli 2004
(Nationalevacaturebank.nl / CVBank), IER, 2004-6, p.
419-420.
12.11.2004
|
| Annotatie
bij Rb. Amsterdam 7 juli 2004 (Leaseverlies / Dexia), IER,
2004-5, p. 357-370.
12.11.2004
|
Annotatie
bij Hof van Justitie EG 7 januari 2004 (Gerolsteiner
Brunnen / Putsch), IER, 2004-2, p. 150-153.
In een
conflict tussen twee overeenstemmende merken voor dezelfde
waren, is gebruik als merk van het conflicterende teken
geen doorslaggevende beoordelingsfactor, indien het
conflicterende merk een (erkende) herkomstaanduiding
betreft. Artikel 6 lid 1 van Richtlijn 89/104/EEG geeft
slechts één beoordelingscriterium voor de
verbodsbevoegdheid van de merkhouder, namelijk of het
gebruik van de geografische aanduiding in overeenstemming
is met de (nationale) eerlijke gebruiken in handel en
nijverheid. De nationale rechter dient daarbij alle
omstandigheden van het geval te betrekken.
17.06.2005
|
| Annotatie
bij het Hof
van Justitie EG, 6 november 2003, (Piergiorgio Gambelli
e.a/Italië), IER 2004-1, p. 61-69.
09.03.2004
|
| Annotatie
bij het Hof
van Justitie EG 23 oktober 2003, (Adidas-Salomon
AG, voorheen Adidas AG, Adidas
Benelux BV/Fitnessworld Trading Ltd), IER 2004-1, p.
53-58.
09.03.2004
|
| Waarom
wij (nog) niet mogen gokken op het internet, Nota
Bene, Verenigingsblad van de Juridische Faculteit der
Amsterdamse studenten 2003-4, p. 33-37.
09.03.2004
|
Vijfentwintig
jaar uitingsvrijheid voor handelsreclame in de Rechtspraak,
in: A.W. Hins & A.J.
Nieuwenhuis (red.), Van ontvanger naar zender,
Opstellen aangeboden aan prof.mr. J.M. de Meij,
Amsterdam: Otto Cramwinckel (2003), p.175-191
07.01.2004
|
Annotatie
Pippig Augenoptik / Hartlauer Handelsgesellschaft, IER
2003-5, p. 320-325.
30.10.2003
|
‘Swings
on the Horizontal. The search for Consistency In European
Advertising law’, Iris Plus 2003-8, p. 2-8.
22.10.2003
|
‘Spam:
A Terminal Threat to ISPs? The legal position of ISPs
concerning their Anti-Spam Policies in the EU after the
Privacy & Telecom Directive’, Computer Law
Review International (voortz. van Computer und Recht
International) 2003-1, p. 1-5.
17.09.2003
|
| Annotatie
bij Rechtbank
Arnhem 27 januari 2003 (Stichting de Nationale
Sporttotalisator/Ladbrokes Ltd.), IER 2003-3, p.
184-188.
04.08.2003
|
| Annotatie
bij Hof Amsterdam 18 juni 2002 (AbFab/XS4ALL), Computerrecht
2002-5, p. 299-307.
12.11.2002
|
| Annotatie
bij College van Beroep Stichting Reclamecode 25 april 2002
(Teaser voor Head & Shoulders), IER, 2002-5, p.
269-271.
25.10.2002
|
| Annotatie
bij Vzngr. Rb. Almelo 8 mei 2002 (Specsavers / Fielmann), IER
2002-5, p. 266-269.
25.10.2002
|
| Annotatie
bij Vzngr. Rb. Amsterdam 2 mei 2002 (.infodomeinnaam), IER
2002-5, p. 262-264.
25.10.2002
|
‘Reclamerecht
Online. Problemen in theorie en praktijk’, bewerkte
versie van twee artikelen die eerder zijn verschenen in IER
2001-6 en 2002-3.
De E-commerce richtlijn
lijkt maar een klein stukje van het reclamerecht online te
regelen. In werkelijkheid gaat het om een veel groter
gebied, wordt het online-recht inzake oneerlijke
mededinging zeer tersluiks meegenomen en heeft de nog
jonge richtlijn nu al verwoestende consequenties gehad
voor enkele bijzondere reclameregels. In deze tekst wordt
bezien wat reclame op het internet en op enkele andere
online-media nu zo nieuw en attractief maakt, wat de
praktische problemen zijn die zich thans al op basis van
het bestaande recht voordoen in de (binnen- en
buitenlandse) rechtspraak, c.q. in theorie worden gesteld
in de (binnen- en buitenlandse) literatuur en onderzocht
in hoeverre de nieuwe richtlijn geschikt is om die
problemen aan te pakken.
16.08.2002
|
‘Informatiebureaus
en de bescherming van persoonsgegevens’, in: J.M.A.
Berkvens en J.E.J. Prins (red.), Privacyregulering in
theorie en praktijk, Deventer: Kluwer 2002.
In de particuliere sector
is de behoefte aan privacybescherming juist met betrekking
tot de activiteiten van informatiebureaus al vroeg
gevoeld, met name bij het verzamelen van inlichtingen op
het gebied van kredietwaardigheid en solvabiliteit. De Wet
persoonsregistraties (WPR) bevatte een bijzondere regeling
in de wet zelf. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
kent echter geen afzonderlijke regeling meer. In het
navolgende wordt, nu specifieke regels in de Wbp
ontbreken, herhaaldelijk teruggegrepen op het systeem en
de voorgeschiedenis van de bijzondere regeling voor
handelsinformatiebureaus in art. 13 WPR. Omdat de
desbetreffende praktijken niet altijd vallen onder het
regime van de Wbp, is het ook nodig te bezien wat het
gewone recht oplevert.
16.08.2002
|
| Annotatie
bij Rb. Zwolle 21 november 2001 (Jelles / Gemeente Zwolle),
IER 2002-3, p. 139-142.
25.07.2002
|
(met E.J.
Dommering & P.B.
Hugenholtz)
‘De
overheid en het publiek domein van informatie voor
wetenschappelijk onderzoek’, in: H. Dijstelbloem en
C.J.M. Schuijt (red.), De publieke dimensie van kennis,
Voorstudies en achtergronden (V110), Wetenschappelijke
Raad voor het regeringsbeleid, Den Haag: SDU Uitgevers,
2002, p. 249-308.
07.05.2002
|
| ‘De
billijke vergoeding in het filmrecht: eindelijk
gerechtigheid? Enkele opmerkingen bij de zaak Poppenk/NCF’,
AMI 2002-2, p. 29-33.
07.05.2002
|
| Annotatie
bij EHRM 28 juni 2001 (Vgt Verein gegen Tierfabriken /
Switzerland), Mediaforum 2002-2, p. 54-59.
21.03.2002
|
Annotatie
bij HvJEG 25 oktober 2001, zaak C-112/99 (Toshiba Europe
GmbH / Katun Germany GmbH), IER 2001-1, p. 44-51.
Refererende reclame:
vermelding van artikelnummers van originele
reserveonderdelen en verbruiksartikelen door verkoper van
niet-originele reserveonderdelen en verbruiksartikelen.
Prejudiciële beslissing over de uitleg van de artikelen 2
punt 2 bis, en 3 bis, lid 1, sub c en g, van richtlijn
84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake
misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 250,
blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB L
290, blz. 18). Vermelding te beschouwen als vergelijkende
reclame. Objectieve verwijzende vergelijking kan toch
ontoelaatbaar zijn indien doelgroep reputatie producten
concurrent toeschrijft aan (vervangende) producten
adverteerder. Verschil met BMW/Deenik? Gunstiger positie
voor de wederverkoper dan voor de verwijzer naar
vervangingsproducten. Toepassing van richtlijn 97/95/EG
dodelijker voor vergelijkende reclame dan het merkenrecht?
Het schiet niet op met de liberalisering van vergelijkende
reclame in Europa.
21.03.2002
|
‘Reclamerecht
ONLINE - Problemen in theorie en praktijk (I)’, IER
2001-6, p. 257-266.
De E-commerce
richtlijn lijkt maar een klein stukje van het reclamerecht
online te regelen. In werkelijkheid gaat het om een veel
groter gebied, wordt het online-recht inzake oneerlijke
mededinging zeer tersluiks meegenomen en heeft de nog
jonge richtlijn nu al verwoestende consequenties gehad
voor enkele bijzondere reclameregels. Nu het internet als
medium dichter tegen printmedia aanligt dan tegen omroep
en de internetgebruiker als een redelijk oplettende
consument mag worden gezien, dienen al te beschermende
maatregelen kritisch tegen het licht te worden gehouden.
Opruimen van wettelijke regels leidt anderzijds weer tot
meer werk voor de rechter en tot rechtsonzekerheid.
27.01.2002
|
| (met Chr.A. Alberdingk Thijm
& P.B. Hugenholtz; m.m.v.
D.J.B. Bosscher), Kennisinstellingen
en informatiebeleid. Lusten en lasten van de publieke taak
(niet-gecorrigeerde versie), de definitieve tekst is
verschenen bij Otto
Cramwinckel Uitgever (Amsterdam), 2001.
21.11.2001
|
‘Plaatjes
vullen geen gaatjes’, IER 2001-5, p. 122-123.
Annotatie bij de zaak Röling
/ Haarlem, over morele rechten in het auteursrecht.
01.09.2001
|
‘Reclamerecht
en oneerlijke mededinging’, IER 2001-2, p.
50-55.
Kabel verzorgt jaarlijks
de kroniek 'Reclamerecht en oneerlijke mededinging' voor
het tijdschrift Intellectuele eigendom en reclamerecht. De
hier opgenomen bijdrage over het jaar 2000 is gewijd aan
de e-commerce richtlijn, de voorstellen tot
grondwetswijziging (artikel 7lid 4 Grondwet wordt
geschrapt), reclame voor kinderen, de rechtspraak van het
HvJEG en de Nederlandse rechtspraak op het terrein van
internet en reclame, medische claims en oneerlijke
mededingingsrubrieken als prestatiebescherming,
aanhakende, afbrekende en vergelijkende reclame alsmede
het profiteren van wanprestatie.
01.09.2001
|
‘Commercial
communications’, in: Study on Consumer Law and the
Information Society, Amsterdam: PriceWaterHouseCoopers
(2000), p. 22-38.
Deze studie is geschreven
in opdracht van de Europese Commissie en gecoördineerd
door Price Waterhouse Coopers in samenwerking met de
Katholieke Universiteit Tilburg en de Universiteit Utrecht
en afgerond op 17 augustus 2000. Onderzocht wordt welke
regels er op Europees niveau gelden ten aanzien van
commerciële communicatie, welke van die regels
achtereenvolgens geheel overeind kunnen blijven in de
informatiemaatschappij, waar vanuit een oogpunt van
consumentenbescherming verhelderingen zijn vereist, welke
regels duidelijk niet deugen en waar zich hiaten vertonen.
01.09.2001
|
‘Het
gevaar van te zwaar’, Annotatie bij Pres. Rb. Utrecht
15 februari 2000, IER 2000-3, p. 172-177.
Hoe dienen
reclameverboden te worden gehanteerd als het gaat om
reclame op Internet? Gelden dezelfde regels als die in de
offline wereld of maakt het verschil dat op Internet de
consument zelf op zoek gaat naar informatie? De President
zoekt het in het aantal klikken: hoe meer klikken, hoe
minder (verboden) reclame, maar is dat wel een goed
criterium?
12.08.2001
|
‘Informatiebureaus
en de bescherming van persoonsgegevens’, in: J.M.A.
Berkvens en J.E.J.Prins (red.), Privacyregulering in
theorie en praktijk, Deventer: Kluwer 2000, p. 317-339.
In de Wet
persoonsregistraties kenden we een bijzondere regeling
voor het bedrijfsmatig verzamelen van persoonsgegevens
teneinde die commercieel te verhandelen. Een zinnige
benadering omdat juist op dat gebied de bescherming van
persoonsgegevens hard nodig is. De nieuwe Wet bescherming
persoonsgegevens heeft daar een eind aan gemaakt: er is
geen bijzondere regeling meer, we moeten het doen met de
algemene regels van de wet. Is dat een verbetering?
Kritische beschouwing over de betekenis van de nieuwe Wet
bescherming persoonsgegevens voor de activiteiten van
zogenaamde informatiebureaus.
01.09.2001
|
‘Het
scenario van artikel 45d Auteurswet: Ongevraagd, ongebruikt
en onbegrepen’, Amsterdam: Netwerk
Scenarioschrijvers van de Vereniging van Schrijvers en
Vertalers 2000, 61 p.
Scenarioschrijvers hebben
een beroerde positie, als het gaat om onderhandelingen
over hun honorarium met omroeproducenten en met
filmproducenten. Hoe komt dat? Heeft de wetswijziging van
1985 en de daaropvolgende wijzigingen van het hoofdstuk
over filmrechten in de Auteurswet hun niet het voordeel
van een zogenaamde billijke vergoeding opgeleverd? In de
rechtspraktijk blijkt de rechter niet goed om te kunnen
gaan met de filmrechtregeling. De organbisatorische
positie van scenariposchrijvers is ook niet al te best. In
andere landen gaat het anders. Kritische beschouwing van
de Nederlandse regelgeving en rechtspraak inzake artikel
45d Auteurswet; met een behandeling van de wijze waarop in
een aantal andere landen wordt omgegaan met de verhouding
tussen filmproducent en scenarioschrijver.
01.09.2001
|
‘De
ivoren toren en de kip met de gouden eieren.
Contractonderzoek en uitgeefactiviteiten van universiteiten:
oneerlijke concurrentie op de kennismarkt?’, in: P.B.
Hugenholtz, J.J.C. Kabel en G.A.I.
Schuijt (red.), Universiteit en auteursrecht.
Wetenschappelijke informatievoorziening in een digitale
omgeving, Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever 1998, p.
93-107.
Moet de universiteit een
ivoren toren blijven waar wetenschappers zich verre houden
van de gewone wereld, of mogen universitaire
wetenschappers hun werk commercialiseren? En zo ja, onder
welke voorwaarden mag dat dan geschieden? Problemen van
oneerlijke overheidsconcurrentie bij contractonderzoek en
uitgeefactiviteiten van universiteiten.
01.09.2001
|
‘Oneerlijke
mededinging en de vrijheid van wetenschappelijke
informatievoorziening’, EHRM 25 augustus 1998 (Hertel
v. Zwitserland).
Ingevolge het EHRM in
zijn uitspraak Hertel v. Zwitserland mag een met het
nodige voorbehoud geformuleerd, wetenschappelijk
onderzoeksverslag door de nationale rechter als
onrechtmatige oneerlijke mededinging worden bestempeld,
indien het de omzet van daarin onderzochte produkten
daadwerkelijk nadelig beïnvloedt. Dat is een
concurrentie-norm die wordt toegepast buiten het domein
van de mededinging. De Zwitserse wetgeving maakt zulks
mogelijk, omdat zij oneerlijke medinging ruim definieert.
Het Hof heeft het ten onrechte niet gewaagd om de te ruime
omvang van de Zwitserse regel zelf aan de orde te stellen.
Daardoor blijft de vrijheid van de nationale wetgever en
rechter om allerlei gedragingen die buiten het domein van
concurrentie vallen, als oneerlijke mededinging te
kwalificeren en de bijhorende normen toe te passen, helaas
intact.
06.02.1999
|
‘Commercialisation
of cinemafilms and tv films. Legal issues’, Tolley's
Communications Law 1997-4, p. 141-145.
Juridische principes en
praktijk van de rechtspraak bij de financiering door
derden van gewone films en tv-films.
13.11.1998
|
‘Bescherming
van persoonsgegevens en de openbare informatievoorziening’,
Mediaforum 1997-5, p. 76-80.
De huidige Wet
persoonsregistraties is niet van toepassing op
registraties die door pers, radio en televisie worden
gehouden ten behoeve van de openbare
informatievoorziening. Het wetsvoorstel voor een Wet
bescherming persoonsgegevens maakt een eind aan die
algehele exceptie. Krijgt de Registratiekamer nu toegang
tot computerbestanden van journalisten? Kan
onderzoeksjournalistiek geblokkeerd worden door een beroep
op inzagerechten van betrokkenen? Nee, de vrijheid van
meningsuiting wint het van de privacybescherming. Die
winst is zo groot dat de nieuwe regeling eigenlijk niet zo
veel oplevert voor de bescherming van de informationele
privacy. Nu dat zo is, kan men het maar beter bij het oude
houden.
31.03.1998
|
‘Transborder
Advertising and Unfair competition: Country of Origin v.
Country of Destination? Clarification of the Resolution of
the International League of Competition Law’, in: Eenvormig
en vergelijkend privaatrecht 1994, Molengrafica,
Koninklijke Vermande BV, Lelystad 1994, p. 285-301.
Met de nieuwe e-commerce
richtlijn is de vraag hoe het zit met het beginsel van het
land van herkomst voor de beoordeling van
grensoverschrijdende reclame en oneerlijke
mededingingshandelingen weer actueel. De nieuwe richtlijn
past unverfroren het land van herkomst principe toe. Maar
is dat wel een goed principe op het terrein van de
oneerlijke medededinging? Indertijd heeft de Ligue
International du Droit de la Concurrence hier een congres
aan gewijd. Een eerdere versie van dit artikel diende mede
als basis voor de discussies. In de hier voorliggende
publicatie wordt geprobeerd een genuanceerd standpunt in
te nemen.
01.09.2001
|
‘Auteursrechtelijke
grenzen aan de vrijheid van de beeldende kunstenaar’,
in: T. Pronk, G.A.I. Schuijt, (red.); Hoe vrij is kunst?,
Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam 1992, pp. 68-86.
Auteurs-recht is toch
bovenal kunst-recht? Die laatste stelling is niet juist.
Natuurlijk beschermt het auteursrecht ook de rechten van
kunstenaars, maar in de praktijk heeft het vooral
betekenis voor werk dat op grote schaal reproduceerbaar
is. Daarin is al een eerste auteursrechtelijke grens
gelegen die inhoudt dat de maker van unieke werken het
niet in de eerste plaats van zijn auteursrecht hebben
moet. Maar ook de exploitatie van het auteursrecht zelf,
is aan beperkingen onderhevig en één van de
belangrijkste op het terrein van de moderne beeldende
kunst vloeit voort uit de omschrijving van het te
beschermen object, het werk in de zin van artikel 1
Auteurswet. De kunstenaar die kiest voor kunst-uitingen
die buiten dat werkbegrip vallen, verliest de mogelijkheid
zijn werk auteursrechtelijk te exploiteren. Wanneer de
kunstenaar ervoor kiest werk van anderen te gebruiken
zoals dat in de zgn. appropriation art (ontleningskunst)
het geval is, wordt zijn vrijheid, althans in theorie,
door rechten van anderen beperkt. Ik zeg met opzet: in
theorie, want de praktijk wijst uit dat de kunstenaar daar
nauwelijks last van heeft. De vraag is hoe dat
auteursrechtelijk is te verklaren. Veel moderne kunst is
niet voor de eeuwig-heid gemaakt. Hoeveel eerbied moeten
anderen betrachten tegenover vluchtige kunstuitingen? Is
er een recht evenredig verband tussen de mate van
vluchtigheid van het werk en het te betrachten respect?.
12.08.2001
|
|
Bijgewerkt
23.02.2010
|
|
|
|