Projecten

Activiteiten

Jan Kabel

Medewerker foto

prof. mr. J.J.C. Kabel (Jan)

Hoogleraar

nvt

T nvt

E j.j.c.kabel@uva.nl

Jan Kabel heeft rechten gestudeerd in Groningen (LL.M. 1969) en is in 1981 gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam met een proefschrift over reclame en vrijheid van meningsuiting. Jan is emeritus hoogleraar informatierecht, in het bijzonder commerciële informatie. In 1987 kwam hij, als een van de grondleggers, bij het Instituut voor Informatierecht werken. Tot 2002 was hij tevens bijzonder hoogleraar Media- en Communicatierecht aan de Universiteit Utrecht. Jan heeft verscheidene boeken, artikelen en andere wetenschappelijke publicaties geschreven op het gebied van informatierecht, in het bijzonder op het terrein van reclame en het oneerlijke mededingingsrecht, mediarecht, auteursrecht, merkenrecht en privacy. Hij is bestuurslid van de Vereniging voor Reclamerecht, hoofdredacteur van de online database Praktijkgebied Reclamerecht, voorzitter van enkele geschillen commissies op het gebied van privacy, reclame- en mediarecht en of counsel bij advocatenkantoor DLA Piper in Amsterdam.

Publicaties

  • 15.07.2016

  • Bewijslevering makerschap door eisende auteur tegenover naamsvermelding in de zin van artikel 8 van gedaagde.

    19.05.2016

  • Tegen totale vernietiging van de door eiser ontworpen gevel van gebouw De Bovenlanden kan de architect zich niet met een beroep op zijn persoonlijkheidsrechten verzetten. Nu de eigenaar een zwaarwegend belang heeft bij de transformatie van het gebouw is er ook geen sprake van misbruik van recht. Vordering tot verbod van sloop en transformatie van het gebouw afgewezen. 

    19.05.2016

  • Het prinsesje onder de grondrechten prof. mr. J.J.C. Kabel

    Privacy & Informatie,  2015-6, p. 215.

    Redactioneel.

    16.02.2016

  • Annotatie bij Vzr. Rb. Den Haag 5 oktober 2015 en 6 november 2015 (Stichting Brein / Google).

    Bevel aan Google tot afgifte ex. art. 28 lid 9 Aw van persoons- en adresgegevens van de houder van een Google Play account vanwege onrechtmatige verkoop van e-books. Voorwaarde dat de houder op grond van art. 40 Wbp verzet kan aantekenen tegen die afgifte bij de verantwoordelijke (Google). Grondrechtenconflict bescherming van eigendom, vrijheid van meningsuiting en privacy.

    16.02.2016

  • Boekbespreking van D. Voorhoof & P. Valcke, Handboek Mediarecht, 4e editie, Brussel: Larcier 2014.

    08.10.2015

  • We hebben er niet naar gezocht, het is ons in de schoot geworpen: een themanummer. 'Open overheid' en 'open access', die twee onderwerpen hebben alleen nog een verbindende redactionele inleiding nodig en voilà: alles wat een auteursrechtjurist altijd al had willen weten over de vraag waarom het zo is dat we vrijelijk toegang moeten mogen hebben tot informatie waarvoor we zelf hebben betaald.

    07.07.2015

  • Geschil tussen collectieve beheersorganisatie Stichting Lira (Lira) en kabelbedrijven UPC, Zeelandnet en Ziggo (UPC c.s.). Lira vordert een verbod van openbaarmaking door UPC c.s. van aan Lira door de tekstschrijvers overgedragen werk. De rechtbank oordeelt dat die overdracht geldig is en dat voor zover daarbij rechten m.b.t. toekomstige werken worden overgedragen deze voldoende bepaald zijn om te kunnen worden overgedragen. Artikel 45d Auteurswet staat daaraan niet in de weg.

    06.01.2015

  • De juridische status van omroepprogrammagegevens is voorwerp van een al van voor de Tweede Wereldoorlog daterende strijd tussen publieke omroepen en nieuwsmedia. Kunnen die omroepen het nieuwsmedia verbieden om de omroepgegevens volledig en op wekelijkse basis af te drukken? De uitspraak van het Europese Hof van Justitie in Football Dataco maakt het niet langer mogelijk dat de omroepen een beroep deden op de zogenaamde geschriftenbescherming. In de hier geannoteerde zaak ontzegt het Amsterdamse Hof de omroeporganisaties een beroep op hun auteursrecht. Zelfs als, aldus het Hof, het in elkaar zetten van omroepprogramma's een creatief proces zou zijn, beschermd door het auteursrecht, dan nog zou de weergave van dat proces in een lijst van programmagegevens niet zijn beschermd. De annotator is het niet eens met die redenering. Wanneer het maken van programma's auteursrechtelijk beschermd is, kan de maker immers de weergave daarvan verbieden op grond van zijn verveelvoudigingssrecht. De juiste vraag zou zijn geweest of er wel een auteursrechtelijke prestatie aanwezig is bij het maken van omroepprogramma's. Gegeven de hedendaagse strakke wettelijke inkadering van die programma's lijkt er weinig ruimte voor de auteursrechtelijk vereiste creativiteit.

    24.10.2014

  • De Hoge Raad heeft de vraag of een overdracht bij voorbaat aan NORMA zou hebben geprevaleerd boven de in art. 45d Aw (in verbinding met art. 4 WNR) bedoelde overdracht van exploitatierechten aan de producent in het midden gelaten. Doorbreekt de laatste overdracht de eerste of gaat de eerste boven de tweede op grond van het klassieke nemo plus-beginsel?

    11.07.2014

  • 28.02.2014

  • 28.02.2014

  • Handeldrijvende middenstand tegen Grijpgraag Grootkapitaal: markt intern Verlag GmbH en Klaus Beermann tegen Bondsrepubliek Duitsland prof. mr. J.J.C. Kabel in: 25 jaar Mediaforum. Een vooruitblik door de achteruitkijkspiegel, M.J. Geus e.a. (red.),

    Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever 2013, p. 15-24

    De Markt intern uitspraak van het Europese Hof tot bescherming van de rechten van de mens uit 1989 heeft veel stof doen opwaaien vanwege de omstreden classificatie door een nipte meerderheid van een redactioneel artikel als commerciële informatie mét de bijbehorende consequenties voor de beoordeling ervan door de nationale rechter. In dit artikel worden de politieke en maatschappelijke achtergronden van de publicatie belicht, de uitspraak van het Hof bekritiseerd en bezien hoe vandaag de dag een publicatie als de litigieuze door de Europese en de Nederlandse rechter ziou worden beoordeeld.

    29.11.2013

  • Het format van de Flodder-films is niet het afgeleide van de films maar het ligt integendeel daaraan ten grondslag. Dit format is een zelfstandig auteursrechtelijk beschermd werk. Scenarioschrijver is rechthebbende op het format van de filmserie. Uitleg van de verschillende overeenkomsten leidt niet tot de conclusie dat pp. beoogd hebben een volledige overdracht van de auteursrechten op het format te bewerkstelligen. Overdracht van de rechten op de films en de tv serie omvatten derhalve niet mede de rechten op het format.

    01.11.2012

  • De uitspraak van het Hof geeft aan dat de hoofdregisseur als originaire maker van een filmwerk moet worden aangewezen, dat wettelijke overdracht van zijn exploitatierechten alleen mogelijk is bij wijze van een weerlegbaar vermoeden van overdracht en dat de hoofdregisseur geen afstand kan doen, via die overdracht, van de vergoeding die hij of zij behoort te krijgen voor thuiskopieën van zijn werk. Het Hof harmoniseert dus als het ware het belangrijkste gedeelte van het filmrecht. In dit commentaar ga ik in op de achterliggende redenering van het Hof en probeer ik te onderzoeken wat op basis van die redenering de verdere consequenties kunnen zijn van deze uitspraak voor het Nederlandse bestaande en komende auteurs (contracten)recht, met name voor het fictieve makerschap van de artikelen 7 en 8 Aw en voor de vergoedingsrechten buiten die voor de thuiskopie.

    01.11.2012

  • In: Dutch Report for the LIDC Congress in Oxford (22-24 September 2011), 41 p.

     

    29.07.2011

  • Niet duidelijk als reclame herkenbaar; verboden medische claims; veroordeling van claims voor geneesmiddelen zonder handelsvergunning; veroordeling wegens afbeelding en aanbeveling van artsen en diëtist.

    26.04.2011

  • Lippendienst aan de privacy ten behoeve van openbaarmaking van persoonsgegevens is volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie uit den boze. Hoe nu verder met wenselijke actieve openbaarheid van subsidiegegevens?

    19.03.2011

  • Bewijslevering filmproducentschap. Verwatering criteria art. 45 lid 1 sub 3 Aw.

    19.03.2011

  • Klokkenluiders, interne meldregelingen, anonimiteit en privacy prof. mr. J.J.C. Kabel (met E.E.M. Sips en E.P.M. Thole),

    Privacy & Informatie,  2010-4, p. p. 179-182

    Van oudsher domineren de Amerikanen de markt van de 'whistleblowing'-meldlijnen. In de Verenigde Staten worden callcenters gebruikt om meldingen te ontvangen over een veilige werkomgeving. In navolging van de Corporate Sentencing Guidelines uit 1991 worden deze callcenters in het bedrijfsleven ingezet voor medewerkers om integriteitsmeldingen te ontvangen. In 2002, met de komst van Sarbanes Oxley, waarin het hebben van een anonieme meldmogelijkheid verplicht werd gesteld voor de beursgenoteerde bedrijven, groeide het gebruik van de callcenters. Toen de eerste Europese bedrijven - meestal onder externe druk - een klokkenluidersmeldlijn introduceerden, werd dit dan ook meestal geregels bij één van de Amerikaanse callcenters. Sinds 2005 bestaat er in Nederland een andersoortige oplossing ter inrichting van de meldregeling. Het in Amsterdam gevestigde bedrijf People Intouch B.V. verzorgt het SpeakUp-systeem, bestaande uit een geïntegreerd telefoon- en websysteem, dat organisaties in staat stelt om met de (anonieme) melder te communiceren over vermoedens van ernstige misstanden in de organisatie van de melder. Evita Sips heeft een achtergrond in culturele antropologie en criminologie, en is sinds 2007 werkzaam bij People Intouch als managing consultant. Jan Kabel en Elisabeth Thole gaan in gesprek met Evita over hoe zo een interne meldregeling in de praktijk werk en welke privacyaspecten daarmee gemoeid zijn.

    23.09.2010

  • Annotatie bij College van Beroep 16 juli 2009 ((Pharma Nord / Stichting KAG)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2010-1, p. 140-146

    Reclame en sluikreclame voor voedingssupplementen. Strijd met art. 20 lid 2 onder a Warenwet (verbod van medische claims voor levensmiddelen), art. 1 lid 1 onder b en 84 Geneesmiddelenwet (definitie geneesmiddel en verbod van reclame voor ongeregistreerde geneesmiddelen) en daardoor strijd met art. 2 NRC (reclame in strijd met de wet); alsmede strijd met het gebod dat reclame als zodanig herkenbaar moet zijn (art. 8.5. NRC en 11.1 NRC).

    14.04.2010

  • Annotatie bij Rb. Breda 18 september 2009 ((Hermans / Stichting Vredesduif)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    AMI,  2010-1, p. 24-29

    Lagere dan overeengekomen plaatsing van werk van beeldende kunst in de openbare ruimte. Primaire vordering tot hogere plaatsing reeds op contractuele basis toewijsbaar. Lagere plaatsing brengt bovendien nadeel toe aan eer en goede naam van de maker, temeer daar het kunstwerk daardoor vatbaarder wordt voor vandalisme.

    23.02.2010

  • In: Commercieel portretrecht. 30 jaar 't Schaep met de 5 pooten, D.J.G. Visser (red.), Amsterdam: Delex, p. 23-29.

    In 1966 publiceert Sonja Boekman (1922-2000), de advocaat van de gedaagde in de zaak "Teddy van Z., echtg. van H. Scholten te Rijswijk tegen de N.V. Overzeese Sigaretten Handelsmaatschappij, te Rotterdam" een artikel in het Bijblad voor de Industriële Eigendom waarin zij de systematiek van de rechtsbescherming van de geportretteerde op de korrel neemt. Haar bedenkingen tegen die systematiek leiden haar rechtstreeks naar de rechtvaardiging voor het 'commerciële portretrecht', en die betrek ik dan ook graag in deze bijdrage.

    13.11.2009

  • 21.05.2009

  • Studie in opdracht van de Commissie Interne Markt eConsumentenbescherming in het Europees Parlement.

    28.04.2009

  • 14.04.2009

  • 14.04.2009

  • Studie in opdracht van NDC / VBK, Amsterdam.

    16.02.2009

  • Onder redactie van Prof. mr. J.J.C. Kabel en Mr. G.J.H.M. Mom. Rapport geschreven op verzoek van het Bureau Intellectuele Eigendom van de Republiek Suriname.

    11.02.2009

  • Evaluatie Reclamebesluit Geneesmiddelen prof. mr. J.J.C. Kabel , A.C.A. Brinkman, L. van Dijk, J.C.J. Dute, R.D. Friele, M. Vervloet,

    Den Haag: ZonMW 2008.

    Deze wetsevaluatie betreft een onderzoek naar de doelstelling van het Reclamebesluit Geneesmiddelen (thans zonder grote wijzigingen vervangen door hoofdstuk 9 van de Geneesmiddelenwet) en het systeem van geconditioneerde zelfregulering binnen de geneesmiddelenreclame. Daarbij is onderzocht of de Europese Richtlijn 2001/83/EG op een juiste wijze is geïmplementeerd. Ook is onderzocht hoe de implementatie in enkele ons omringende landen heeft plaatsgevonden. Tenslotte wordt ingegaan op de vraag hoe het systeem van geconditioneerde zelfregulering werkt en welke nieuwe ontwikkelingen zich op het gebied van geneesmiddelenreclame voordoen.

    22.10.2008

  • (Supplement to IRIS - Legal Observations of the European Audiovisual Observatory)

    18.09.2008

  • Annotatie bij Rb. 's-Hertogenbosch 19 december 2007 ((Verkade / Taminiau)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    AMI,  2008-2, p. 50-54

    Opdrachtgever die het risico draagt dat zij het in een serie geïnvesteerd bedrag niet kan terugverdienen door middel van exploitatie van de serie en die de makers heeft geëngageerd, kan worden aangemerkt als producent in de zin van art. 45d Aw.

    15.05.2008

  • Annotatie bij Hof van Justitie 8 november 2007 ((Ludwigs-Apotheke München Internationale Apotheke / Juers Pharma Import-Export GmbH)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2008-1, p. 22-28

    Het gaat om een uitzondering op de regel dat levering van ongeregistreerde geneesmidden is verboden. In uitzonderlijke gevallen mag dat toch, en op die gevallen is Richtlijn 2001/83 buiten toepassing verklaard. Voor deze uitzonderlijke gevallen mag volgens de Duitse wetgeving geen reclame worden gemaakt. Dit nationale reclameverbod kan niet worden getoetst aan de Richtlijn. Toetsing aan primair EG-recht leidt tot het oordeel dat het desbetreffende reclameverbod in dit geval disproportioneel wordt toegepast, omdat het informatie verbiedt die niet als reclame valt te beschouwen (de handelsnaam, het verpakkingsformaat, de prijs, de dosering en de landen waar de geneesmiddelen wel zijn geregistreerd).

    15.05.2008

  • Het codificeren en harmoniseren van oneerlijk mededingingsrecht gaat niet van een leien dakje, vooral omdat de belangen van de betrokken partijen niet op één lijn zijn te krijgen. Uiteindelijk heeft de Europese Commissie besloten om vooralsnog slecht een deel van het hier bedoelde rechtsgebied te harmoniseren, te weten de bescherming van de consument tegen oneerlijke handelspraktijken. Dat is gebeurd in Richtlijn 2005/29, die vervolgens is geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving die naar alle waarschijnlijkheid een dezer dagen in werking treedt. Die wetgeving gaat een hoop problemen opleveren, lijkt nu al vast te staan.

    15.05.2008

  • Van test naar waardering? Vergelijkend warenonderzoek in het internettijdperk prof. mr. J.J.C. Kabel in: Dommering-bundel: Opstellen over informatierecht aangeboden aan prof. mr. E.J. Dommering, N.A.N.M. van Eijk & P.B. Hugenholtz (red.),

    Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever 2008, p. 169-188

    15.05.2008

  • Publiekrechtelijke handhaving van consumentenbelangen, juridische reactie op digitalisering van audiovisuele media, commercialisering van audiovisuele media, co-regulering, paternalisme: dat zijn zo ongeveer de trefwoorden waarmee de wetgevende arbeid op ons terrein, zowel Europees als nationaal kunnen worden geschetst. Wil men een algemene noemer voor de ontwikkelingen, dan denk ik dat het accent vooral ligt op een actief wetgevingsbeleid met betrekking tot de inhoud van commerciële informatie, terwijl de regulering van de infrastructuur steeds meer aan de markt wordt overgelaten. Regulering van de inhoud dient ter bescherming van specifieke economische en niet-economische (gezondheid) consumentenbelangen. Liberalisering van de infrastructuur heeft betrekking op de opheffing of versoepeling van zogenaamde 'time, place and manner' beperkingen op de verspreiding van commerciële informatie.

    12.09.2007

  • Annotatie bij Reclame Code Commissie 21 december 2004 (STIVA / STAP) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2005-2, nr. 31,  p. 140-142.

    Klacht van de Stichting Verantwoord Alcoholgebruik tegen posters van de Stichting Alcoholpreventie. De posters, bedoeld om kinderen af te houden van alcoholgebruik, vertonen beelden van alcohol drinkende kinderen. Gelet op de context is terecht geoordeeld dat er geen sprake is van een aanmoediging om alcohol te drinken en is het niet nodig om nog eens afzonderlijk te beoordelen of er sprake is van strijd met artikel 13 lid 1 NRC (misleiding in reclame gericht op kinderen).

    31.08.2007

  • Annotatie bij Rb. Arnhem 31 augustus 2005 ((De Lotto / Ladbrokes)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2005-6, nr. nr. 89,  p. 368-375

    Rechtspraak zoeken: http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=AU1924

    Er zijn de laatste tijd veel van dit soort zaken geweest, waarin een Nederlandse aanbieder een (veelal in Engeland gevestigde) buitenlander van de internetgokmarkt verdrijft met het argument dat wat Nederlanders niet mogen, ook aan buitenlanders niet is toegestaan uit een oogpunt van eerlijke concurrentie. Tot nu toe hebben de Nederlandse vergunninghouders het doorgaans gewonnen. Dat gebeurt hier ook, mede dankzij een bijzondere vorm van public-private partnership tussen rechterlijke en uitvoerende macht. Publiek en privaat belang lijken hier als uit één mond te spreken. Dat wekt enig wantrouwen. Wordt het leerstuk van oneerlijke voorsprong door wetsovertreding wel goed toegepast?

    25.07.2007

  • De onnavolgbare nagevolgd: Over Charles Dickens en het auteursrecht prof. mr. J.J.C. Kabel in: Een eigen, oorspronkelijk karakter: opstellen aangeboden aan prof. mr. Jaap H. Spoor, D.J.G. Visser & D.W.F. Verkade (red.),

    (Spoorbundel),  Amsterdam: Uitgeverij DeLex 2007, 171-186 pp.

    10.07.2007

  • 10.07.2007

  • Annotatie bij Hof Den Haag 21 april 2005 ((Goedewaagen / Bols)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2005-4, nr. 46,  p. 211-214

    Het auteursrecht beschermt alleen bepaalde werken - een bepaalde vormgeving/gestalte - en niet een bepaalde stijl - als zodanig een abstractie - waarin een werk of verschillende werken is/zijn gemaakt. Bescherming toekennen aan de collectie van KLM-huisjes zou naar het oordeel van het hof neerkomen op het ten onrechte beschermen van een bepaalde stijl, hetgeen ook wel blijkt uit de gevolgtrekking die de rechtbank aan het aannemen van de collectie als één bepaald werk verbindt, er op neer komend dat de gemeenschappelijke kenmerken van de individuele huisjes auteursrechtelijke bescherming toekomt.

    05.07.2007

  • Annotatie bij Hof Den Haag 21 april 2005 ((Goedewaagen / Bols)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2005-4, nr. 46,  p. 211-214

    Het auteursrecht beschermt alleen bepaalde werken - een bepaalde vormgeving/gestalte - en niet een bepaalde stijl - als zodanig een abstractie - waarin een werk of verschillende werken is/zijn gemaakt. Bescherming toekennen aan de collectie van KLM-huisjes zou naar het oordeel van het hof neerkomen op het ten onrechte beschermen van een bepaalde stijl, hetgeen ook wel blijkt uit de gevolgtrekking die de rechtbank aan het aannemen van de collectie als één bepaald werk verbindt, er op neer komend dat de gemeenschappelijke kenmerken van de individuele huisjes auteursrechtelijke bescherming toekomt.

    05.07.2007

  • Het gaat in deze zaak om een anonieme, feitelijk verifieerbare, beschuldiging van oplichting, die maar door één negatieve en weersproken ervaring wordt gestaafd. Dat betekent dat de onrechtmatigheid onmiskenbaar is, ook al zegt het Hof dat helaas niet met zoveel woorden. Een beroep door de afzender op het recht om anoniem te communiceren, is dan niet aan de orde. Wanneer de tussenpersoon de enige is die informatie kan leveren over de afzender en nakoming van die informatieplicht geen ernstige risico's of onevenredige belasting oplevert, handelt de tussenpersoon, in een geval als dit, onzorgvuldig, indien voldoende aannemelijk is dat de informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde potentieel schadelijk is. De Hoge Raad maakt duidelijk, dat in dit geval geen algemene regel is geformuleerd, maar het oordeel van het Hof is toegesneden op het onderhavige geval

    25.05.2007

  • In dit jaarlijks overzicht van wetgeving, rechtspraak en literatuur wordt veel aandacht besteed aan nieuwe Europeesrechtelijke voorstellen op het terrein van oneerlijke handelspraktijken en reclame in audiovisuele media. Uit de behandelde rechtspraak blijkt onder meer de belangrijke betekenis voor de afloop van een zaak van het leerstuk van oneerlijke voorsprong door wetsovertreding.

    25.05.2007

  • Annotatie bij Vzr. Rb. Arnhem 16 augustus 2006 ((KPN / UPC)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2006-5, nr. 81,  p. 281-285

    Gebruik van het merk van een ander in vergelijkende reclame vergt volgens deze uitspraak onderzoek naar noodzaak dat merk te noemen. Indien die noodzaak ontbreekt, is er geen sprake van een geldige reden in de zin van artikel 13a, lid 1 sub d. BNW en sprake van onrechtmatig gebruik van het merk in de zin van artikel 6:194a BW. Het simpele feit dat een adverteerder vergelijkende reclame maakt, is volgens annotator echter voldoende noodzaak om het merk van de concurrent te noemen. Afzonderlijk onderzoek naar de noodzaak is dan dus niet vereist. Een rechter die dat wel doet, zet de richtlijn op zijn kop. Dat betekent ook dat voor een afzonderlijk onderzoek naar het bestaan van een geldige reden in het merkenrecht in zaken van vergelijkende reclame geen plaats behoort te zijn.

    25.05.2007

  • International Report for the LIDC Amsterdam Congress on Competition Law

    The European Directive 2005/29/EC on unfair commercial practices of May 11, 2005 regulates exclusively unfair commercial practices which are directly related to influencing a transactional decision of end-consumers and excludes all practices that are neither directed to end-consumers, nor directly influencing a transactional decision of consumers. Misleading advertising, for instance, is now judged on the basis of two different sets of regulation: the new Directive 2005/29/EC deals with "B2C"-advertising, while "B2B"-advertising has to comply with Directive 84/450/EEC. This international report, based upon contributions from eleven countries, is devoted to the question whether there are a priori two different standards for assessing unfair commercial practices. Is there one standard for consumers and another one for competitors? On the other hand, are the interests of all market participants too intertwined to allow different standards of fairness? More generally: Should the rules on unfair competition focus on the act as such - which, of course, must be seen against the background of alle circumstances, especially the target group - or should they focus primarily on the protection of the end-consumer or of competitors?

    24.05.2007

  • Handelsinformatiebureaus, particuliere onderzoeksbureaus en zwarte lijsten prof. mr. J.J.C. Kabel in: Privacyregulering in theorie en praktijk. J.M.A. Berkvens en J.E.J. Prins,

    Deventer: Kluwer 2007, p. 227-251

    Gelet op het huidige consumentengedrag en de ontwikkelingen in de markt, is het niet onwaarschijnlijk dat vanuit het bedrijfsleven er een groeiende behoefte blijft bestaan aan zwarte lijsten en andere informatiesystemen over negatief gedrag van particulieren en bedrijven. Het gaat bij het verwerken van dit soort informatie om de harde kern van privacyinbreuk: het verzamelen en verstrekken aan derden van meestal gevoelige informatie die bedoeld is om beslissingen over personen mogelijk te maken en die doorgaans buiten betrokkene om wordt verwerkt. De Wet bescherming persoonsgegevens bevat afzonderlijke informatieplichten voor verantwoordelijken die gegevens buiten betrokkene om verwerken, en een regeling in de wet zelf voor bijzondere gegevens; het College voor de bescherming van persoonsgegevens dient voorts voorafgaande aan de verwerking door informatiebureaus van strafrechtelijke gegevens of gegevens over onrechtmatige of hinderlijk gedrag een onderzoek in te stellen, indien die bureaus gaan werken zonder vergunning op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en onderzoeksbureaus. Voor particuliere onderzoeksbureaus die met een vergunning werken bestaat een bijzondere regeling in de vorm van een bij Ministeriële regeling voorgeschreven verplicht model voor een Privacygedragscode. Tevens is de Gedragscode voor Handelsinformatiebureaus aangescherpt. Voor zwarte lijsten bestaat een Checklist Zwarte lijsten. De wettelijke regeling en de bijbehorende rechtspraak en nadere gedragscodes worden in dit artikel geanalyseerd.

    16.05.2007

  • Annotatie bij Hof van Justitie van de EG 23 februari 2006 (Siemens/ VIPA) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2006-3, nr. 47,  p. 165-167.

    Een concurrerende leverancier die in zijn catalogi gebruikmaakt van het kernelement van een in vakkringen bekend onderscheidend kenmerk van een fabrikant, trekt in omstandigheden als die in het hoofdgeding geen oneerlijk voordeel uit de bekendheid van dit onderscheidend kenmerk. Het voordeel van de vergelijkende reclame voor de consumenten moet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het oneerlijk voordeel dat de adverteerder trekt uit de bekendheid van een merk, handelsnaam of andere onderscheidende kenmerken van een concurrent. In casu zouden de gebruikers, wanneer VIPA het kernelement van de bestelnummers van haar aanvullende componenten voor de besturingssystemen van Siemens veranderde, de bestelnummers van de overeenkomstige producten van Siemens in een vergelijkende lijst moeten opzoeken. Dat zou nadelen voor de consumenten en VIPA opleveren. Daarentegen kan het voordeel van de vergelijkende reclame voor de adverteerder, dat wegens de aard van dit soort reclame hoe dan ook evident is, op zich niet beslissend zijn bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het gedrag van deze adverteerder.

    05.05.2007

  • Kortlopend onderzoek ten behoeve van de Nederlandse standpuntbepaling ten aanzien van het voorstel voor een Richtlijn tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (INSPIRE).

    28.11.2006

  • 25.01.2006

  • Presentatie op het Lustrumcongres 20 jaar IER

    02.11.2005

  • Annotatie bij Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 12 november 2004 ((Pretium Telecom / Yiggers Nederland)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2005-2, p. 118-121

    Gebruik van merk en handelsnaam van een ander als zoekwoord niet op zichzelf onrechtmatig, maar wel indien aan zoekwoord advertentie van die gebruiker wordt gekoppeld. Het niet onder eigen naam doen van mededelingen over de concurrent is onrechtmatig. Waarschuwingen met betrekking tot aanbod van concurrent niet onrechtmatig indien de gemaakte vergelijking verder inhoudelijk juist is.

    06.07.2005

  • Overheidsinformatie maakt een integraal deel uit van ons dagelijks leven. 's Morgens luisteren we naar het weerbericht. In de auto horen we verkeersinformatie en gebruiken we een wegenkaart of een GPS. Wanneer we een stuk grond of een huis willen kopen, hoort daar informatie over de bouwvoorschriften en van het Kadaster bij. Op kantoor vragen we misschien de jaarrekening van een concurrent op, of kijken we naar statistieken van het koopgedrag van de consument. In veel van deze gevallen zal de informatie waarop we ons baseren, ook al is ze soms verpakt in een commercieel product of dienst, afkomstig zijn van de overheid. De overheid verzamelt bij de uitvoering van haar publieke taak immers een gigantische hoeveelheid aan informatie die ook zeer interessant kan zijn voor alle deelnemers aan de samenleving.

    05.07.2005

  • Annotatie bij Vzngr. Rb. Amsterdam 13 januari 2005 ((McDonald's / Burger King)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2005-3, p. 194-199

    Art. 13A lid 1 sub d BMW en art. 6:194 lid 2 sub e BW. Vergelijkende reclame waarin een Advertising Property (de clown van McDonald's) van de concurrent wordt gebruikt. Deze vertoont te weinig verwantschap met het merk zoals gedeponeerd om inbreuk op het merkrecht van de concurrent aan te nemen. Het stiekeme optreden van de clown in de winkel van de adverteerder maakt de concurrent belachelijk en is onrechtmatig als een vorm van kleinerende reclame. De prijsvergelijking zelf is rechtmatig.

    20.06.2005

  • Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van Hoogleraar in het Informatierecht, in het bijzonder Commerciële Informatie aan de Universiteit van Amsterdam op 17 juni 2005

    20.06.2005

  • Annotatie bij Hof van Justitie EG 7 januari 2004 ((Gerolsteiner Brunnen / Putsch)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2004-2, p. 150-153

    In een conflict tussen twee overeenstemmende merken voor dezelfde waren, is gebruik als merk van het conflicterende teken geen doorslaggevende beoordelingsfactor, indien het conflicterende merk een (erkende) herkomstaanduiding betreft. Artikel 6 lid 1 van Richtlijn 89/104/EEG geeft slechts één beoordelingscriterium voor de verbodsbevoegdheid van de merkhouder, namelijk of het gebruik van de geografische aanduiding in overeenstemming is met de (nationale) eerlijke gebruiken in handel en nijverheid. De nationale rechter dient daarbij alle omstandigheden van het geval te betrekken.

    17.06.2005

  • 17.06.2005

  • Aantasting in de zin van art. 25 lid 1 sub d Aw. Toewijzing van de vordering tot herstel van het werk betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter en kan niet los worden gezien van de context waarbinnen bedoelde schade is opgetreden. Gelet op de discrepantie tussen het gevorderde herstel en het recht van de eigenaar van een stoffelijk exemplaar van een werk om onder bepaalde voorwaarden tot sloop over te gaan, zolang dat niet onrechtmatig is te achten, acht de rechtbank herstel geen passende vorm van redres.

    16.06.2005

  • ‘Van een auteursrechtelijk naar een privaatrechtelijk droit au respect bij vernietiging van werk prof. mr. J.J.C. Kabel in: De kunst en het recht: over algemene publiekrechtelijke regels met betrekking tot kunst, I.C. van der Vlies,

    Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2005, p. 189-204

    16.06.2005

  • Annotatie bij Arr. Rb. Amsterdam 20 oktober 2004 ((Tuijnman / Stichting Het Woningbedrijf Amsterdam)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    AMI,  2005-3, p. 93-100.

    Verzet van architect tegen aantasting van zijn werk. Beoordeling op contractuele gronden (art. 6:2 en 6:248 BW), op rechtsverwerking en op artikel 25 lid 1 sub d Aw. Vordering tot herstel in de oude toestand onder toekenning van nieuwe opdracht aan architect afgewezen. Schadevergoeding als gevolg van aantasting van persoonlijkheidsrechten op € 10.000 vastgesteld.

    14.06.2005

  • Annotatie bij Hof Amsterdam 30 september 2004 ((T-Mobile / ID&T Mobile)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2005-1, p. 41-43.

    Bij de beoordeling van verwarringsgevaar dient niet beslissend te zijn de door de inbreukmaker zelf gebezigde uitingen, maar komt het aan op het normale gebruik van het teken. Het hof kan dan ook voorbijgaan aan marktonderzoek dat uitsluitend gebaseerd is op de website en op commercials van de inbreukmaker.

    06.04.2005

  • Achtergrondstudie voor het WRR-rapport 'Focus op functies: uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid'. Deze publicatie is ook als boek te bestellen bij Amsterdam University Press (AUP).

    04.02.2005

  • Annotatie bij Rb. Amsterdam 7 juli 2004 ((Leaseverlies / Dexia)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2004-5, p. 357-370

    12.11.2004

  • Annotatie bij Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 21 juli 2004 ((Nationalevacaturebank.nl / CVBank)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2004-6, p. 419-420

    12.11.2004

  • Waarom wij (nog) niet mogen gokken op het internet prof. mr. J.J.C. Kabel in: Verenigingsblad van de Juridische Faculteit der Amsterdamse studenten,

    p. 33-37

    09.03.2004

  • Annotatie bij het Hof van Justitie EG 23 oktober 2003 ((Adidas-Salomon AG, voorheen Adidas AG, Adidas Benelux BV/Fitnessworld Trading Ltd)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2004-1, p. 53-58

    09.03.2004

  • Annotatie bij het Hof van Justitie EG, 6 november 2003 ((Piergiorgio Gambelli e.a/Italië)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2004-1, p. 61-69

    Hof van Justitie EG, 6 november 2003: http://curia.europa.eu/juris/liste.jsf?language=nl&jur=C,T,F&num=C-243/01&td=ALL

    09.03.2004

  • In: Van ontvanger naar zender, Opstellen aangeboden aan prof.mr. J.M. de Meij, A.W. Hins & A.J. Nieuwenhuis (red.), Amsterdam: Otto Cramwinckel 2003, p. 175-191.

    07.01.2004

  • 30.10.2003

  • 22.10.2003

  • 17.09.2003

  • Annotatie bij Rechtbank Arnhem 27 januari 2003 ((Stichting de Nationale Sporttotalisator/Ladbrokes Ltd.)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2003-3, p. 184-188

    04.08.2003

  • Annotatie bij Rechtbank Arnhem 27 januari 2003 ((Stichting de Nationale Sporttotalisator/Ladbrokes Ltd.)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2003-3, p. 184-188.

    04.08.2003

  • Annotatie bij Hof Amsterdam 18 juni 2002 ((AbFab/XS4ALL)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    Computerrecht,  2002-5, p. 299-307

    12.11.2002

  • Annotatie bij Vzngr. Rb. Amsterdam 2 mei 2002 ((.infodomeinnaam)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2002-5, p. 262-264

    25.10.2002

  • Annotatie bij Vzngr. Rb. Almelo 8 mei 2002 ((Specsavers / Fielmann)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2002-5, p. 266-269

    25.10.2002

  • Annotatie bij College van Beroep Stichting Reclamecode 25 april 2002 ((Teaser voor Head & Shoulders)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2002-5, p. 269-271

    25.10.2002

  • ‘Informatiebureaus en de bescherming van persoonsgegevens’ prof. mr. J.J.C. Kabel in: Privacyregulering in theorie en praktijk, J.M.A. Berkvens en J.E.J. Prins (red.),

    Deventer: Kluwer 2002,

    In de particuliere sector is de behoefte aan privacybescherming juist met betrekking tot de activiteiten van informatiebureaus al vroeg gevoeld, met name bij het verzamelen van inlichtingen op het gebied van kredietwaardigheid en solvabiliteit. De Wet persoonsregistraties (WPR) bevatte een bijzondere regeling in de wet zelf. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) kent echter geen afzonderlijke regeling meer. In het navolgende wordt, nu specifieke regels in de Wbp ontbreken, herhaaldelijk teruggegrepen op het systeem en de voorgeschiedenis van de bijzondere regeling voor handelsinformatiebureaus in art. 13 WPR. Omdat de desbetreffende praktijken niet altijd vallen onder het regime van de Wbp, is het ook nodig te bezien wat het gewone recht oplevert.

    16.08.2002

  • bewerkte versie van twee artikelen die eerder zijn verschenen in IER

    16.08.2002

  • 25.07.2002

  • 07.05.2002

  • In: De publieke dimensie van kennis, Voorstudies en achtergronden (V110),  WRR-rapport, H. Dijstelbloem en C.J.M. Schuijt (red), Den Haag: Sdu Uitgevers, 2002, p. 249-308.

    07.05.2002

  • Annotatie bij HvJEG 25 oktober 2001 (zaak C-112/99 (Toshiba Europe GmbH / Katun Germany GmbH)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    IER,  2001-1, p. 44-51.

    Refererende reclame: vermelding van artikelnummers van originele reserveonderdelen en verbruiksartikelen door verkoper van niet-originele reserveonderdelen en verbruiksartikelen. Prejudiciële beslissing over de uitleg van de artikelen 2 punt 2 bis, en 3 bis, lid 1, sub c en g, van richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 250, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB L 290, blz. 18). Vermelding te beschouwen als vergelijkende reclame. Objectieve verwijzende vergelijking kan toch ontoelaatbaar zijn indien doelgroep reputatie producten concurrent toeschrijft aan (vervangende) producten adverteerder. Verschil met BMW/Deenik? Gunstiger positie voor de wederverkoper dan voor de verwijzer naar vervangingsproducten. Toepassing van richtlijn 97/95/EG dodelijker voor vergelijkende reclame dan het merkenrecht? Het schiet niet op met de liberalisering van vergelijkende reclame in Europa.

    21.03.2002

  • Annotatie bij EHRM 28 juni 2001 ((Vgt Verein gegen Tierfabriken / Switzerland)) prof. mr. J.J.C. Kabel

    Mediaforum,  2002-2, p. 54-59.

    21.03.2002

  • De E-commerce richtlijn lijkt maar een klein stukje van het reclamerecht online te regelen. In werkelijkheid gaat het om een veel groter gebied, wordt het online-recht inzake oneerlijke mededinging zeer tersluiks meegenomen en heeft de nog jonge richtlijn nu al verwoestende consequenties gehad voor enkele bijzondere reclameregels. Nu het internet als medium dichter tegen printmedia aanligt dan tegen omroep en de internetgebruiker als een redelijk oplettende consument mag worden gezien, dienen al te beschermende maatregelen kritisch tegen het licht te worden gehouden. Opruimen van wettelijke regels leidt anderzijds weer tot meer werk voor de rechter en tot rechtsonzekerheid.

    27.01.2002

  • Met medewerking van D.J.B. Bosscher.
    Amsterdam: Otto Cramwinckel 2001.

    21.11.2001

  • In: Eenvormig en vergelijkend privaatrecht, Molengrafica, Lelystad: Koninklijke Vermande BV 1994, p. 285-30.

    Met de nieuwe e-commerce richtlijn is de vraag hoe het zit met het beginsel van het land van herkomst voor de beoordeling van grensoverschrijdende reclame en oneerlijke mededingingshandelingen weer actueel. De nieuwe richtlijn past unverfroren het land van herkomst principe toe. Maar is dat wel een goed principe op het terrein van de oneerlijke medededinging? Indertijd heeft de Ligue International du Droit de la Concurrence hier een congres aan gewijd. Een eerdere versie van dit artikel diende mede als basis voor de discussies. In de hier voorliggende publicatie wordt geprobeerd een genuanceerd standpunt in te nemen.

    01.09.2001

  • In: Universiteit en auteursrecht. Wetenschappelijke informatievoorziening in een digitale omgeving, P.B. Hugenholtz, J.J.C. Kabel & G.A.I. Schuijt (red.), Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever 1998, p. 93-107.

    Moet de universiteit een ivoren toren blijven waar wetenschappers zich verre houden van de gewone wereld, of mogen universitaire wetenschappers hun werk commercialiseren? En zo ja, onder welke voorwaarden mag dat dan geschieden? Problemen van oneerlijke overheidsconcurrentie bij contractonderzoek en uitgeefactiviteiten van universiteiten.

    01.09.2001

  • In: Netwerk Scenarioschrijvers van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers 2000, Amsterdam, 61 p.

    Scenarioschrijvers hebben een beroerde positie, als het gaat om onderhandelingen over hun honorarium met omroeproducenten en met filmproducenten. Hoe komt dat? Heeft de wetswijziging van 1985 en de daaropvolgende wijzigingen van het hoofdstuk over filmrechten in de Auteurswet hun niet het voordeel van een zogenaamde billijke vergoeding opgeleverd? In de rechtspraktijk blijkt de rechter niet goed om te kunnen gaan met de filmrechtregeling. De organbisatorische positie van scenariposchrijvers is ook niet al te best. In andere landen gaat het anders. Kritische beschouwing van de Nederlandse regelgeving en rechtspraak inzake artikel 45d Auteurswet; met een behandeling van de wijze waarop in een aantal andere landen wordt omgegaan met de verhouding tussen filmproducent en scenarioschrijver.

    01.09.2001

  • In: Study on Consumer Law and the Information Society, Amsterdam: PriceWaterHouseCoopers 2000, p. 22-38.

    Deze studie is geschreven in opdracht van de Europese Commissie en gecoördineerd door Price Waterhouse Coopers in samenwerking met de Katholieke Universiteit Tilburg en de Universiteit Utrecht en afgerond op 17 augustus 2000. Onderzocht wordt welke regels er op Europees niveau gelden ten aanzien van commerciële communicatie, welke van die regels achtereenvolgens geheel overeind kunnen blijven in de informatiemaatschappij, waar vanuit een oogpunt van consumentenbescherming verhelderingen zijn vereist, welke regels duidelijk niet deugen en waar zich hiaten vertonen.

    01.09.2001

  • Kabel verzorgt jaarlijks de kroniek 'Reclamerecht en oneerlijke mededinging' voor het tijdschrift Intellectuele eigendom en reclamerecht. De hier opgenomen bijdrage over het jaar 2000 is gewijd aan de e-commerce richtlijn, de voorstellen tot grondwetswijziging (artikel 7lid 4 Grondwet wordt geschrapt), reclame voor kinderen, de rechtspraak van het HvJEG en de Nederlandse rechtspraak op het terrein van internet en reclame, medische claims en oneerlijke mededingingsrubrieken als prestatiebescherming, aanhakende, afbrekende en vergelijkende reclame alsmede het profiteren van wanprestatie.

    01.09.2001

  • Annotatie bij de zaak Röling / Haarlem, over morele rechten in het auteursrecht.

    01.09.2001

  • In: Hoe vrij is kunst? T. Pronk, G.A.I. Schuijt, (red.), Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever, 1992, p. 68-86.

    Auteurs-recht is toch bovenal kunst-recht? Die laatste stelling is niet juist. Natuurlijk beschermt het auteursrecht ook de rechten van kunstenaars, maar in de praktijk heeft het vooral betekenis voor werk dat op grote schaal reproduceerbaar is. Daarin is al een eerste auteursrechtelijke grens gelegen die inhoudt dat de maker van unieke werken het niet in de eerste plaats van zijn auteursrecht hebben moet. Maar ook de exploitatie van het auteursrecht zelf, is aan beperkingen onderhevig en één van de belangrijkste op het terrein van de moderne beeldende kunst vloeit voort uit de omschrijving van het te beschermen object, het werk in de zin van artikel 1 Auteurswet. De kunstenaar die kiest voor kunst-uitingen die buiten dat werkbegrip vallen, verliest de mogelijkheid zijn werk auteursrechtelijk te exploiteren. Wanneer de kunstenaar ervoor kiest werk van anderen te gebruiken zoals dat in de zgn. appropriation art (ontleningskunst) het geval is, wordt zijn vrijheid, althans in theorie, door rechten van anderen beperkt. Ik zeg met opzet: in theorie, want de praktijk wijst uit dat de kunstenaar daar nauwelijks last van heeft. De vraag is hoe dat auteursrechtelijk is te verklaren. Veel moderne kunst is niet voor de eeuwig-heid gemaakt. Hoeveel eerbied moeten anderen betrachten tegenover vluchtige kunstuitingen? Is er een recht evenredig verband tussen de mate van vluchtigheid van het werk en het te betrachten respect?.

    12.08.2001

  • Annotatie bij Pres. Rb. Utrecht 15 februari 2000

    Hoe dienen reclameverboden te worden gehanteerd als het gaat om reclame op Internet? Gelden dezelfde regels als die in de offline wereld of maakt het verschil dat op Internet de consument zelf op zoek gaat naar informatie? De President zoekt het in het aantal klikken: hoe meer klikken, hoe minder (verboden) reclame, maar is dat wel een goed criterium?

    12.08.2001

  • Ingevolge het EHRM in zijn uitspraak Hertel v. Zwitserland mag een met het nodige voorbehoud geformuleerd, wetenschappelijk onderzoeksverslag door de nationale rechter als onrechtmatige oneerlijke mededinging worden bestempeld, indien het de omzet van daarin onderzochte produkten daadwerkelijk nadelig beïnvloedt. Dat is een concurrentie-norm die wordt toegepast buiten het domein van de mededinging. De Zwitserse wetgeving maakt zulks mogelijk, omdat zij oneerlijke medinging ruim definieert. Het Hof heeft het ten onrechte niet gewaagd om de te ruime omvang van de Zwitserse regel zelf aan de orde te stellen. Daardoor blijft de vrijheid van de nationale wetgever en rechter om allerlei gedragingen die buiten het domein van concurrentie vallen, als oneerlijke mededinging te kwalificeren en de bijhorende normen toe te passen, helaas intact.

    06.02.1999

  • Juridische principes en praktijk van de rechtspraak bij de financiering door derden van gewone films en tv-films.

    13.11.1998

  • De huidige Wet persoonsregistraties is niet van toepassing op registraties die door pers, radio en televisie worden gehouden ten behoeve van de openbare informatievoorziening. Het wetsvoorstel voor een Wet bescherming persoonsgegevens maakt een eind aan die algehele exceptie. Krijgt de Registratiekamer nu toegang tot computerbestanden van journalisten? Kan onderzoeksjournalistiek geblokkeerd worden door een beroep op inzagerechten van betrokkenen? Nee, de vrijheid van meningsuiting wint het van de privacybescherming. Die winst is zo groot dat de nieuwe regeling eigenlijk niet zo veel oplevert voor de bescherming van de informationele privacy. Nu dat zo is, kan men het maar beter bij het oude houden.

    31.03.1998

Meer publicaties