|
In het verslagjaar 1998 kreeg
de universitaire reorganisatie zijn definitieve beslag. Dit betekent dat het
Instituut voor Informatierecht en de Vakgroep Recht van de Intellectuele
Eigendom, Media- en Informatierecht (RIEMI) zijn samengevoegd. Het Instituut
voor Informatierecht is een onderzoeksinstituut, maar het verleent ook (zo heet
het in de nieuwe opzet) onderwijsdiensten. Zoals uit het jaarverslag blijkt, is
dit zo langzamerhand een indrukwekkend pakket onderwijs waarvoor de
belangstelling binnen de rechtenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam nog
steeds groeiende is. Gemiddeld slagen zo’n 260 studenten per jaar voor de
tentamens en worden 60 scripties voltooid. Het vak Telecommunicatierecht trekt
bovendien studenten uit het hele land, omdat het nergens in deze vorm wordt
aangeboden.
In de nieuwe
organisatiestructuur hebben de onderzoeksinstituten een directeur, maar is
daarnaast geen afzonderlijk Instituutsbestuur meer werkzaam. Het Instituut dankt
de ex-bestuursleden prof. dr. J.W. Zwemmer, prof. mr. E.C.M. Jurgens, prof. mr.
J.M. de Meij, prof. mr. Th. M. de Boer en prof. mr. H. Cohen Jehoram voor hun
bereidheid om de afgelopen jaren op afstand mee te denken over het IViR.
In 1998 ging prof. mr. H. Cohen
Jehoram met emeritaat. Na afloop van zijn afscheidscollege op 9 oktober werd hem
een liber amicorum uitgereikt, dat onder redactie van mr. G.J.H.M. Mom en prof.
mr. J.J.C. Kabel werd uitgegeven in de Information Law Series van Kluwer
Law International. De leerstoel Intellectuele eigendom, media- en
informatierecht en de leerstoel Informatierecht werden samengevoegd tot één
leerstoel Informatierecht. Mr. P.B. Hugenholtz, universitair hoofddocent, werd
voor 0,6 benoemd, met als bijzonder aandachtsgebied de Intellectuele Eigendom.
De benoeming van prof. mr. E.J. Dommering werd met vijf jaar verlengd. Deze
aanstelling bleef voor 0,4. Het Instituut nam dit jaar ook afscheid van prof.
mr. W. Alexander, die ook na het voltooien van zijn aanstelling op de
Bregstein-stoel, het vak ‘De invloed van het EEG-Mededingingsrecht op het
recht van de intellectuele eigendom’ bleef geven. Op het moment van het
schrijven van deze inleiding is hij tot grote droevenis van het Instituut niet
meer onder ons. Kort nadat wij in februari afscheid van hem namen, werd een
ongeneeslijke ziekte bij hem geconstateerd waaraan hij in maart 1999 overleed.
In het verslagjaar werden maar
liefst vier dissertaties die in het kader van het onderzoeksprogramma van het
Instituut werden voorbereid, verdedigd:
-Idee en programmaformule in
het auteursrecht (J.F. Haeck),
-Auteursrecht en informatietechnologie (M. de Cock Buning),
-Productinformatie over levensmiddelen, etiketteringsvraagstukken naar Europees
en Nederlands recht (B.M. Vroom-Cramer),
-Rectificatie- en uitingsvrijheid, een onderzoek naar de civielrechtelijke
aansprakelijkheid voor onrechtmatige uitingen (M. Bulk).
Tegelijkertijd werden tal van
onderzoeksprojecten uitgevoerd. Vermeldenswaardig daarbij is het door de
Europese Commissie gefinancierde Imprimatur-project onder leiding van
prof. mr. P.B. Hugenholtz. In het kader van dit project werd een groot aantal
Engelstalige voorstudies gepubliceerd en workshops georganiseerd met deskundigen
uit binnen- en buitenland. Doel van dit project is het bereiken van een
consensus over de wijze waarop het auteursrecht in een elektronische omgeving
het best tot zijn recht kan komen. Aan de orde kwamen vraagstukken als:
- De aansprakelijkheid van
intermediairs voor auteursrechtelijke openbaar-makingen;
- Technische beveiligingsmaatregelen;
- Elektronische licenties;
- Privacy en auteursrechtvragen;
- De bescherming van ‘copyright management information’.
In 1998 werden ook belangrijke
onderzoeksprojecten in de tweede en derde geldstroom afgerond en werden nieuwe
grote projecten opgestart.
E.J. Dommering,
directeur
|