|
1.
Doctoraal-opleiding
De meeste medewerkers
van het Instituut participeren in het onderwijs van de
Faculteit der Rechtsgeleerdheid. De Meij, Hins,
Kistenkas en Nieuwenhuis doceren bij de vakgroep
Staatsrecht; Cohen Jehoram, Dommering, Van Eijk,
Hugenholtz, Kabel, Mom en Schuijt geven onderwijs bij de
vakgroep Recht van de Intellectuele Eigendom, Media- en
Informatierecht (RIEMI).
De samenwerking tussen
de vakgroep RIEMI en het Instituut voor Informatierecht
heeft geleidelijk geleid tot het huidige
onderwijsaanbod. Dat bestaat uit drie zevenpunts
keuzevakken (Media- en Informatierecht, Auteursrecht en
Industriële Eigendom), één vierpunts keuzevak (De
invloed van het EEG-Mededingingsrecht op het recht van
de Intellectuele Eigendom). Dit laatste vak werd gegeven
door Alexander, tot 1995 bijzonder hoogleraar op de
zogenaamde Bregsteinleerstoel.
Het onderwijs wordt
aangeboden in hoorcolleges en werkgroepen van maximaal
25 studenten, waarvoor schriftelijke opdrachten worden
gegeven. De tentamens zijn mondeling en worden steeds
afgenomen door twee docenten.
De belangstelling voor
met name de drie grote keuzevakken is groot en nog
steeds groeiende: ca. 260 geslaagden voor de
(mondelinge) tentamens per jaar en ca. 60 voltooide
scripties. Een groeiend aantal studenten kiest voor alle
drie de grote keuzevakken en soms voor nňg meer.
Informatierecht is daarmee voor relatief veel
afgestudeerde juristen aan de Universiteit van Amsterdam
een specialisatievak geworden.
2.
Telecommunicatierecht
Opnieuw verzorgde het
Instituut het keuzevak Telecommunicatierecht. Dit vak
wordt landelijk aangeboden en is bestemd voor
doctoraal-studenten rechten, studenten economie,
communicatiewetenschap, internationale studierichtingen
en technische bestuurskunde. Het gaat om een
verdiepingsvak dat wordt gekenmerkt door een brede,
grondige aanpak van het vakgebied en hoogwaardig
interdisciplinair onderwijs, gegeven door docenten uit
verschillende disciplines met een grote theoretische en
praktische ervaring. De landelijke aanpak past in het
streven hoogwaardige kennis in een landelijk
expertisecentrum te concentreren. Aan deze cursus
werkten mee Dommering, Van Eijk, Hugenholtz, Burger en
Verberne. De coördinatie was in handen van Van Eijk die
daarbij werd geassisteerd door Burger, later door
student-assistent Erwteman. Als gastdocenten werkten aan
de cursus mee drs. H.C. Bakker, secretaris van het
college van OPTA en directeur van het bureau van OPTA;
mr. Fod Barnes, policy adviser OFTEL Londen; mr. O.W.
Brouwer, advocaat; ir. C.T.W. van Diepenbeek, ministerie
van Verkeer en Waterstaat, frequentiemanagement; dr.
G.P. van Duijvenvoorde, advocaat; mr. M.A.J.M. van der
Heyden, High Key Communications en ir. J.A.M. Nijhof,
hoofddocent bij de vakgroep Telecommunicatierecht en
Verkeersbegeleidings-systemen van de Faculteit der
Electrotechniek aan de Technische Universiteit Delft.
3. AIO-onderzoek,
tweede geldstroom promovendi- en projectonderzoek
Binnen het Instituut is
thans een mix tot stand gebracht tussen eerste
geldstroomonderzoek (wetenschappelijke staf en AIO’s),
tweede geldstroomonderzoek dat resulteert in
dissertaties, en projectonderzoek uitmondend in
wetenschappelijke publicaties. Daardoor is de gewenste
flexibiliteit bereikt om veelbelovende jonge
afgestudeerden voor korte of langere tijd aan het
Instituut te binden.
4.
Studiebijeenkomsten
Het Instituut
organiseert regelmatig een studiebijeenkomst. In de
verslagperiode werden de volgende studiebijeenkomsten
belegd:
23 januari: Prof. dr.
Ysolde Gendreau
De wijziging van de Canadese auteurswet
20 februari: Mr. J. F.
Haeck
Idee en programmaformule in het auteursrecht
17 april: Mr. drs. M.
de Cock Buning
Auteursrecht en informatietechnologie
4 september: Mr. B.M.
Vroom-Cramer
Regulering van informatie over voedings- en
genotmiddelen
11 september: Dr. ir.
E. Huizer
De verdeling van domeinnamen in het internationale en
nationale domein
13 november: Prof. dr.
M. Buydens
Nieuwe Belgische auteurswetgeving en de mogelijkheden
om de overontwikkeling van het auteursrecht aan banden
te leggen
5. Post-Academisch
Onderwijs
Als gebruikelijk werd
ook in 1998 PAO-onderwijs gegeven. In samenwerking met
het Eggens-Instituut van de Universiteit van Amsterdam
werd de cursus Het Nieuwe Telecommunicatierecht
aangeboden. Aan deze cursus werkten mee Dommering en Van
Eijk, alsmede een groot aantal gastdocenten. De
coördinatie was in handen van Van Eijk en hij werd
daarbij geassisteerd door student-assistent Erwteman.
Eveneens in samenwerking met het Eggens-Instituut werd
een eendaagse cursus Actualiteiten Mediarecht aan de
Universiteit van Amsterdam aangeboden. Daaraan werkten
Dellebeke, Kabel en Schuijt mee. Daarnaast organiseerde
het Instituut een in-house course Mediarecht voor de
juridische afdelingen van de Endemol-ondernemingen in
Nederland. Aan deze cursus werkten mee Dellebeke, Van
Eijk, Hugenholtz en Schuijt, die de cursus tevens
coördineerde. Aan de cursus Mediarecht voor de
Stichting Studiecentrum Rechtspleging (SSR) te Zutphen
werkten mee Van Eijk, Schuijt en Kabel, die de cursus
tevens coördineerde. Tenslotte – niet
post-academisch, maar pre-academisch onderwijs! –
coördineerde het Instituut een masterclass Media- en
Auteursrecht aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van
de Universiteit van Amsterdam voor begaafde leerlingen
van eindexamenklassen van middelbare scholen uit geheel
Nederland. In deze masterclass verzorgden Hugenholtz,
Kabel en Schuijt een college.
Mediarecht ten
behoeve van studenten Communicatiewetenschap
Ook in 1998 verzorgde
het Instituut een collegecyclus Mediarecht ten behoeve
van de studenten Communicatiewetenschap bij de vakgroep
Communicatiewetenschap van de Faculteit der Politieke en
Sociaal-Culturele Wetenschappen aan de Universiteit van
Amsterdam. Aan deze cyclus van twaalf hoorcolleges
werkte een groot aantal instituutsmedewerkers mee:
Burger, Van Eijk, Kabel, Mom, Nieuwenhuis, Westerbrink
en oud-Instituutsmedewerker Schiphof.
Gastcolleges
Voor de gastcolleges en
voordrachten die door medewerkers van het Instituut
werden gehouden zij verwezen naar de publicaties en
overige activiteiten van de individuele medewerkers, die
in hoofdstuk 4 van dit jaarverslag worden vermeld.
|