|
|
|
Hoe sterk zijn de
digitale grondrechten?
|
F. Kuitenbrouwer
|
| |
Het digitale tijdperk dreigt
onze Grondwet aan alle kanten verouderd te maken. Reden voor
de regering een commissie in te stellen om zich te buigen over
de digitale grondrechten. Het was een opdracht met een dubbele
bodem.[1]
Deze commissie, naar haar voorzitter: de Commissie-Franken,
heeft in elk geval met voortvarendheid een substantieel en
belangwekkend rapport geproduceerd.[2]
Is dit rapport ook overtuigend? Het antwoord op deze vraag
hangt niet in de laatste plaats samen met de wijze waarop men
de grondrechten ziet. "De commissie ziet een terughoudende rol
voor de overheid. Daarbinnen blijft de zorg van de overheid
voor enkele fundamentele rechtsbelangen..." (rapport blz 43).
Deze formulering dreigt een echte keuze te versluieren, want
terughoudendheid en zorgplicht staan in een ongemakkelijke
verhouding tot elkaar.
Een skeptische houding is hier op zijn plaats, zeker nu het
rapport betreking heeft op klassieke grondrechten. Dat zijn
eerst en vooral afweerrechten die de functie hebben de
overheid van de rug van de burgers te halen. Uiteraard biedt
het klassieke grondrecht niet louter een "status negativus".
Het bevat ook bepaalde positieve verplichtingen, zo leert
reeds het arrest Marckx v België van het Europese Hof
voor de Mensenrechten[3]
inzake het recht op een gezinsleven van een ongehuwde moeder.
Het hof zei dat het respect voor dit recht kan nopen tot
bijvoorbeeld bepaalde financiële maatregelen, of het
tussenbeide komen in private rechtsverhoudingen om "private"
schending te voorkomen. In visie van de commissie wordt een
hele reeks, van "respect" (de onthoudingsplicht) naar
"protect" (de positieve plicht) tot sterkere categorieën als
"ensure" en zelfs een beleidsplicht: "promote" (rapport blz.
52). De positieve kant van de grondrechten brengt dan ook een
nog steeds relevante waarschuwing van het lid van het
Hooggerechtshof van de Verenigde Staten, Louis D. Brandeis, in
herinnering: "De ervaring leert ons het meest op onze hoede te
zijn voor de verdediging van de vrijheid wanneer de
bedoelingen van de overheid goed zijn. Mensen die in vrijheid
zijn geboren zijn van nature waakzaam om een aanslag op hun
vrijheid door slechte heersers af te slaan. De grootste
gevaren voor de vrijheid schuilen in heimelijke inbreuken door
ijveraars die het beste voor hebben maar er niets van
begrijpen."[4]
Anders gezegd: wij dienen er steeds bedacht op te zijn dat de
overheid met grondrechten op de loop gaat. Dit gevaar was nu
net de bestaansreden voor de Cie-Franken: ernstige twijfels
over de voorgenomen herziening van art 13 GW.[5]
Het doel was lovenswaardig, het bieden van een
"techniekonafhankelijke" bescherming. Maar al direct rees
twijfel of dit inbreuken juist niet zou vergemakkelijken:
- Het normale electronische berichtenverkeer wordt met één
gebaar buiten de Grondwet geplaatst, klaagde Dommering,[6]
terwijl er ook van het telefoongeheim niet veel overblijft
omdat de communicatie over de lijn niet is versleuteld. Een
deeloplossing als speciale bescherming voor speciaal
verzegelde faxberichten - "sealfax" - was al evenmin
geruststellend. Deze "zeehondenfax" was alleen maar verzonnen
om de fax buiten het briefgeheim te plaatsen.
- Van Eijk[7]
sprak van het "laagste generieke beschermingsniveau".
- De (non)bescherming van verkeersgegevens wekte zorg bij de
Registratiekamer.[8]
Deze knoopte daaraan een forse algemene waarschuwing
vast: "De overheid probeert op nieuwe vormen van
informatietechnologie een maximale greep te verwerven. Hierbij
komt niet alleen de vrijheid van meningsuiting op bijvoorbeeld
Internet in de knel. Ook de privacybescherming komt onder druk
te staan".[9]
De Tweede Kamer ammendeerde het regeringsvoorstel, maar het
resultaat was zo discutabel dat Eerste Kamer het voorstel tot
grondwetswijziging blokkeerde. Beide parlementaire handelingen
zijn hoogst ongebruikelijk. Een teken hoezeer er inderdaad
reden tot skepsis was.
De instelling van de Commissie-Franken was een vlucht naar
voren. Zij moest zich niet alleen buigen over het
communicatiegeheim maar ook over andere digitale grondrechten.
Daarmee werd veel meer overhoop gehaald, met - vanuit de
skeptische visie - alle gevaren van dien.
Art 13: steen des
aanstoots
Om te beginnen de steen des
aanstoots: art 13 GW. De commissie handhaaft de term
"vertrouwelijke communicatie". Dat blijft ook in de herhaling
een relatief begrip. Hier komt toch weer de - omstreden -
"geobjectiveerde wil" van het gesneuvelde voorstel om de hoek
kijken.[10]
Bepalend voor de praktijk is of burgers een
gerechtvaardigde verwachting kunnen hebben dat hun conversatie
een vertrouwelijk karakter heeft. De uitslag hangt er maar
vanaf hoe verschillende maatschappelijke relaties van geval
tot geval worden gewaardeerd.
Het voorbeeld van "reasonable expectation of privacy" in de VS
stemt niet erg gerust. Dat is de term die, om het wat cru te
zeggen, videocamera's op de toiletten legitimeert - en in elk
geval het uitschakelen van persoonlijke pass words.[11]
Wat men ook van het ouderwetse briefgeheim kan zeggen,
deze term laat weinig ruimte voor misverstand over het
beschermde belang.
Art 7: vergunning en
regels
Dit geldt ook voor het
loslaten van de klassieke vrijheid van drukpers als ijkpunt
van de informatievrijheid in art 7 GW. De nieuwe,
technologie-onafhankelijke formulering die de commissie
voorstelt heeft ongetwijfeld voordelen. Zo wordt niet alleen
de uitgingsvrijheid erkend maar ook de ontvangstvrijheid. Dat
laatste aspect is in Nederland stiefmoederlijk bedeeld, zoals
J.M. de Meij al lang betoogt.[12]
Er is echter ook een prijs en deze zit in de beperkingen
op de vrijheid die de commissie-Franken wil toestaan. "Het
valt echter niet goed uit te leggen dat voor het
boekdrukkersbedrijf of voor de uitoefening van het beroep van
journalist geen vergunningvereiste kan worden gesteld terwijl
dit bv wel mogelijk is voor een bedrijf dat videofilms of
cd-roms maakt" (samenvatting blz 10). Dit is geen
modernisering van de Grondwet maar het terugzetten van de
constitutionele klok met meer dan een eeuw - of meer. Op een
recent seminar over het rapport van de commissie wees
voorzitter Franken kritiek dat zijn commissie een
vergunningenstelsel voor de pers bepleit, verontwaardigd van
de hand.[13]
Het ging slechts om het constateren van een onhoudbare
discrepantie. Het gaat er echter niet om of de commissie een
vergunningenstelsel voor de pers bepleit - dat doet zij
inderdaad niet actief - maar dat zij het zelfs maar overweegt
die mogelijkheid te openen. Een opmerking van Franken op het
vermelde seminar als "geen status aparte voor de omroep" doet
vrezen dat het niet bij een theoretische mogelijkheid blijft.
De commissie had beter kunnen concluderen dat het
vergunningsysteem voor de omroep moet worden afgeschaft. Het
wordt helemaal griezelig doordat de commissie een
afzonderlijke zorgplicht van de overheid bepleit voor "de
pluriformiteit van het informatie-aanbod". Daarbij beperkt zij
zich niet tot het ter beschikking stellen van financiële
middelen of een optreden tegen private grondrechtenschending
(zie Marckx) maar bepleit een bevoegdheid regels te stellen
voor "publieke mediadiensten" - inclusief dagbladen en
tijdschriften. In 1983 deed het wetenschappelijk bureau van
het CDA nog een poging de gedrukte media gelijk te stellen met
het toen al achterhaalde stromingsbeginsel van de omroep.
Verzuiling in het internettijdperk. Het is te gek voor woorden
en in elk geval een tijdbommetje onder de politieke
besluitvorming over dit rapport.
De commissie is ook inconsequent. Zij wijst grondwettelijke
erkenning van de vrijheid van nieuwsgaring af. "Gezien de
variëteit van activiteiten waarin de garingsvrijheid zich kan
uiten, valt niet goed te overzien welke
beperkingsmogelijkheden dan nodig zouden zijn". Maar geldt dat
dan niet voor de ontvangsvrijheid die wel wordt erkend?
Art 10 en zelfbeschikking
En dan het derde grondrecht,
privacy. Dat is in 1983 in de Grondwet gekomen en voldoet
volgens de commissie redelijk. Daar valt op zichzelf weinig
tegen in te brengen. De commissie mist echter wel een kans.
Privacy is een defensief recht, het afschermen van
persoonsgebonden informatie. Dat is de historische kern, maar
deze mist in toenemende mate aansluiting met het offensieve
gebruik van persoonlijke informatie.
Deze dimensie noopt tot het erkennen van een grondrecht op
"informationele zelfbeschikking". Dat is reeds gebeurd in een
niet onbelangrijk land als Duitsland.[14]
In een recente nota over de elektronische relatie
overheid-burger spreekt de verantwoordelijke bewindspersoon in
Nederland, Van Boxtel over een "recht op regie over de eigen
persoonsgegevens."[15]
De invulling van dit recht is nog onderwerp van een
verkenning, maar aan het bestaan ervan hoeft kennelijk niet te
worden getwijfeld.
De commissie-Franken wil er niet aan, ook al vormt het
zelfbeschikkingsvraagstuk een belangrijke wissel in het
vertrouwen naar de komende informatiemaatschapij. Erkenning
van dit recht zou afdoen aan het brede karakter van het recht
op bescherming van de persoonlijke levensfeer. Het is echter
eerder zo dat erkening van het zelfbeschikkingsrecht een
onmisbare dimensie van deze bescherming uitmaakt. Bij deze
bescherming dienen drie aspecten te worden onderscheiden:[16]
1. Beveliging van gegevens en systemen. Uiteraard niet een
onbelangrijke doelstelling, maar toch een beperkte: het
afweren van niet geautoriseerd gebruik. Vanuit het oogpunt van
bescherming van de persoonlijke levenssfeer is de kwestie
juist welk gebruik wel is geautoriseerd.
2. Privacy - volgens de klassieke defintie van Westin: de
aanspraak van individuen, groepen of instellingen voor
zichzelf te bepalen wanneer, hoe en in welke mate gegevens
omtrent hen worden meegedeeld aan derden[17]
- reguleert wél de omgang met persoonsgegevens. Te denken valt
aan regels voor derdenverstrekking, bewaartermijnen en
dergelijke. Ook deze benadering heeft echter inherente
beperkingen. Het blijft een defensief concept, dat toch vooral
is gericht of afschutting en afscherming. Vandaart het belang
van de derde dimensie:
3. Autonomie, het informationele zelfbeschikksrecht. De
strekking werd enkele decennia geleden kernachtig onder
woorden gebracht door een lid van het Amerikaanse Huis van
Afgevaardigden, de oude Congressman Jackson Betts: "Privacy is
not simply the absence of information about us in the mind of
others; it is the control we have over information about
ourselves."[18]
Dat de commissie deze elementaire - en inmiddels oude -
wijsheid miskent, valt haar ernstig kwalijk te nemen.
En dan: Het recht op anonieme expressie/ontvangst. Anonimiteit
staat in een slechte reuk.[19]
Toch is dat niet een reden te weigeren het serieus in
overweging te nemen, bijvoorbeeld als natuurlijk tegenwicht op
de toenemende hoeveelheid "transaction generated information"
op de elektronische snelweg.[20]
Het belang van anonimiteit is in de constitutionele traditie
van een - zeker voor Internet - niet onbelangrijk land als de
VS erkend.[21]
Men herinnert er in de VS graag aan dat enkele Vaders van de
Constitutie hun controversiële briefwisseling intertijd
publiceerden onder het pseudoniem Publius.[22]
Ongeclausuleerd is deze - vooral politieke - anonimiteit
intussen bepaald niet. Wel levert de Amerikaanse rechtspraak
over anonimiteit een interessant criterium op voor Internet:
dreigt een verbod c.q. beperking van remailers een
communicatiekanaal af te sluiten waarvoor geen serieus
alternatief aanwezig is?[23]
Ook het Europese hof voor de mensenrechten heeft in zijn
jurisprudentie over beperkingen op de uitingsvrijheid
meegewogen of op altermatieve wijze aan dezelfde informatie
kon worden gekomen.[24]
Allemaal redenen om de constitutionele dimensie van het recht
op anonimiteit niet te negeren.
Nieuw: toegang
Wat betreft de openbaarheid
van bestuur heeft de commissie met de grootst mogelijke
meerderheid terecht gadviseerd te voorzien in een grondrecht
van toegang tot informatie naast en bovenop het bestaande art
110 GW. Openbaarheid en toegang zijn niet hetzelfde.[25]
De Nederlandse (Grond)wet schiet hier duidelijk tekort.
Minder duidelijk is de grond voor de weigering van de
commissie om uitbreiding van dit grondrecht buiten de sfeer
van de overheid te overwegen. Jaren geleden wees de toenmalige
Adviescommissie mensenrechten van het ministerie van
buitenlandse zaken al op "situaties waarin burgers aandpraak
laten gelden op informatie van algemeen belang die berust bij
partiucliere instellingen, waarbij bijvoorbeeld valt te denken
aan zaken het milieu en de volksgezondheid betreffende."[26]
Het belang van de horizontale werking van openbaarheid wordt
onderstreept door overwegingen van privacybescherning. Het
zelfbeschikkingsrecht van het individu is nauw verbonden met
een "Informationsgleichgewicht" wat openheid bij de
tegen(contracts)partij veronderstelt - ook in particuliere
betrekkingen.[27]
Knelpunten
Tenslotte nog iets over twee
speciale knelpunten:
1. Horizontale werking
2. Techniekonafhankelijkheid
Ad 1. De horizontale werking
van grondrechten komt er bij de commissie-Franken zwak af. Dat
past in de klassieke doctrine waarin de klassieke grondrechten
een verticale werking hebben.[28]
Maar deze strikte leer is al geruime tijd aan het
schuiven.[29]
Typerend voor Internet, als metafoor voor de
elektronische snelweg/informatiemaatschappij, is bij uitstek
dat dit het horizontale aspect van de grondrechten
accentueert. Dit spreekt het duidelijkst bij het
communicatiegeheim. Dat heeft een andere betekenis in handen
van het staatsbedrijf der PTT dan in een geliberaliseerde
markt. De commissie heeft dat blijkens het vierde lid van het
voorgestelde art 13 GW erkend, net zoals in het derde lid van
art 10 over privacy. Maar er is méér, zoals de horizontale
werking van de openheid, mede in verband met de privacy,
waarop hierboven werd gewezen. Een speciale reden de
horizontale werking expliciet aan de orde te stellen is het
auteursrecht. De digitale informatievrijheid wringt in
toenemende mate met het absolute (verbods)karakter van dit
recht.[30]
Een particulier verbod is net zo verwoestend als een
overheidsverbod. Ook hier versterken verschillende
grondrechten elkaar: de WOB botst - juist in elektronisch
opzicht - met het auteursrecht.[31]
Ad 2.
Techniekonafhankelijkheid
De opdracht te streven naar een techniekonafhankelijke
forumulering is een wonderlijke opdracht voor een commissie
die zich moet bezighouden met "grondrechten in het digitale
tijdperk". Een dergelijke terminologie focust juist op
techniek. Een (privacy)probleem als "datamining" is ook alleen
mogelijk door techniek.
Het streven naar techniekonfhankelijke formuleringen was ook
het leidend beginsel van een studiecommissie van de Vereniging
voor Media- en Communicatierecht in haar recente pre-advies.[32]
De proef op de som van de officiële commissie stemt
echter tot nadenken.
Het gebod van techniekonafhankelijkheid is nauw verbonden met
de befaamde stelregel: "wat off-line geldt moet ook on-line
gelden".[33]
Deze vergroot de mogelijkheden voor de overheid met
grondrechten op de loop te gaan. "Un peu d'histoire", zoals de
heer Michelin het pleegt uit te drukken: De commissie digitale
grondrechten had een voorzitter die ons reeds de Wet
computercriminaliteit van 1993 bezorgde. En deze wet bracht
ons met name nieuwe strafvorderlijke bevoegdheden - inbreuken
op burgerlijke vrijheden - die het predikaat "uniek" kregen.[34]
Dat was niet teveel gezegd als men bijvoorbeeld het
nieuwe recht op inbeslagneming van "gegevens" (art 125i Sv)
vergelijkt met het klassieke recht van inbeslagneming van
"voorwerpen" (art 104 Sv).
De uitbreiding van bevoegdheden werd gemotiveerd met een
beroep op het unieke karakter van computercriminaliteit. Maar
daartoe werden de nieuwe bevoegdheden niet beperkt; ze gelden
evenzeer voor klassieke criminaliteit. In zijn NJV-preadvies
van 1998 noteerde Buruma haast terloops dat de speciale
opsporingsteams voor 90 procent op traditioneel gebied
werkzaam zijn en niet op dat van de specifieke
computermisdaad.[35]
Stemt dit niet tot nadenken over de waarde van verzekeringen
van "terughoudendheid", zoals nu ook weer van de commissie?
Het valt met name te vrezen dat de stelling dat wat off-line
geldt ook on-line moet gelden, zich naar believen laat
omkeren. Gevreesd moet worden dat nieuwe bevoegdheden die met
een beroep op Internet worden gecreëerd als het ware worden
geïmporteerd in de klassieke rechtsorde, waar men er niet over
zou piekeren zo ver te gaan.
In Frankrijk werd onlangs bericht over een private strafklacht
tegen de "parolier" Jean-Louis Costes wegens racistische
teksten op Internet.[36]
Als persdelict zou deze klacht zijn gebonden aan een
termijn van drie maanden. Het Hof van beroep zei echter dat
het op Internet anders ligt: iedere dag dat de gewraakte
uitlating wordt gehandhaafd begint een nieuwe termijn. Als
deze stelregel in stand blijft is het wachten slechts op de
omkering: zolang een krant nog ergens verkrijgbaar is, vervalt
ook daar termijn.
Tot slot
Wat ik vooral mis is de
invalshoek van het individuele zelfbeschikkingsrecht. Als men
spreekt over grondrechten - rechten van mensen - in het
digitale tijdperk is de eerste vraag: welke eigenschappen van
Internet kunnen leiden tot waarlijke juridische vernieuwing?
Want dit is toch de vraag als het waar is dat hier sprake is
van "a unique and wholly new medium of worldwide human
communication", zoals het Hooggerechtshof van de VS uitsprak
in de CDA-zaak.[37]
Vanuit deze vraagstelling dringen zich verschillende
thema's op:
- De nieuwe kopieercapaciteit van het Net versus het
auteursrecht
- Elektronische anonimiteit
- De eigen mogelijkheden van ICT voor het toegankelijk maken
van informatie.[38]
- De mogelijkheden van Internet voor het opblazen van oude
vergunningstelsels zoals omroep.
De tegenwerping van Franken c.s is dat dergelijke
vernieuwingen in de Grondwet niet voldoen aan de ultieme test
van "constitutionele rijpheid". Daar valt mee in te stemmen.
Maar dan dient deze test ook écht te worden toegepast. De
regering bezwoer in de Nota n.a.v. het verslag over de
herziening van art 13 GW "dat het bestaande beschermingsniveau
wordt uitgebreid tot (-) nieuwe comunicatietechnieken (-)
zonder aan de bestaande bescherming enige afbreuk te doen"[39].
Laat dit eerst maar eens blijken. Stel het
telecommunicatiegeheim (hetgeen meer is dan de bescherming van
e-mail) gelijk met het klassieke briefgeheim. Stel de
videoproducent gelijk met de uitgever. En schaf de
omroepvergunning af. Aan deze proef op de som voldoet het
rapport "Grondrechten in het digitale tijdperk" niet. Het
biedt ontegenzeggelijk boeiende en veelbelovende discussiestof
maar niet de klare tekst van een Grondwet voor het digitale
tijdperk.
|
| [1]
F. Kuitenbrouwer, Paternalisme overheid bedreigt digitale
grondrechten, NRC Handelsblad 9-4-1999. Terug naar
tekst
[2]
Rapport van de Commissie "Grondrechten in het digitale
tijdperk", (Den Haag, 2000). Terug naar
tekst
[3]
EHRM 13.06.1979 (Marckx v België) A-31, in: R.A. Lawson
& H.G. Schermers (Eds), Leading cases of the European Court
of Human Rights (2nd Ed.) Nijmegen,1999. Terug naar
tekst
[4]
Justice Louis D. Brandeis (diss.), Olmstead vs US 277
US 438 (1928): "Experience should teach us to be most on our
guard to protect liberty when Government's purposes are
beneficient. Men born to freedom are naturally alert to repel
invasion of their liberty by evil-minded rulers. The greatest
dangers to liberty lurk in insidious encroachment by men of
zeal, well-meaning but without understanding". Terug naar
tekst
[5]
Kamerstukken II 25 443. Terug naar
tekst
[6]
E.J. Dommering,
Geen
telefoongeheim op de elektronische snelweg, Mediaforum
1997-10, p. 142 e.v. Terug naar tekst
[7]
N.A.N.M. van Eijk,
(G)een recht op
vertrouwelijke communicatie: fax en e-mail vogelvrij,
NJB 1997-33, p. 1554. Terug naar tekst
[8]
Registratiekamer, brieven van 13-11-1997 (nr 97.A.894.01) en
12-12-1997 (nr 97.A.961.01). Terug naar
tekst
[9]
Registratiekamer, Jaarverslag 1997, blz 11. Terug
naar tekst
[10]
Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 25 443, nr. 3.
Terug naar tekst
[11]
F. Kuitenbrouwer, E-mailcontrole op de werkplek,
Computerrecht 1999-6, p. 299-301. Terug naar
tekst
[12]
J.M. de
Meij, Uitingsvrijheid, De vrije informatiestroomn in
grondwettelijk perspectief (2e druk), 1996 (in het
bijzonder Hst IV.15). Terug naar tekst
[13]
Seminar "Grondrechten in het digitale tijdperk", Den Haag, 14
juni 2000, georganiseerd door Roccade. Terug naar
tekst
[14]
BVerfG 14 december 1983, Neue Juristische Wochenschrift
1984, blz. 419 e.v. Terug naar tekst
[15]
Minister Van Boxtel (GSI), nota Contract met de toekomst, Een
visie op de elektronische relatie overheid-burger,
Kamerstukken II 26 387 nr 8, par 5.3. Terug naar
tekst
[16]
F. Kuitenbrouwer, Rechten van mensen in een kwetsbare
informatiemaatschappij, Nieuwenhoflezing II, Deventer 1988,
blz. 8 e.v. Terug naar tekst
[17]
A.F. Westin, Privacy and Freedom, New York 1967, blz.
7: "Privacy is
| |