| De schok van de moord op Pim
Fortuyn nog nauwelijks te boven, zag ik opeens mijn confrère
Hammerstein op de televisie verkondigen, dat hij overwoog een
aangifte in te dienen tegen een aantal politici en
journalisten wegens het zaaien van haat. Heel even hoopte ik
dat het om een grap ging, maar al snel werd duidelijk dat het
hen bittere ernst was. In het debat dat daarop volgde, bleek
al spoedig, dat niet alleen veel van mijn collega's mijn
verontwaardiging deelden, maar dat ook elders in de
samenleving het onbegrip over de actie groot was. De confrères
Spong en Hammerstein blijken echter tot dusver ongevoelig voor
deze storm van kritiek. Goede inhoudelijke argumenten voor hun
dadendrang heb ik nog niet gehoord. Hun verweer zoals dat in
de media naar voren is gebracht, kan als volgt worden
samengevat. Wij hebben de vrijheid om de juridische middelen
in te zetten, die ons goeddunken, onze cliënten hebben het zo
gewild, en met deze aangifte kanaliseren wij de
maatschappelijke volkswoede. In het licht van de bezwaren die
tegen de aangifte zijn in te brengen, is dit verweer niet
overtuigend genoeg om de aangifte door te zetten. Met vijf
advocaten hebben wij dan ook besloten om onze bezwaren te
verwoorden aan de Deken en hem verzocht te beoordelen of er
reden is de zaak aan de Raad van Discipline voor te leggen. In
deze bijdrage, die ik overigens op persoonlijke titel schrijf,
wil ik mijn motieven voor deze wellicht ongebruikelijke stap
toelichten. Het is
juist, dat advocaten een grote vrijheid hebben om ten behoeve
van de zaak van hun cliënt juridische middelen in te zetten.
Daarnaast heeft een advocaat echter ook een maatschappelijke
verantwoordelijkheid en moet hij onder omstandigheden dan ook
afzien van middelen waarvan het voordeel niet opweegt tegen de
schade die ermee wordt veroorzaakt. Wij zijn van mening, dat
onze confrères in deze zaak hun maatschappelijke
verantwoordelijkheid hebben miskend. Dit klemt te meer, nu
onduidelijk is wat de opdracht van Fortuyn inhield en welk
voordeel voor de cliënt met deze actie wordt beoogd. Uit
hetgeen over de opdracht van Fortuyn naar buiten is gebracht,
blijkt dat hij zijn advocaten slechts heeft verzocht om na een
eventuele aanslag al het nodige te doen om te bewerkstelligen
dat de schuldigen gestraft worden. Een uitdrukkelijke opdracht
tot het doen van deze aangifte is blijkbaar niet gegeven. Uit
een recente uitzending van Barend en Van Dorp blijkt, dat de
nabestaanden van Pim niet achter deze aangifte staan. Afgezien
daarvan merk ik op, dat wij allen hebben geleerd, dat een
advocaat “dominus lithis” is en dus niet slaafs de opdrachten
van de cliënt heeft uit te voeren.
Wat is er nu eigenlijk zo erg
aan die aangifte ? Uit de reacties die op de opiniepeiling van
de Orde zijn binnengekomen blijkt dat de kritiek uiteenlopend
is. Sommigen leggen de nadruk op het risico van escalatie van
de spanningen in de samenleving, anderen op het recht op de
vrijheid van meningsuiting. Ook het imago van de advocatuur in
het algemeen en de (suggestie van) belangenverstrengeling
worden veel genoemd. Ik vind dat mijn confrères zich in deze
kwestie te weinig rekenschap hebben gegeven van hun
maatschappelijke positie als advocaat. Door het enkele doen
van deze aangifte hebben zij veel schade aangericht. Schade
aan de maatschappelijke verhoudingen, schade aan degenen tegen
wie de aangifte is gericht, schade aan het vertrouwen in de
advocatuur, en –last but not least- schade aan het belang van
een open en vrij debat.
Na de moord op de heer
Fortuyn braken er begrijpelijkerwijs veel emoties los.
Gevoelens van oprecht verdriet, onmacht, maar ook gevoelens
van woede. Sommigen uiten deze woede in de richting van
politici en media. Het is deze woede, die door het doen van
deze aangifte in een juridisch jasje is gestoken, en aldus is
gelegitimeerd. Degenen die na de moord op de heer Fortuyn de
schuld of in ieder geval de medeverantwoordelijkheid legden
bij politici en media, krijgen hierin van Spong en Hammerstein
gelijk. Hoewel het uiteraard uiteindelijk aan de rechter is om
hierover een oordeel te vellen, heeft de stellingname van de
beide advocaten vanwege hun enorme reputatie zoveel invloed,
dat dit als een legitimatie kan worden ervaren. Dit kan voor
sommigen ook een legitimatie zijn voor hun gevoelens van haat,
en latente haatgevoelens aanwakkeren, met alle mogelijke
gevolgen van dien. In ieder geval leidt het optreden van deze
advocaten eerder tot escalatie en polarisatie dan tot
kanalisatie van de volkswoede, zoals mijn confrères in
uitzending van Barend en Van Dorp van 28 mei jl. betoogden.
De aangifte is uiteraard ook
beschadigend voor degenen tegen wie zij is gericht. Zij worden
beschuldigd van een niet gering misdrijf en aldus als
criminelen neergezet. Wanneer men de onderdelen van de
aangifte beziet, moet worden geconstateerd dat de betrokkenen
op hun eigen wijze hebben deelgenomen aan het maatschappelijke
debat, dat mede door de onorthodoxe benadering van de heer
Fortuyn op voor Nederlandse begrippen harde toon werd gevoerd.
Daarbij is het goed om te bedenken, dat de meeste van de
gewraakte uitlatingen zijn gedaan in reactie op het beruchte
Volkskrantinterview van 9 februari jl., waarin de heer Fortuyn
onder andere voorstelde het discriminatieverbod af te schaffen
in het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting, en
hij de Islam een achterlijke cultuur noemde.
Dat de aangifte kansloos is,
is al door verschillende rechtsgeleerden van naam betoogd. In
dit kader is allereerst weer de vrijheid van meningsuiting van
belang, welk recht slechts onder zeer strikte voorwaarden kan
worden beperkt. Voorop staat het beginsel, dat men in een
open, democratische samenleving veel moet kunnen zeggen.
Interessant is in dit kader bijvoorbeeld de bijdrage van de
heer Buruma in het laatste nummer van het Nederlands
Juristenblad. Uitlatingen die in het maatschappelijk debat
zijn gedaan, zullen niet snel als beledigend, laat staan als
het zaaien van haat worden beschouwd, omdat artikel 10 EVRM
zich hiertegen verzet. Daarnaast is bovendien niet voldaan aan
het vereiste dat de uitlatingen zijn gedaan op grond van het
feit dat de heer de heer Fortuyn tot een bepaalde
bevolkingsgroep behoorde. Men kan veel zeggen over het
ideeëngoed van de heer Fortuyn maar om het Fortunisme aan te
duiden als een levensovertuiging gaat te ver, en strookt ook
niet met hetgeen in de wetsgeschiedenis bij artikel 6 van de
Grondwet hierover wordt opgemerkt.
Dan is er nog de kwestie van
de (schijn van) belangenverstrengeling. Hierover is al zoveel
gezegd en geschreven, dat ik er hier niet op in wil gaan. Wel
merk ik op, dat bij mijn weten nog niet eerder er zelfs maar
sprake van kon zijn, dat een strafzaak inzet zou kunnen worden
van formatiebesprekingen.
Het behoeft geen verder
betoog, dat het mij een lief ding zou zijn, als mijn confrères
de aangifte zouden intrekken en het OM in hun voetspoor
besluit van vervolging af te zien. Het zou mij minstens zo
veel waard zijn erop te kunnen rekenen, dat de media en de
politiek in de toekomst gevrijwaard blijven van dit soort
aangiften, zodat zij in vrijheid hun werk kunnen blijven doen.
Uiteraard nodig ik de heren
Spong en Hammerstein graag uit te reageren. Ik acht dat in het
belang van een open en democratische samenleving. Daarbij stel
ik een debat op basis van inhoudelijke argumenten op prijs, en
niet op basis van onnodig grievende uitlatingen (“sukkels”)
jegens mijn persoon. |