Dossier Uitingsvrijheid na Fortuyn
Na de moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002 is er een discussie ontstaan over de vraag welke uitingen wel en welke niet toelaatbaar zijn in het politieke debat. De vraag in hoeverre politici, media en journalisten een 'klimaat van haat' hadden geschapen kwam op de voorgrond nadat advocaten Spong en Hammerstein namens hun overleden client Fortuyn op 13 mei 2002 een strafklacht indienden op grond van artikel 137d Sr.
In de tekst van de klacht wordt gerefereerd aan een aantal voorbeelden van 'grensoverschrijdend' gedrag.

Diverse juristen reageerden op de klacht. Zo schreef Egbert Dommering een commentaar in NRC Handelsblad. Dommering schreef al eerder over uitingsvrijheid en de vergelijking met nazi's. Lodewijk Asscher reageerde in het Parool. Karin Spaink wijdde vervolgens eveneens een column aan de klachtentrend. Hoogleraar strafrecht Yvo Buruma van de Katholieke Universiteit Nijmegen betoogde in NJB dat de klacht geen kans van slagen had. Wouter Hins reageerde in Mediaforum.
Advocaat Judith Pieters schreef over de volgens haar onterechte aanklacht in het Advocatenblad.

Op 4 juni bleek vervolgens dat het OM niet voornemens is tot vervolging over te gaan. Vrijwel onmiddellijk kondigden Spong en Hammerstein aan tegen die beslissing in beroep te gaan.

Dommering plaatst een en ander in het bredere kader van een veranderend klimaat voor de uitingsvrijheid in Nederland.


Art. 137d:

Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.


Bijgewerkt 15.12.2005