Geachte leden van de
vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,In antwoord op uw
verzoek ontvangt u hierbij een reactie op de voorstellen van
het kabinet omtrent “grondrechten in het digitale tijdperk” (Kamerstukken
II 2000/01, 27 460, nr. 1).
1. Inleiding
Minister de Vries schrijft in zijn brief aan
het parlement dat de revolutionaire ontwikkelingen in de
informatie- en communicatietechnologie aanleiding hebben
gegeven tot de instelling van de commissie “Grondrechten in
het digitale tijdperk”. Daarmee werd tegemoet gekomen aan de
wens van de Tweede Kamer tijdens het debat over een
wijzigingsvoorstel van artikel 13 Grondwet (Kamerstukken II,
25 443) in 1997/98. Deze commissie presenteerde haar rapport
in mei 2000. Het rapport bevatte onder meer concrete
wijzigingsvoorstellen voor de artikelen 7, 13 en 10 van de
Grondwet. In de literatuur werd het rapport overwegend
kritisch ontvangen.
[1]
De voorstellen die het kabinet thans in zijn standpunt naar
voren brengt, komen grotendeels overeen met die van de
commissie “Grondrechten in het digitale tijdperk”.
Belangrijkste verschillen schuilen in de voorstellen rond
artikel 7 lid 4 (pluriformiteit) en in de toelichting op
artikel 13. Als voornaamste uitgangspunt heeft het kabinet
genomen dat het voor de bescherming van grondrechten niet moet
uitmaken van welke techniek gebruik wordt gemaakt
Ook de belangrijkste uitgangspunten van de
commissie “Grondrechten in het digitale tijdperk” neemt het
kabinet over. Dat wil zeggen dat onder meer uitgegaan wordt
van de bestaande beperkingssystematiek. Daarmee wordt
bijvoorbeeld de introductie van een noodzakelijkheidscriterium
moeizaam (kabinetsstandpunt, p. 6). Hieronder wordt nader
ingegaan op deze keuzes en hun gevolgen.
2. De voorstellen van het kabinet: kritiek
2.1 Artikel 7 Gw
2.1.1 Garen
De garingsvrijheid of vrijheid van
nieuwsgaring wordt niet opgenomen in het kabinetsvoorstel
omdat, gezien de variëteit van activiteiten waarin de
garingsvrijheid zich kan uiten, niet valt te overzien welke
beperkingsmogelijkheden dan nodig zouden zijn
(kabinetsstandpunt, p. 11-12).
Dit is niet een consequent gebruikt argument
want deze redenering geldt ook voor het wel voorgestelde recht
op ontvangstvrijheid. Volgens het kabinet is de
ontvangstvrijheid echter bedoeld voor passieve
informatieontvangst, en de garingsvrijheid meer voor de
actieve vergaring en is het daarom wel degelijk consequent het
ontvangen te beschermen en het garen niet (kabinetsstandpunt,
p. 11). Het moge zo zijn dat de ontvangstvrijheid meer ziet op
de passieve ontvangst van informatie, daarmee is nog niet
verklaard waarom voor de ontvangstvrijheid wel een goede
beperkingsclausule kon worden gevonden, en voor de
garingsvrijheid niet. De garingsvrijheid zou op dezelfde
manier beschermd kunnen worden als de ontvangstvrijheid. De
garingsvrijheid is een belangrijk onderdeel van de
uitingsvrijheid en is van groot belang voor de pers om haar
werk te kunnen doen maar ook voor burgers die gehinderd kunnen
worden in hun queste naar informatie. Een voorbeeld van een
manier om dit recht toch vorm te geven vinden we in de Duitse
Grondwet: (1) Jeder hat das Recht … sich aus allgemein
zugängliche Quellen zu unterrichten (artikel 5 GG).
2.1.2 Verspreiding
Het in de jurisprudentie gevormde
onderscheid tussen verspreiden en openbaren was al gekunsteld
onder het regime van de oude Grondwet. Codificatie van dit
onderscheid in de Grondwet leidt tot verwarring in plaats van
rechtszekerheid. Het gebruikte doelcriterium van de openbare
orde dat blijkens het kabinetsstandpunt alleen bedoeld is voor
de fysieke ruimte maakt een en ander alleen maar verwarrender.
Bovendien houdt het kabinet er wel een
bijzonder vreemd openbaringsbegrip op na: “dient hier in het
voorstel onder te worden verstaan het openbaren in engere zin,
hetgeen onder meer tot uitdrukking komt door het intypen van
een document op een personal computer, het drukken van een
krant … enz” (kabinetsstandpunt, p. 8). De
openbaringshandelingen die volgen op het intypen of drukken
vallen volgens het kabinet onder het begrip ‘verspreiden’ en
dus onder het lagere beschermingsniveau.
Voor gerechtvaardigde beperkingen op
gemeenteniveau zou beter worden aangesloten bij het in de
Verenigde Staten gebruikte onderscheid tussen beperkingen die
zich richten op de inhoud en beperkingen die zich niet richten
op de inhoud van de uiting. Voor die laatste categorie zou dan
delegatie toegestaan kunnen zijn.
Ook de keuze voor het begrip “openbare orde”
als enige doelcriterium wekt bevreemding. Dit leidt ertoe dat
voor alle verspreidingsmiddelen de mogelijkheid van een
vergunningensysteem wordt opengesteld zodra zij de openbare
orde raken. Bij de voorbeelden die worden gegeven lijkt het
digitale tijdperk opeens weer heel ver weg, “de beveiliging
van het verkeer, het voorkomen van wanordelijkheden, het
handhaven van de rust in de nachtelijke uren en de bescherming
van het stadsaanzicht of het landschapsschoon”
(kabinetsstandpunt, p. 10). Natuurlijk zijn dit
gerechtvaardigde belangen, ook in het “digitale tijdperk”.
Maar het kabinet mist hier wel de elders zo vanzelfsprekende
vertaalslag van offline naar online (zie hierover het in de
bijlage opgenomen
artikel van E.J. Dommering).
2.1.3 Noodzakelijkheidsvereiste
Hierboven werd reeds aangestipt dat het
kabinet zich vastlegt op de bestaande beperkingssystematiek.
Daarmee verdwijnt de introductie van een
noodzakelijkheidsvereiste uit beeld. Het kabinet geeft voor
die keuze twee argumenten. Ten eerste zou introductie van een
nieuw en wezensvreemd element bij de beperkingen repercussies
kunnen hebben voor de andere grondrechten. Ten tweede is het
noodzakelijkheidsvereiste eigenlijk al onderdeel van de
algemene beginselen van grondrechtenbeperking. “Opneming van
dit vereiste in de Grondwet voegt dan in feite weinig toe”
(kabinetsstandpunt, p. 6.).
Anders dan het kabinet menen wij dat het
opnemen van het noodzakelijkheidsvereiste serieuze overweging
verdient. Immers, zelfs als het vereiste reeds in de vorm van
een ongeschreven algemeen beginsel zou gelden, kan het een
positieve uitwerking hebben het te codificeren en de wetgever
daarmee meer bewust te maken van dit vereiste. Bovendien zou
bij een opheffing van het toetsingsverbod van artikel 120
Grondwet, het noodzakelijkheidsvereiste een belangrijke rol
kunnen spelen bij de rechterlijke toetsing. Het is des te meer
te betreuren dat het kabinet de opname van een
noodzakelijkheidsvereiste niet werkelijk overweegt, omdat
daarmee ook andere aspecten van het grondrecht meer in
evenwicht zouden komen. Een voorbeeld biedt de verdeling van
frequenties, waar het gaat om toegang tot
communicatiemiddelen. Toewijzing van frequenties aan de
publieke omroep zou dan pas zijn toegestaan indien dat
noodzakelijk is in een democratische samenleving.
2.1.4 Horizontale werking
Het kabinet laat de doorwerking van de
vrijheid van meningsuiting in particuliere verhoudingen over
aan de rechter en de wetgever. Wel wordt verwezen naar het
vierde lid (pluriformiteit), als een soort garantie voor
verscheidenheid in informatieaanbod. Bedreigingen van de
vrijheid van meningsuiting in particuliere verhoudingen kunnen
volgens het kabinet met het gewone mededingingsrecht worden
bestreden. Als voorbeeld wordt daarbij de filterproblematiek
aangehaald. Toch valt te vrezen dat door zelfregulering en
pressie door de fanatieksten de daadwerkelijke vrijheid zal
afnemen. In dat geval biedt het voorgestelde vierde lid
onvoldoende garanties.
2.1.5 Pluriformiteit
De commissie “Grondrechten in het digitale
tijdperk” had vergaande voorstellen gedaan ter bescherming van
de pluriformiteit in het informatieaanbod. Daarop was zeer
kritisch gereageerd in de literatuur (zie onder meer het
artikel van L.F. Asscher in de bijlage). Terecht heeft het
kabinet in zijn voorstellen afgezien van een
beperkingsbevoegdheid ten aanzien van publieke mediadiensten.
Wel wordt een apart regime ten aanzien van de omroep
voorgesteld. Als argumenten hiervoor worden naar voren
gebracht:
- indringendheid en bereik van het medium,
- de maatschappelijke functie van de omroep
en
- schaarste aan distributiekanalen.
Het kabinet merkt vervolgens zelf op dat
deze argumenten met de opkomst van Internet veel van hun
kracht (zo ze die al bezaten) verliezen. Echter: “Het
voorgaande neemt niet weg dat het vooralsnog wenselijk is om
de huidige mogelijkheden van de overheid om omroep te
reguleren, te handhaven”. (kabinetsstandpunt, p. 14-15). Een
meer pragmatisch argument lijkt dan ook doorslaggevend te zijn
geweest: “In de lijn van het huidige kabinetsbeleid, wenst het
kabinet uiteraard ook het recent ingevoerde concessiestelsel
voor publieke omroep, zoals neergelegd in de Mediawet, met het
oog op de pluriformiteit te handhaven.” (kabinetsstandpunt, p.
15).
Weliswaar is de bevoegdheid in het vierde
lid gebonden aan het doelcriterium van de pluriformiteit, toch
is het een ongelukkige bepaling geworden. Het kabinet lijkt
zich dat ook te realiseren waar het laat doorschemeren dat dit
vierde lid binnen korte tijd wel eens minder noodzakelijk zou
kunnen zijn en waar het opmerkt dat in tegenstelling tot het
huidige tweede lid van artikel 7 Grondwet geen plicht
is voor de overheid om regels te stellen, maar een
bevoegdheid.
2.2 Artikel 13 Gw
[2]
2.2.1 Vertrouwelijke communicatie
Het eerste punt van kritiek
op het voorstel met betrekking tot artikel 13 Grondwet vormt
de keuze van het kabinet voor de term vertrouwelijke
communicatie. Het concept van het voorgestelde grondrecht, het
recht om vertrouwelijk te communiceren, komt overeen met het
concept van het hierboven aangestipte regeringsvoorstel tot
wijziging van artikel 13 uit 1997. In dit voorstel werd het
recht op vertrouwelijke communicatie geďntroduceerd. Op dit
regeringsvoorstel en zijn conceptuele achtergrond is forse
kritiek vanuit de wetenschap geuit. Het werd dan ook bijna
volledig door de Tweede Kamer geamendeerd.
Door de keuze van het
kabinet voor de belaste (besmette) term vertrouwelijke
communicatie is het gevaar geenszins denkbeeldig dat de in
1997 aanwezige noties en misverstanden ook bij dit nieuwe
voorstel een rol gaan spelen, bij de parlementaire discussie,
maar ook bij de rechterlijke interpretatie. De keuze van het
kabinet voor dit begrip is reeds daarmee een ongelukkige.
2.2.2 Live-gesprek
Het kabinet wil, in
navolging van de Commissie ‘Grondrechten in het digitale
tijdperk’, het live-gesprek onder de bescherming van art. 13
Gw brengen. Hoewel grondwettelijke bescherming van het
live-gesprek wellicht hoogst noodzakelijk is, valt niet
onmiddellijk in te zien waarom dat onder de grondwettelijke
bescherming van het communicatiegeheim dient te geschieden.
Het communicatiegeheim beschermt de vertrouwelijkheid van de
dienst of, zo men wil, het communicatiekanaal, terwijl
bescherming van het live-gesprek de vertrouwelijkheid van de
(inhoud van de) communicatie beschermt. De grondslag van het
communicatiegeheim is dat juist privé-communicatie die ter
bezorging aan anderen wordt toevertrouwd, extra kwetsbaar is
en dus bescherming verdient. Het is een transportgeheim.
Zolang de communicatie zich in de invloedssfeer van de
transporteur bevindt, heeft de verzender geen
beschikkingsmacht over de communicatie. Of de communicatie na
de transportfase openbaar gemaakt wordt, is niet relevant voor
de bescherming die het communicatiegeheim biedt.
Wanneer het live-gesprek
onder de werkingssfeer van art. 13 Gw gebracht wordt, worden
twee concepten met elkaar verward. Deze vertroebeling kan
leiden tot allerlei afbakeningsvraagstukken waarbij de
bescherming die het communicatiegeheim biedt, verwatert.
Bescherming van het livegesprek zou eerder onder art. 10 Gw
gebracht kunnen worden, of in een aangepast artikel over een
‘elektronisch huisrecht’.
Daarnaast is het
inconsequent dat het kabinet bescherming van het live-gesprek
beperkt heeft tot de gevallen waarin met een technisch
hulpmiddel inbreuk wordt gemaakt. Niet valt in te zien waarom
art. 13 Gw wel bescherming dient te bieden tegen inbreuk met
een technisch hulpmiddel, terwijl afluisteren zonder technisch
hulpmiddel geen inbreuk op dit grondrecht vormt
(kabinetsstandpunt, p. 24). Het afluisteren zonder technisch
hulpmiddel kan onder omstandigheden een minstens zo grote
schending van de privacy zijn. Bescherming van het
live-gesprek tegen afluisteren zonder technisch hulpmiddel zal
dus een ander grondrecht moeten leveren.
2.2.3 Redelijke verwachting van
vertrouwelijkheid
Het criterium dat het
kabinet, in navolging van de commissie, voor vertrouwelijke
communicatie gebruikt, doet afbreuk aan het huidige
beschermingsniveau van het communicatiegeheim. Het huidige
telefoon -en telegraafgeheim kent twee aspecten. Het geheim
bevat in de eerste plaats een verbod tot kennisname. Wanneer
kennisname onvermijdelijk is om de dienst te leveren of om
storingen te verhelpen, levert een verbod om inlichtingen aan
derden over de communicatie te verschaffen, aanvullende
bescherming. Het criterium ‘redelijke verwachting van
vertrouwelijkheid’ leidt ertoe dat voor het verbod,
inlichtingen aan derden te verschaffen, geen plaats meer is.
De subjectieve wil tot vertrouwelijkheid moet namelijk, om als
redelijk aangemerkt te kunnen worden, geobjectiveerd worden
(kabinetsstandpunt, p. 23). De bescherming is, met andere
woorden, van feiten en omstandigheden waarop de verzender zelf
geen invloed heeft, afhankelijk. Wanneer deze externe factoren
tot de conclusie leiden dat de verwachting van
vertrouwelijkheid niet redelijk is, zal het nieuwe art. 13
geen bescherming bieden. Dit is onder meer het geval wanneer
een kennisname door de transporteur onvermijdelijk is om de
dienst te leveren of noodzakelijk is om storingen te
verhelpen.
Daarnaast is de redelijke
verwachting van vertrouwelijkheid een criterium dat weinig
rechtszekerheid geeft over de bescherming van nieuwere
communicatiemiddelen. In de Amerikaanse constitutionele
rechtspraak, waar tevens wordt uitgegaan van een ‘reasonable
expectation of privacy’-criterium, heeft dit
criterium geleid tot dubieuze resultaten.
2.2.4 Verkeersgegevens
Het kabinet is van mening
dat de reikwijdte van artikel 13 Grondwet in zijn geheel
beperkt dient te zijn tot de inhoud van vertrouwelijke
communicatie (kabinetsstandpunt, p. 26). Verkeersgegevens
behoren in de visie van het kabinet dan ook niet onder de
bescherming van artikel 13 Grondwet te vallen.
Verkeersgegevens zijn gegevens die betrekking hebben op
telecommunicatie die plaatsvindt of plaatsgevonden heeft. Het
kabinet draagt voor zijn standpunt de volgende argumenten aan.
Enerzijds zouden verkeersgegevens reeds binnen de
werkingssfeer van artikel 10 Gw vallen (kabinetsstandpunt, p.
27), omdat het tot een identificeerbare persoon herleidbare
gegevens zijn. Anderzijds bestaat er in de ogen van het
kabinet onvoldoende rechtvaardiging om verkeersgegevens onder
de specifieke bescherming van artikel 13 Grondwet te brengen,
omdat ook andere, gevoeligere persoonsgegevens, zoals medische
gegevens onder het bereik van artikel 10 Grondwet vallen
(kabinetsstandpunt, p. 27).
Het kabinet verliest hierbij
uit het oog dat het allerminst zeker is of verkeersgegevens
altijd kunnen worden aangemerkt als persoonsgegevens in de zin
van artikel 10 Gw. Het betreft vaak alleen gegevens over data
en tijdstippen van gegevensuitwisseling tussen twee
randapparaten of locatiegegevens van een mobiel randapparaat.
In dat geval is er dus geen sprake van tot een
identificeerbare persoon herleidbare gegevens.
Daarnaast is de a contrario
redenering met betrekking tot de medische gegevens nauwelijks
een sterk argument tegen opname van de verkeersgegevens.
Daaruit zou even goed kunnen worden afgeleid dat het recht op
lichamelijke integriteit een apart lid over
“lichaamsinformatie” zou dienen te bevatten.
Voorts heeft het Europese
Hof voor de Rechten van de Mens in Malone aangegeven
dat verkeersgegevens in zekere mate onder het bereik van het
communicatiegeheim vallen.
Verkeersgegevens zeggen niet
alleen wat over de persoon, maar, specifieker, ook over de
inhoud van een bepaalde privé-communicatie. De
vertrouwelijkheid van de dienst wordt hierbij bedreigd.
Systematisch zou het daarom juister zijn om deze gegevens
onder het regime van het communicatiegeheim te laten vallen.
2.2.5 Notificatie
Een verbetering is het feit
dat het kabinet, in navolging van de commissie ‘Grondrechten
in het digitale tijdperk’, voorstelt om in het derde lid een
notificatieplicht op te nemen. De notificatieplicht houdt in
dat iemand die wordt afgeluisterd daarvan zo spoedig mogelijk
in kennis wordt gesteld (kabinetsstandpunt, p. 29).
In bepaalde gevallen kan
notificatie volgens het voorstel worden uitgesteld. Wanneer
het afluisteren ten behoeve van de nationale veiligheid
geschiedt, behoeft zelfs geen notificatie plaats te vinden.
Dit gaat behoorlijk ver. Het voorgestelde tweede lid maakt het
in het belang van de nationale veiligheid mogelijk dat voor
inbreuk geen rechterlijke last vereist is, maar met een
ministeriële machtiging kan worden volstaan. Wanneer er geen
notificatie plaatsvindt, is er dus geen onafhankelijk orgaan
dat de rechtmatigheid van de inbreuk beoordeelt. Deze
vergaande bevoegdheid is wellicht niet in overeenstemming met
de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens. Het Europese Hof lijkt op zijn minst controle door een
onafhankelijk politiek orgaan te eisen.
2.3 Artikel 10 Gw
Het kabinet kiest ervoor artikel 10 Gw
slechts in geringe mate aan te passen. Het is niet zeker of
het nodig is een recht op anonimiteit op te nemen. De
toelichting bij de kabinetsvoorstellen is echter volstrekt
inadequaat. De wezenlijke vraag, of juist in het
internettijdperk niet behoefte bestaat aan de mogelijkheid
anoniem te kunnen communiceren, wordt niet beantwoord.
3. Conclusie
Uit het bovenstaande is duidelijk geworden
dat er op de voorstellen rond met name artikel 7 en artikel 13
van de Grondwet nog veel is aan te merken. Indien de
voorstellen in de huidige vorm worden aangenomen is er per
saldo geen sprake van verbetering van de bescherming van
communicatie in de Grondwet. De voorstellen van het kabinet
behoeven verbetering op fundamentele punten. In de bijlage bij
deze brief treft u een aantal artikelen aan met daarin
concrete suggesties aan voor verbetering.
Hoogachtend,
Lodewijk Asscher,
Egbert Dommering,
Nico van Eijk
Instituut voor Informatierecht, Universiteit
van Amsterdam