| Inleiding
Alle beperkingen zijn
opgenomen in artikel 5 van de richtlijn en zij zijn allemaal
facultatief, met uitzondering van die van lid 1. Art. 5
lid 1 heeft betrekking op de omvang van het
verveelvoudigingsrecht ten aanzien van tijdelijke
verveelvoudigingen. Art. 5 lid 1 wordt niet in deze bijdrage
besproken, maar in die van Hugenholtz, elders in dit nummer.
Het facultatieve karakter van de beperkingen brengt met zich
mee dat van harmonisatie op dit punt niet veel terecht zal
komen. Van harmonisatie ten deze zou alleen sprake zijn als
alle lidstaten zouden besluiten om alle beperkingen over te
nemen óf wanneer zij allemaal zouden besluiten om geen enkele
van de beperkingen over te nemen. Dat laatste lijkt echter op
voorhand uitgesloten, omdat er nu juist zo'n intensieve lobby
heeft plaatsgevonden om al die beperkingen er in te krijgen.
Zelfs als alle beperkingen
zouden worden overgenomen is er overigens nog geen volledige
harmonisatie. Artikel 5 lid 3 sub o bevat een
ontsnappingsclausule die bepaalt dat reeds bestaande
uitzonderingen die van minder belang zijn en de
interstatelijke handel niet raken mogen blijven bestaan voor
zover ze betrekking hebben op analoog (niet-digitaal) gebruik.
Het is van belang dit in het achterhoofd te houden bij de
hiernavolgende bespreking van de andere beperkingen in de
richtlijn.
Art. 5 lid 2: beperkingen
op het reproductierecht
De beperkingen van art. 5 lid
2 hebben betrekking op het reproductierecht, maar kunnen
blijkens art. 5 lid 4 ook van toepassing worden verklaard op
het distributierecht. Het is immers in veel gevallen de
bedoeling dat niet alleen de vervaardiging van een kopie maar
ook de verspreiding ervan toegestaan is. Als gezegd zijn ze
allemaal facultatief. Het nieuwe begrip fair compensation
(billijke compensatie) speelt bij deze beperkingen een
belangrijke rol.
Art. 5 lid 2 sub a:
Fotokopiëren
Fotokopiëren mag onder een
beperking worden gebracht, mits de rechthebbenden een fair
compensation krijgen. In de bepaling wordt gesproken van
'de reproductie op papier of een soortgelijke drager, met
behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze
die een soortgelijk resultaat oplevert'. Bedoeld wordt met
name fotokopiëren. Reproductie op microfiches is mogelijk ook
toegestaan, gezien de verwijzing naar 'een soortgelijke
drager'.
Wat er in ieder geval niet
onder valt is reproductie in elektronische vorm in een
geheugen.
Deze beperkingsbepaling staat
lidstaten toe om al hun verschillende reproregelingen zoals de
heffingen op kopieerapparaten in Duitsland, de heffing op
(fotokopieer)papier in Griekenland[3]
en de pagina-tel-regeling in Nederland te handhaven.[4]
Iedere lidstaat mag zelf bepalen onder welke voorwaarden, met
welk doel en aan wie hij fotokopiëren wil toestaan. De enige
verplichte voorwaarde is dat er op één of andere manier
fair compensation wordt betaald. Zoals hieronder apart
wordt besproken kan fair compensation allerlei vormen
aannemen en soms zelfs nihil zijn. Het fotokopiëren van
bladmuziek mag echter niet onder de fotokopieervrijstelling
worden gebracht. Vermoedelijk zullen in Nederland alleen op
dit laatste punt het huidige reprorecht en de
wijzigingsvoorstellen[5]
moeten worden aangepast.
Wel zal ook aandacht moeten
worden besteed aan de invulling van de fair compensation
bij fotokopiëren voor puur privé-gebruik, dat blijkens de
hierna te bespreken bepaling op het eerste gezicht geen
volledige vrijstelling meer lijkt te kunnen krijgen.
Art 5 lid 2 sub b:
Privé-kopiëren
Alle vormen van kopiëren voor
privé-gebruik door een natuurlijke persoon van alle soorten
werken kunnen worden toegestaan mits het gebeurt zonder
commercieel oogmerk en mits de rechthebbenden op één of andere
manier fair compensation ontvangen. Dit was één van de
heetste hangijzers van de richtlijn. Met de nu gekozen
oplossing is het probleem grotendeels verplaatst naar de vraag
wat fair compensation is. Voor fotokopiëren is deze
bepaling niet van belang, omdat dat op grond van de voorgaande
bepaling in ruimere mate kan worden vrijgesteld.[6]
Kopiëren voor eigen gebruik door rechtspersonen of door
natuurlijke personen met een commercieel oogmerk is in ieder
geval niet zonder toestemming van de rechthebbenden toegestaan
(behalve als het om fotokopiëren gaat, zie art. 5 lid 2 sub a
hiervoor).
Voor het analoog
kopiëren van bewegend beeld en geluid geldt dat in veruit de
meeste landen de bestaande thuiskopieregelingen, bestaande uit
heffingen op blanco dragers en/of opnameapparatuur, kunnen
blijven bestaan en zullen volstaan.[7]
Het digitaal kopiëren van beeld en geluid op blanco
CD's valt in Nederland inmiddels ook onder de
thuiskopieregeling. Voor het privé-kopiëren van andere
informatie bestaat in Nederland momenteel geen regeling ter
zake van fair compensation, laat staan een 'waarbij
rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van […]
technische voorzieningen', zoals de richtlijn blijkens
overweging 35 eist.
Fair compensation
Om te bepalen wat er in het
Nederlandse recht ten aanzien van het privé-kopiëren precies
moet veranderen, moet het nieuwe begrip fair compensation
nader worden onderzocht. Het is nadrukkelijk niet hetzelfde
als de (talloze verschillende) billijke vergoedingen (equitable
remuneration) die nu in de Auteurswet[8]
en in de WNR[9] te vinden
zijn.[10] De fair
compensation kan de vorm aannemen van een direct of
indirect door de kopieerder te betalen vergoeding, maar ook
van 'bijzondere licentieregels, subsidies,
schadeloosstellingen van overheidswege'.[11]
In overweging 35 wordt gezegd dat bij de bepaling van de vorm,
de modaliteiten en het mogelijke niveau van die billijke
compensatie rekening moet worden gehouden met 'de bijzondere
omstandigheden van het geval', waaronder met name 'de
mogelijke schade voor de rechthebbenden als resultaat van de
betreffende handeling'. Dit is begrijpelijk, maar brengt
weinig duidelijkheid. In overweging 35 is ook te lezen: 'In
gevallen waarin de rechthebbenden reeds betaling in een andere
vorm hebben ontvangen, bijvoorbeeld als onderdeel van een
licentierecht [bedoeld wordt: vergoeding, DV], is eventueel
geen specifieke of afzonderlijke betaling nodig'. De vraag is
dan: licentievergoeding waarvoor?
Overweging 35 vervolgt: 'Bij
de bepaling van het niveau van de billijke compensatie dient
ten volle rekening te worden gehouden met de mate waarin
gebruik wordt gemaakt van de in de richtlijn bedoelde
technische beveiligingsvoorzieningen'.[12]
Arkenbout[13] verklaart
dit als volgt: 'als een werk afdoende door techniek kan worden
beschermd, is een (immers per definitie grofkorrelige en
forfaitaire) vergoeding mogelijk niet nodig'. Sterker nog: die
mist m.i. dan iedere rechtsgrond. Als een werk afdoende door
techniek kan worden beschermd, dan kan het überhaupt niet meer
worden gekopieerd, behalve in de mate waarin de rechthebbende
dat nadrukkelijk toestaat. Voor dat werk c.q. voor dat
(toegestane) kopiëren is een vergoeding dan niet meer
gerechtvaardigd. Bovendien is het verdedigbaar dat wanneer
afdoende technische beschermingsmogelijkheden bestaan,
rechthebbenden die daar geen gebruik van maken, ook impliciet
toestemming geven voor enig privé-kopiëren. Tot slot zegt
overweging 35 ook nog: 'In bepaalde situaties waar de schade
voor de rechthebbende minimaal zou zijn, is het mogelijk dat
geen betalingsverplichting ontstaat'.
De introductie van het begrip
fair compensation is een politiek compromis, waarbij de
lidstaten vermoedelijke een grote vrijheid wordt gelaten. Het
begrip is vooralsnog zeer vaag en duidelijkheid is niet op
korte termijn te verwachten. De nationale wetgever is
vermoedelijk gedwongen om keuzes te maken: simpelweg
overschrijven van de richtlijnbepaling en afwachten wat de
(Europese) rechter ervan maakt, is hierbij vermoedelijk niet
mogelijk en zeker niet verantwoord. Als dat gebeurt, weet
niemand meer waar hij aan toe is.
Ik weet echter niet hoe art.
5 lid 2 sub b op voor iedereen acceptabele wijze
geïmplementeerd zou moeten worden. In een tijdperk waarin de
schadelijke dreiging inmiddels grotendeels bij het
elektronisch kopiëren ligt, zou ik ten aanzien van het
privé-fotokopiëren wel de stelling durven verdedigen
dat de schade daardoor inmiddels minimaal is en dat de fair
compensation daarvoor nihil kan zijn.[14]
Ten aanzien van elektronisch kopiëren is dat uiteraard niet
vol te houden, maar daar is, behoudens technische maatregelen,
toch geen houden aan. Een verbod ten aanzien van elektronisch
kopiëren voor privé-gebruik is niet te controleren, zoals de
Nederlandse wetgever bij de implementatie van de
Databankrichtlijn al heeft toegegeven. De algehele
vrijstelling van elektronisch kopiëren voor puur privé-gebruik
moet er dus komen (of: blijven) en de fair compensation
moet dan maar geschieden via allerlei apparatenheffingen,[15]
zolang de technische bescherming geen uitkomst biedt.
Art. 5 lid 2 sub c:
bibliotheek- en archiefgebruik
Kopiëren door 'voor het
publiek toegankelijke bibliotheken, onderwijsinstellingen of
musea, of door archieven die niet het behalen van een direct
of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven' mag
'in welbepaalde gevallen' worden vrijgesteld zonder dat daar
een fair compensation tegenover hoeft te staan. Op
basis hiervan kan en moet in Nederland tegemoet worden gekomen
aan de (terecht) veel gehoorde roep om meer speelruimte voor
bibliotheken en archieven, zodat informatie op vergankelijke
dragers voor het nageslacht wordt behouden.[16]
Met de Commissie Auteursrecht[17]
kan gezegd worden dat dit niet aan vrijwillige afspraken van
en met rechthebbenden dient ten worden overgelaten. Publieke
instellingen met bewaartaken zouden alles voor
bewaardoeleinden moeten mogen kopiëren. De beperking zou als
volgt kunnen luiden:
'Als inbreuk op het
auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging ten behoeve
van door de overheid aangewezen instellingen met
bewaartaken'.[18]
[19]
Lastiger is de (tot nu toe
nogal onderbelichte) vraag hoe zij het bewaarde materiaal
beschikbaar (en dus openbaar) mogen maken aan het publiek. Het
is bijvoorbeeld de vraag of dit materiaal zou mogen worden
uitgeleend. Volgens de letter van art. 15c Aw mag dit
vermoedelijk niet, omdat het niet gaat om materiaal dat 'door
de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is
gebracht'. Art. 5 van de verhuur- en leenrechtrichtlijn
kent die beperking echter niet. Bovendien bepaalt art. 5 lid 4
van de (auteursrecht-)richtlijn dat de beperking van 5 lid 2
sub c ook voor het distributierecht kan gelden. Als men het
leenrecht zou aanmerken als een onderdeel van het
distributierecht staat het m.i. de lidstaten vrij om het
bewuste archiefmateriaal zonder toestemming uit te laten
lenen. Het beschikbaar stellen voor raadpleging ter plaatse
van papieren exemplaren blijft m.i. hoe dan ook toegestaan,
omdat dit niet onder een door deze richtlijn verleend
verbodsrecht valt. Op het elektronisch beschikbaar stellen
ziet de beperking van art. 5 lid 3 sub n (zie verderop).
Art. 5 lid 2 sub d:
tijdelijke vastlegging voor uitzending
Tijdelijke opnamen, gemaakt
door omroeporganisaties met hun eigen middelen ten behoeve van
hun eigen uitzendingen mogen onder een uitzondering worden
gebracht, zoals in ons land gebeurd is in art. 17b lid 2 Aw,
een bepaling die is afgeleid van art. 11bis lid 3 Berner
Conventie (BC). Omroepen hebben in dergelijke gevallen wel
toestemming nodig voor het uitzenden van de opnamen. En
toestemming om uit te zenden omvat vrijwel altijd (impliciet)
toestemming om vast te leggen ten behoeve van die uitzending.[20]
Zo beschouwd heeft deze beperking weinig om het lijf.[21]
De tweede zin van de bepaling die 'bewaring van deze opnamen
in officiële archieven wegens hun uitzonderlijke documentaire
waarde' toestaat en eveneens afkomstig is van art. 11bis lid 3
BC, had in het licht van de voorgaande, veel ruimere beperking
ten gunste van archieven, weggelaten kunnen worden. Deze is al
opgenomen in art. 17b lid 3 Aw. Er hoeft in Nederland dus
niets te veranderen.
Art. 5 lid 2 sub e:
prison- & hospital-tapen
Maatschappelijke instellingen
zonder commercieel oogmerk mogen uitzendingen tapen,
mits er een fair compensation tegenover staat.
Ziekenhuizen en gevangenissen worden als voorbeelden genoemd.[22]
Het (enig) interessante aan deze bepaling is dat het vertonen
of uitlenen van deze opnamen binnen de betreffende
instellingen mogelijk niet als openbaarmaking zou moeten
worden aangemerkt. Weliswaar omvat art. 5 lid 2 alleen
beperkingen op het reproductierecht en via art. 5 lid 4 ook op
het distributierecht, maar het wekt de indruk dat het
beschikbaar stellen in de interne gevangenis- of
ziekenhuisbibliotheek vervolgens ook is toegestaan. Anders is
de beperking immers inhoudsloos. Mogelijk geldt dit ook voor
het vertonen 'op zaal'.
Art. 5 lid 3: beperkingen
op verveelvoudigings- en openbaarmakingsrecht
De hiervoor besproken
beperkingen van art. 5 lid 2 golden voor het reproductierecht
en eventueel voor het distributierecht, maar nadrukkelijk niet
voor het immateriële openbaarmakingsrecht. De beperkingen van
art. 5 lid 3 hebben wel óók op het gehele openbaarmakingsrecht
betrekking.
Art. 5 lid 3 sub a:
niet-commercieel gebruik ter toelichting bij het onderwijs
Art. 5 lid 3 sub a heeft
betrekking op 'het gebruik uitsluitend als toelichting bij het
onderwijs of ten behoeve van het wetenschappelijk onderzoek
[…] voor zover het gebruik door het beoogde, niet-commerciële
doel wordt gerechtvaardigd'. Vanwege deze laatste voorwaarde
van het 'niet-commerciële doel' zal ons art. 16 Aw moeten
worden aangepast.
Hoever die aanpassing zal
moeten gaan is echter niet helemaal duidelijk. Tot nu toe
kunnen ook commerciële schoolboekenuitgevers profiteren van de
wettelijke licentie-regeling van art. 16 Aw: overnemen in
schoolboeken mag, mits er een billijke vergoeding wordt
betaald. Uit art. 5 lid 3 sub a blijkt echter niet duidelijk
waarop het 'niet-commerciële doel' precies betrekking heeft:
op het gebruik of op het onderwijs/onderzoek. In
het eerste geval zal art 16 Aw zodanig moeten worden gewijzigd
dat commerciële uitgevers er niet meer een beroep op kunnen
doen, in het andere geval hoeft dat niet de consequentie te
zijn, zolang de boeken maar voor niet-commercieel onderwijs
bestemd zijn. Aan overweging 42 zou een argument kunnen worden
afgeleid dat beslissend is de aard van de door de instelling
verrichte activiteiten, oftewel het onderwijs.[23]
In ieder geval zal een aantal
keer het voorvoegsel 'niet-commercieel' moeten worden
ingevoegd in art. 16 Aw. Waar dat moet gebeuren blijft nog
even de vraag. Mogelijk zullen de educatieve uitgevers er
overigens voor kiezen om de bestaande afspraken hierover
onderling op vrijwillige basis te blijven naleven, ook zonder
wettelijke basis. Tenslotte zou men nog kunnen verdedigen dat
de huidige regeling van art. 16 Aw (ook) in stand zou kunnen
blijven via de 'bezembepaling' van art. 5 lid 3 sub o. Voor
Nederlandstalige schoolboeken (die niet voor het onderwijs in
België geschikt zijn) zou men wel kunnen volhouden dat het
vrije verkeer van goederen er niet door wordt belemmerd en dat
het bovendien om 'minder belangrijke gevallen' gaat. De
bekende reader-regeling kan in ieder geval blijven en de
wettelijke basis daarvoor ook.[24]
In verband met deze beperking
is verder van belang op te merken dat blijkens overweging 42
onderwijs-op-afstand nadrukkelijk ook onder deze beperking kan
worden gebracht. Dat houdt in dat naast schoolradio en
–televisie ook online onderwijs onder deze exceptie kan
worden gebracht. Dat lijkt mij een zinvolle uitbreiding.
Wat betreft gebruik ten
behoeve van wetenschappelijk onderzoek lijkt art. 5 lid 3 sub
a intussen duidelijk méér toe te laten dan de huidige
Nederlandse Auteurswet. (Letterlijke) overname hiervan is
wenselijk en kan op dezelfde wijze geschieden als in art. 5
sub b Databankenwet:
'Als inbreuk op het
auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging of
openbaarmaking ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek,
mits, zo mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker,
wordt vermeld en voor zover het door het beoogde,
niet-commerciële doel wordt gerechtvaardigd'.
Hiermee zou m.i. op grond van
deze richtlijn-beperking ook de reprorecht-heffing voor alle
scholen en universiteiten kunnen worden afgeschaft. Dat lijkt
mij geen slecht idee.
Art. 5 lid 3 sub b:
gebruik voor gehandicapten
Gebruik voor gehandicapten
mag worden toegestaan 'mits het direct met de handicap verband
houdt en van niet-commerciële aard is en voor zover het wegens
de betrokken handicap noodzakelijk is'. Het is aangewezen om
één algemene en ruime bepaling in de Auteurswet en de WNR op
te nemen, waarin de tekst van de richtlijn wordt gevolgd:
'Als inbreuk op het
auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging of
openbaarmaking die uitsluitend bestemd is voor mensen met
een handicap, direct met de handicap verband houdt, van
niet-commerciële aard is en wegens de betrokken handicap
noodzakelijk is'.
Dit is wat minder gênant dan
(detail)bepalingen als art. 7a lid 5 WNR, waarin blindenbibliotheken
worden vrijgesteld van betaling vanwege het filmproducentenrecht!
Art. 5 lid 3 sub c:
overname uit de pers in de pers; actuele gebeurtenissen
De beperking voor overname
uit de pers in de pers alsmede die voor verslaggeving van
actuele gebeurtenissen zijn ontleend aan art. 10bis BC en in
Nederland vastgelegd in respectievelijk art. 15 en 16a Aw.
Deze Nederlandse bepalingen kunnen (en moeten m.i.)[25]
ongewijzigd blijven. De wetgever zou wel mooi van de
gelegenheid gebruik kunnen maken om een tegenhanger van art.
15 Aw in de WNR op te nemen. Dat heeft hij bij de invoering
van die wet namelijk vergeten.[26]
Art. 5 lid 3 sub d:
citaatrecht
De citaatrechtbeperking in de
richtlijn is vrijwel gelijk aan die in de Nederlandse
Auteurswet. Er hoeft op dit punt dus niets gewijzigd te worden
aan art. 15a Aw. Helaas mag er ook weinig of geen
liberalisatie worden doorgevoerd ten aanzien van de
'contextbeperking'.[27]
Met kracht van argumenten is bepleit dat de beperking van het
citaatrecht tot de context van 'aankondiging, beoordeling,
polemiek of wetenschappelijke verhandeling', die art. 10 lid 1
BC bijvoorbeeld niet stelt, zou moeten komen te vervallen.[28]
Art. 5 lid 3 sub e:
openbare veiligheid en voor procedures
Beperkingen zijn toegestaan
voor de openbare veiligheid. Art. 22 Aw, dat Justitie toestaat
werken af te beelden voor de opsporing, mag dus blijven. Ook
beperkingen zijn toegestaan 'om het goede verloop van een
administratieve, parlementaire of gerechtelijke procedure of
de berichtgeving daarover te waarborgen'. 16b lid 5 Aw, over
de afgifte van privé-kopieën voor gerechtelijke procedures mag
dus blijven. Aanvulling van de bestaande beperkingen in de
Auteurswet lijken mij niet nodig. Een specifieke beperking ten
gunste van de berichtgeving over procedures (citeren uit
pleidooien bijvoorbeeld), is bij een verstandige interpretatie
van het algemene citaatrecht m.i. niet nodig.
Art. 5 lid 3 sub f:
politieke toespraken en dergelijke
Vrijgesteld kan worden 'het
gebruik van politieke toespraken en uittreksels van openbare
lezingen of soortgelijke werken of zaken, voor zover dit uit
een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd is en mits zo
mogelijk de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt
vermeld'. Deze beperking lijkt geïnspireerd op gelijksoortige
bepalingen in de Scandinavische[29]
en Duitstalige auteurswetten.[30]
In Nederland zal art. 15b Aw (m.b.t. 'door of vanwege de
openbare macht openbaargemaakt werk') mogelijk onder de
paraplu van deze beperking moeten vallen, hoewel art. 15b Aw
vermoedelijk ook wordt gedekt door art 9 Richtlijn, waarin is
bepaald dat de Richtlijn geen afbreuk doet aan bepalingen,
betreffende 'toegang tot overheidsdocumenten'. In dat licht is
de vraag of art. 15b Aw verder gaat dan 'uit een oogpunt van
voorlichting gerechtvaardigd is' en of alles wat onder art.
15b Aw valt wel is aan te merken als 'politieke toespraken en
uittreksels van openbare lezingen of soortgelijke werken'
minder van belang. De overheid/wetgever kan m.i. daarnaast
zelf beslissen of zij haar rechten weggeeft, zoals is gebleken
in (de discussie over) art. 8 Databankenwet.[31]
Art. 15b Aw kan (en moet) dus ongewijzigd blijven. De vereiste
bronvermelding volgt al uit art. 25 Aw. Verder lijkt voor
implementatie van deze beperking geen dringende reden.
Art. 5 lid 3 sub g:
religieuze bijeenkomsten
Art. 17c Aw (muziekgebruik
tijdens de eredienst) mag blijven, want vrijstellingen voor
gebruik tijdens religieuze bijeenkomsten en tijdens officiële
door de overheid georganiseerde bijeenkomsten mogen blijven
bestaan.[32] Aanpassing
of uitbreiding van de bestaande Nederlandse beperking lijkt
onnodig. Afschaffing van art. 17c is eerder bepleit,[33]
maar de richtlijn geeft daar geen aanleiding toe.
Art. 5 lid 3 sub h: werken
op openbare plaatsen
'Het gebruik van werken,
zoals werken van architectuur of beeldhouwwerken, gemaakt om
permanent in openbare plaatsen te worden ondergebracht' mag
worden vrijgesteld. Dit betekent dat ons art. 18 Aw mag
blijven. De beperking in de richtlijn is echter ruimer, omdat
deze niet het vereiste stelt van het 'niet de
hoofdvoorstelling' vormen. De beperking in de richtlijn lijkt
ontleend aan de Duitse beperking dienaangaande, die ook geen
beperking kent tot 'niet de hoofdvoorstelling'.[34]
Vóór 1972 kende het Nederlandse art. 18 Aw deze beperking ook
niet[35] en bij de
invoering van de huidige bepaling zijn er, onder andere door
de Uitgeversbond, de nodige bezwaren tegen naar voren
gebracht.[36] Misschien
is het een idee om het 'niet de hoofdvoorstelling'-criterium
weer te laten vallen, hetgeen de richtlijn dus uitdrukkelijk
mogelijk maakt. De Beeldrecht-lobby zal zich daar ongetwijfeld
met hand en tand tegen verzetten.
Art. 5 lid 3 sub i:
incidenteel verwerken van een werk in ander materiaal
'Het incidentele verwerken
van een werk of een andere zaak in ander materiaal' mag worden
uitgezonderd. Deze beperking, die we in Nederland nog niet
kennen, is waarschijnlijk hoofdzakelijk gebaseerd op section
31 van de Britse auteurswet, dat betrekking heeft op de
'incidental inclusion of copyright material'.[37]
De nadruk ligt bij deze beperking op het 'toevallige' karakter
van de verwerking van het betreffende werk. Indien iets
opzettelijk is opgenomen valt het er in ieder geval niet
onder.[38] Ook de Duitse
auteurswet kent een vergelijkbare beperking in par. 57 die
betrekking heeft op het 'unwesentliche Beiwerk',[39]
die echter weer geïnspireerd is door (de voorganger van) de
Britse bepaling.[40] In
Duitsland ligt de nadruk bij deze beperking op de
toevalligheid en de ondergeschiktheid van de
verwerking.[41]
Nu de invoering van een
algemene fair use- of vangnetbepaling, als voorgestaan
door de Commissie Auteursrecht[42]
en vele anderen,[43]
volgens de richtlijn niet is toegestaan, lijkt het aangewezen
dat Nederland deze beperking overneemt. Het is een redelijke
beperking waar vermoedelijk alleen de Stichting Beeldrecht
q.q. bezwaar tegen zal hebben. De nieuwe bepaling
(bijvoorbeeld 18a Aw) zou als volgt kunnen luiden:
'Als inbreuk op het
auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst wordt niet beschouwd de toevallige verwerking ervan
als bijzaak in een ander werk'.
In de toelichting kan dan
duidelijk gemaakt worden dat iedere vorm van opzettelijk
verwerken van een ander werk niet onder deze beperking valt.
Art. 5 lid 3 sub j:
reclame voor tentoonstellingen en openbare verkopen
Deze beperking heeft
betrekking op 'het gebruik voor reclamedoeleinden, voor
openbare tentoonstellingen of openbare verkopen van artistieke
werken, voor zover dat noodzakelijk is voor de promotie van
die gebeurtenissen'.[44]
In Nederland is dit geregeld in art. 23 Aw en deze Nederlandse
bepaling kan op zich onder de richtlijn ongewijzigd blijven.
De Dior/Evora-casus heeft echter geleerd dat art. 23 Aw niet
ruim genoeg is om alle vergelijkbare gevallen waarin een
beperking gerechtvaardigd is, te omvatten. De
richtlijn-beperking lijkt vooral gebaseerd op s. 63 van de
Britse auteurswet.[45]
Uit die Britse bepaling is ook de omschrijving 'artistiek
werk' afkomstig,[46] die
iets ruimer is dan de opsomming in art. 23 Aw. Ook de Duitse
bepaling met betrekking tot Katalogbilder is iets afwijkend
geformuleerd.[47] Het
verschil is echter niet erg groot. Het is vermoedelijk het
beste om art. 23 Aw maar ongewijzigd te laten en in de memorie
van toelichting bij de implementatiewet aan te geven dat de
wetgever ervan uit gaat dat art. 23 Aw vanaf nu
geïnterpreteerd moet worden overeenkomstig art. 5 lid 3 sub j
richtlijn én uiteraard overeenkomstig hetarrest
van het Hof van Justitie der EG in Dior/Evora: als men
iets mag verkopen, mag men er ook reclame voor maken.[48]
Art. 5 lid 3 sub k: het
gebruik voor karikaturen, parodieën of pastiches
Deze beperking is zonder
twijfel gebaseerd op art. L 122-5-4 van de Franse
auteurswet.[49] De
Belgische en de Spaanse auteurswet kennen overigens ook een
parodie-exceptie. De Belgische bepaling is direct ontleend aan
de Franse,[50] de Spaanse
kent haar eigen formulering.[51]
Deze beperking moet Nederland zeker opnemen om wat meer ruimte
voor humor in het auteursrecht te brengen. Het Suske &
Wiske-criterium[52] is
(noodgedwongen) toch wat benepen: nabootsing in het kader van
een parodie mag niet veel verder gaan dan voor de
herkenbaarheid noodzakelijk is.[53]
Als er geen fair use mag komen dan moet in een land
waar de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel staat
de parodie ruim baan krijgen. Over de precieze invulling van
de parodie-exceptie valt nog veel te zeggen en zijn talloze
artikelen en scripties te schrijven.[54]
De Franse rechtspraak biedt talloze fraaie voorbeelden.[55]
Kernbegrippen zijn daar de humoristische bedoeling,
niet-concurrentie en geen verwarring.
De drievuldigheid 'la
parodie, le pastiche et la caricature' heeft in de Franse[56]
(en in de Belgische[57] )
wet geen duidelijke betekenis en kan in een Nederlandse
implementatie vervangen worden door een enkel begrip parodie.
De bepaling (art. 18b Aw) zou als volgt kunnen luiden:
'Als inbreuk op het
auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst wordt niet beschouwd de openbaarmaking of
verveelvoudiging in het kader van een parodie die in
overeenstemming is met de regels van het maatschappelijk
verkeer met betrekking tot het betreffende soort werk'.
Art. 5 lid 3 sub l: het
gebruik met het oog op demonstratie of herstel van materiaal
Deze beperking is op
aandringen van de Duitsers opgenomen. Duitsland kent een
zogenaamde Ladenklausel die het vertonen, ten gehore
brengen en (tijdelijk) vastleggen van beeld- of geluidsdragers
of van uitzendingen toelaat, door bedrijven die beeld- of
geluidsdragers of audio- en videoapparatuur verkopen of
repareren, voor zover dit noodzakelijk is om deze te
demonstreren of te repareren.[58]
Deze beperking moet volgens de Duitse handboeken[59]
en rechtspraak[60]
beperkt worden geïnterpreteerd: het moet uitsluitend gaan om
reparatie- of demonstratiedoeleinden. Het de hele tijd hebben
aanstaan van alle televisies, ook in de etalage, dient met
name reclamedoeleinden en is niet toegestaan. Het lijkt mij
een detailbeperking die niet echt nodig is, maar bezwaarlijk
lijkt me ze ook niet. Het letterlijk overnemen van de
richtlijntekst lijkt mij overigens geen optie, omdat de
beperking zoals deze in de richtlijn staat, zonder kennis van
de Duitse bedoeling en achtergrond niet erg begrijpelijk is.
Art. 5 lid 3 sub m:
gebruik voor wederopbouw van gebouwen
De vrijstelling van 'het
gebruik van een artistiek werk in de vorm van een gebouw of
een tekening of plan van een gebouw met het oog op de
wederopbouw van het gebouw' is gebaseerd op section 65 van de
Britse auteurswet.[61]
Deze vrijstelling lijkt mij overbodig, omdat een architect
zich mijns inziens in alle redelijkheid en billijkheid nooit
tegen dergelijk gebruik zal kunnen verzetten. Als hij dat wel
probeert, lijkt mij dat al snel misbruik van recht.[62]
Het is wel van belang dat dit door de wetgever bij de
implementatie van de richtlijn duidelijk wordt aangegeven,
omdat er anders a contrario-redeneringen dreigen.[63]
Art. 5 lid 3 sub n:
beschikbaarstellen voor raadpleging ter plaatse door
bibliotheken
Deze bepaling heeft
betrekking op het beschikbaarstellen voor raadpleging ter
plaatse in bibliotheken, archieven en musea[64]
'via speciale terminals in de gebouwen van die instellingen,
voor onderzoek of privé-studie'. Volgens de Nederlandse
vertaling van de richtlijn mag dit alleen met betrekking tot '
niet te koop aangeboden of aan licentievoorwaarden onderworpen
werken of ander materiaal'. Dit is een niet helemaal juiste
vertaling van 'works or other subject-matter not subject to
purchase or licensing terms'. De juiste (vrije) vertaling zou
m.i. zijn 'behoudens een andersluidend contractueel beding'.[65]
Met inachtneming van de leenrecht-terminologie in de
Auteurswet zou de - m.i. zeer wenselijke - beperking als volgt
kunnen luiden:
'Behoudens een
andersluidend contractueel beding wordt niet als inbreuk op
het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst beschouwd het zonder direct of indirect economisch of
commercieel voordeel beschikbaarstellen van het werk voor
raadpleging ter plaatse voor onderzoek of privé-studie, door
voor het publiek toegankelijke instellingen'.
Art. 5 lid 3 sub o):
bezembepaling
'Het gebruik in andere,
minder belangrijke gevallen, wanneer reeds uitzonderingen
bestaan in het nationale recht mits het alleen analoog gebruik
betreft en het vrije verkeer van goederen en diensten in de
Gemeenschap niet wordt belemmerd, onverminderd de in dit
artikel vervatte uitzonderingen en beperkingen', mag tenslotte
ook vrij blijven. Vangt deze bepaling alles op wat er aan
Nederlandse auteursrechtelijke bepalingen niet door andere
richtlijnbeperkingen wordt toegestaan? Neen, volgens mij moet
(naast het 'commerciële deel' van art. 16) art. 17a Aw
sneuvelen. Deze mogelijkheid van een dwanglicentie voor
uitzending is toch vrij lang een dode letter gebleken,[66]
dus een groot verlies lijkt mij dat niet. De enige andere nog
niet besproken beperking, die m.i. echter zonder problemen
onder art. 5 lid 3 sub o valt te brengen, is art. 24 Aw, een
obscure bepaling die het 'de maker van enig schilderwerk'
toestaat 'gelijke schilderwerken te vervaardigen'. Dit is nu
typisch een minder belangrijke, analoge uitzondering die het
vrije verkeer van goederen en diensten in de Gemeenschap niet
belemmert.[67]
Art. 5 lid 4: ook
beperkingen van het distributierecht
Zoals hiervoor al aangegeven
bepaalt art. 5 lid 4 uitdrukkelijk dat de beperkingen van lid
2 en 3 ook op het distributierecht van toepassing mogen zijn,
voor zover dit gezien het doel van de betreffende beperking
gerechtvaardigd is.
Art. 5 lid 5: de
drie-stappentoets
Artikel 5 lid 5 bepaalt
tenslotte dat iedere beperking moet voldoen aan de
drie-stappentoets die zijn oorsprong vindt in art. 9 lid 2 BC.
De beperkingen zijn slechts toelaatbaar indien zij 1) 'slechts
in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast' en daarbij
2) 'geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van
werken of andere zaken' en 3) 'de wettige belangen van de
rechthebbende niet onredelijk worden geschaad'. Deze magische
formule wordt tegenwoordig overal opgenomen[68]
en de praktische betekenis lijkt niet erg groot.[69]
Misschien zal de beslissing van het Dispute Settlement Body
van de Wereldhandelsorganisatie van 27 juli 2000 daar evenwel
verandering in brengen.[70]
Voor een bespreking van de mogelijke consequenties van die
uitspraak zij verwezen naar het zeer lezenswaardige artikel
van Hugenholtz in het vorige nummer van dit blad.[71]
Conclusie
Ten aanzien van de
beperkingen hoeft er niet veel te veranderen. Wat wel
moet veranderen is het volgende:
- Er moet een fair
compensation-regeling komen voor digitaal kopiëren;
- De bladmuziek moet
uit het reprorecht worden gehaald;
- In art. 16 Aw moet iets
worden gewijzigd in verband met de beperking tot het
'niet-commerciële doel' van het gebruik voor onderwijs;
- Art. 17a Aw (dwanglicentie
uitzenden) moet worden geschrapt.
Daarnaast is een aantal
aanpassingen m.i. (hoogst) wenselijk. Suggesties voor
(de tekst van) nieuw in te voeren beperkingen met betrekking
tot bewaartaken, wetenschappelijk gebruik,
gehandicapten, toevallige verwerking, parodie
en raadpleging ter plaatse zijn hiervoor opgenomen.
[1] Dirk Visser is advocaat
te Amsterdam, docent aan de Universiteit Leiden en redacteur
van dit blad.
[2] Voorstel voor een
richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de
harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de
naburige rechten in de informatiemaatschappij,
Gemeenschappelijk standpunt door de Raad vastgesteld op 28
september 2000, PbEG 2000 C 344/1.
[3] Art. 18 lid 3 van de
Griekse auteurswet van 1993.
[4] Overweging 37
verklaart: 'Nationale regelingen inzake reprografie, voor
zover die bestaan, belemmeren de werking van de interne markt
niet in noemenswaardige mate. Het moet de lidstaten worden
toegestaan in een uitzondering voor reprografie te voorzien'.
[5] Er is momenteel
(december 2000) een voorstel tot wijziging van het reprorecht
in voorbereiding dat naar verluidt al de Ministerraad en de
Raad van State is gepasseerd, maar nog niet bij de Tweede
Kamer is ingediend.
[6] Het voorbeeld van
Arkenbout (AMI 2000, p. 129) van 'een advocaat die voor
een zaak over auteursrecht de nieuwste druk van Van Lingen op
het kopieerapparaat legt' is dus minder relevant. De
constatering dat dergelijk kopiëren voor commercieel gebruik
gebeurt en op grond van art. 5 lid 2 sub b niet meer
mag is op zich juist, maar niet zo gelukkig, omdat dergelijk
fotokopiëren op grond van art. 5 lid 2 sub a wel
kan zijn toegestaan.
[7] Alleen het Verenigd
Koninkrijk, Ierland en Luxemburg kennen geen
thuiskopieregeling. Het Verenigd Koninkrijk stelt zich op het
standpunt dat bij thuiskopiëren voor 'time-shifting purposes'
de fair compensation nihil kan zijn.
[8] Zie art. 12a
(verhuurvergoeding), 15c (leenvergoeding), 16
(schooltelevisie- en readervergoeding), 16b jo. Reprobesluit
en 17 (reprovergoeding), 16c (thuiskopie-vergoeding), 17a
(uitzend-dwanglicentie vergoeding) en 45d (filmvergoeding).
[9] Zie met name art. 7
(SENA-vergoeding) en de met het auteursrecht parallel lopende
regelingen, o.a. art. 2a, 10 en 11.
[10] Arkenbout (AMI
2000, p. 128) maakt de potentiële spraakverwarring m.i.
onnodig groot door de bestaande 'billijke vergoeding' of
'equitable remuneration' aan te duiden met 'redelijke
vergoeding'. Het is omgekeerd ook minder gelukkig om 'fair
compensation' te vertalen met 'billijke compensatie', zoals in
de officiële vertaling is gebeurd. M.i. had het meer voor de
hand gelegen om fair compensation te vertalen met
'redelijke compensatie' en voor equitable remuneration
'billijke vergoeding' te blijven gebruiken.
[11] Aldus Arkenbout,
AMI 2000, p. 128.
[12] Dit is ook terug te
vinden in art. 5 lid 2 sub b 'waarbij rekening wordt gehouden
met het al dan niet toepassen van […] technische
voorzieningen'.
[13] Arkenbout (AMI
2000, p. 128) schrijft: 'Bovendien kan worden rekening
gehouden met de toepassing van technische beveiliging' (curs.
DV). Volgens mij blijkt zowel uit overweging 35 als uit art. 5
lid 2 sub b dat dit niet alleen kan maar zelfs moet.
Omdat deze bepalingen facultatief zijn kan men het natuurlijk
toch weer als kunnen omschrijven, maar dat lijkt me toch iets
te vrijblijvend.
[14] Dit geldt overigens
niet voor het laten fotokopiëren voor privé-gebruik, in
het kader van document delivery diensten e.d.. Document
delivery moet echter via de aanbodkant, oftewel het aanbieden
van dergelijke diensten worden aangepakt.
[15] Zoals bijvoorbeeld
in Griekenland, waar een auteursrechtelijke heffing van 2% van
de waarde op computers geldt (art. 18 lid 3 van de Griekse
auteurswet van 1993).
[16] Zie bijvoorbeeld de
motie van de Tweede Kamer ingediend en met algemeen stemmen
aangenomen tijdens de behandeling van de Databankenwet op 17
maart 1999 (wv 26.108, nr. 10, Parl. Gesch. Dw., p. 99): 'De
Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende, dat de
preservering van het culturele, artistieke en publieke erfgoed
van groot belang is; voorts overwegende, dat in het algemeen
belang werkende instellingen als bibliotheken, archieven en
musea daarbij een belangrijke rol kunnen spelen; van mening,
dat de Auteurswet, de Wet naburige rechten en het wetsvoorstel
Databankenwet een aantal belemmerende bepalingen bevatten;
verzoekt de regering deze belemmeringen zo spoedig mogelijk
uit de weg te ruimen, zo nodig na overleg in Europees verband,
en de Kamer over de voortgang binnen een jaar te rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag'.
[17] Commissie
Auteursrecht, Advies over auteursrecht, naburige rechten en
de nieuwe media (augustus 1998) (hierna: Advies Cie.
Aut.), par. 3.5.4.3. op p. 40).
[18] Een vergelijkbare
bepaling of een overeenkomstig van toepassing verklaring
zou uiteraard in de WNR opgenomen moeten worden. Dat geldt ook
voor alle andere beperkingen die in deze bijdrage worden
voorgesteld.
[19] Vergelijk ook het
concept-amendement van FOBID (Federatie van Organisaties in
het Bibliotheek-, Informatie- en Dokumentatiewezen) uit
februari 1999: ' Als inbreuk op het auteursrecht op een werk
van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de
verveelvoudiging door een in het algemeen belang werkzame
instelling, indien die verveelvoudiging geschiedt met het doel
het werk voor verval te behoeden of, als de technologie
waarmee het toegankelijk gemaakt kan worden in onbruik raakt,
om het werk raadpleegbaar te houden, en niet meer exemplaren
betreft dan noodzakelijk is voor het te bereiken doel.', te
vinden op <http://www.surfbureau.nl/fobid/>
Zie ook Verkade/Visser, Parl. Gesch. Dw. , p. 94-95.
[20] Als de
openbaarmakingsrechten en vastleggingsrechten in verschillende
handen zijn, bijvoorbeeld bij Buma en Stemra, is wel steeds
van beide toestemming nodig. Vgl. ook HR 23 mei 1952, NJ
1952, 438 (Stemra/NRU).
[21] Overigens lijkt de
stelling verdedigbaar dat een tijdelijke vastlegging voor
uitzending een tijdelijke reproductiehandeling is die op grond
van art. 5 lid 1 ook al toegestaan is. Ze is immers tijdelijk,
van voorbijgaande aard, onderdeel van een technisch procédé,
heeft als enig doel een rechtmatig gebruik en heeft geen
zelfstandige economische waarde. Zie ook: Hugenholtz, EIPR
2000, p. 486.
[22] De bepaling is
mogelijk geïnspireerd door art. 15 van de Zweedse auteurswet,
waarin tapen door ziekenhuizen en andere
zorginstellingen wordt toegestaan.
[23] Ov. 42: 'Wanneer de
uitzondering voor niet-commerciële, educatieve en
wetenschappelijk-onderzoeksdoeleinden wordt toegepast, met
inbegrip van afstandsonderwijs, moet de niet-commerciële aard
van de betrokken activiteit worden bepaald door die activiteit
als zodanig. De organisatiestructuur en de financiering van de
betreffende instelling zijn in dit opzicht niet de
doorslaggevende factoren'.
[24] Arkenbout suggereert
in AMI 2000, op p. 131 dat de reader-regeling zou moeten
veranderen. Dat is niet juist. Hij bedoelt met
'leaderregeling' vermoedelijk art. 16 Aw, maar de
reader-regeling is een (niet-commerciële) uitwerking daarvan
die m.i. juist niet hoeft te veranderen.
[25] Zie voor een andere
mening: Chr. Alberdingk Thijm, AMI 1999, p. 145, die
art. 15 Aw wil afschaffen.
[26] Vgl. Visser,
Naburige rechten, p. 112.
[27] Alleen de toevoeging
'soortgelijke doeleinden' in de Richtlijn biedt enige ruimte.
[28] Zie: De Zwaan, 'Zeer
apart': een beoordeling van 10 jaar citaatrecht, AMI
1995, pp. 183-190. Vgl. ook Quaedvlieg, RM Themis 6
(1987), p. 288, die meent dat de contextbeperking geen
zelfstandige betekenis toekomt.
[29] Art. 24 van de
Zweedse en van de Deense Auteurswet ziet op het gebruik van
politieke en openbare redevoeringen en stukken en
redevoeringen op de radio.
[30] Par. 48 van het
Duitse Urhg. en par. 43 van het Oostenrijkse Urhg. zien op
openbare redevoeringen en dergelijke.
[31] Vgl. Verkade/Visser,
Parl. Gesch. Dw, p. 111-122.
[32] In Oostenrijk mag op
basis van deze bepaling vermoedelijk 'die öffentliche
Aufführung aus einem militärdienstlichen Anlaß' vrijgesteld
blijven (par. 53 lid 2 Urhg.).
[33] Vgl. Mom, IER
1992, p. 97 e.v.
[34] Par. 59 lid 1
(Duitse) Urhg.:'Zulässig ist, Werke, die sich bleibend an
öffentlichen Wegen, Straßen oder Plätzen befinden, mit Mitteln
der Malerei oder Graphik, durch Lichtbild oder durch Film zu
vervielfältigen, zu verbreiten und öffentlich wiederzugeben.
Bei Bauwerken erstrecken sich diese Befugnisse nur auf die
äußere Ansicht'.
[35] Art. 18 luidde toen:
'Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld bij
artikel 10, 6°, hetwelk blijvend op of aan den openbaren weg
zichtbaar is gesteld, wordt niet beschouwd de
verveelvoudiging, welke door hare grootte of door de
werkwijze, volgens welke zij vervaardigd is, een duidelijk
verschil vertoont met het oorspronkelijk werk, en zich, wat
bouwwerken betreft, tot het uitwendige daarvan bepaalt'.
[36] Zie De Vries, Parl.
Gesch. Aw, p. 18.6-18.11.
[37] S. 31.1 CDPA 1988:
'Copyright in a work is not infringed by its incidental
inclusion in an artistic work, sound recording, film,
broadcast or cable programme'.
[38] Dit blijkt onder
ander uit het derde lid van s. 31 CDPA 1988: 'A musical work,
words spoken or sung with music or so much of a sound
recording, broadcast or cable programme as includes a musical
work or such words, shall not be regarded as incidentally
included in another work if it is deliberately
included' (curs. DV).
[39] Par. 57
Urhg.:'Zulässig ist die Vervielfältigung, Verbreitung und
öffentliche Wiedergabe von Werken, wenn sie als unwesentliches
Beiwerk neben dem eigentlichen Gegenstand der
Vervielfältigung, Verbreitung oder öffentlichen Wiedergabe
anzusehen sind'.
[40] Blijkens de
'Amtliche Begründung' uit 1965 is par. 57 gebaseerd op s. 9
lid 5 en 6 van de Britse Copyright Act 1956. S 9.5: 'Without
prejudice to the last preceding subsections, the copyright in
an artistic work is not infringed by the inclusion of the work
in a cinematograph film or in a television broadcast, if its
inclusion therein is only by way of background or is otherwise
only incidental to the principal matters presented in the film
or broadcast'. S. 9.6: 'The copyright in an artistic work is
not infringed by the publication of a painting, drawing,
engraving, photograph or cinematograph film, if by virtue of
any of the three last preceding subsections the making of that
painting, drawing, engraving photograph or film did not
constitute an infringement of the copyright'.
[41] Zie Schricker,
Urheberrecht, 2e druk 1999, commentaar Vogel bij
par. 57, p. 904-906.
[42] Advies Cie. Aut.,
par. 3.8.4, op p. 45-46.
[43] Chr. A. Alberdingk
Thijm, 'Fair
use: het auteursrechtelijk evenwicht hersteld', AMI
1998, p. 145 en de daargenoemde literatuur.
[44] Dit is een onjuiste
vertaling van 'use for the purpose of advertising the public
exhibition or sale of artistic works, to the extent necessary
to promote the event'. De reclame moet dus betrekking
hebben op de tentoonstelling of openbare verkoop van
artistieke werken en staat niet op zichzelf.
[45] S. 63 CDPA luidt als
volgt: 'It is not an infringement of copyright in an artistic
work to copy it, or to issue copies to the public, for the
purpose of advertising the sale of the work'.
[46] De definitie van
'artistic work' is te vinden in s. 4.1 CDPA: 'In this Part
'artistic work' means a) a graphic work photograph, sculpture
or collage, irrespective of artistic quality, b) a work of
architecture being a building or a model for a building or c)
a work of artistic craftsmanship'.
[47] Par. 58 Urhg.:
'Zulässig ist, öffentlich ausgestellte sowie zur öffentlichen
Ausstellung oder zur Versteigerung bestimmte Werke der
bildenden Künste in Verzeichnissen, die zur Durchführung der
Ausstellung oder Versteigerung vom Veranstalter herausgegeben
werden, zu vervielfältigen und zu verbreiten'.
[48]
HvJ EG 4 november 1997, IER 1997, 224: ' De
artikelen 30 en 36 EG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd,
dat de houder van een merkrecht of een auteursrecht zich niet
ertegen kan verzetten, dat een wederverkoper die gewoonlijk
gelijkaardige artikelen verkoopt die evenwel niet
noodzakelijkerwijs van dezelfde kwaliteit zijn als de
beschermde producten, deze laatste op de in zijn
bedrijfssector gebruikelijke wijze gebruikt om de verdere
verhandeling van deze producten bij het publiek aan te
kondigen, tenzij wordt aangetoond, dat in de bijzondere
omstandigheden van het geval het gebruik van deze producten
voor dat doel de reputatie ervan ernstig schaadt'.
[49] Art. L
122-5-4 Code de la Prop. Int: 'Lorsque l'oeuvre a été
divulguée, l'auteur ne peut interdire: […] La parodie, le
pastiche et la caricature, compte tenu des lois du genre'.
[50] Art. 22 sub 6 Wet
van 30 juni 1994: [de auteur kan zich niet verzetten tegen]
'een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend
met de eerlijke gebruiken'.
[51] Art. 39 Ley 22/1987,
de Propriedad Intelectual: 'No será considerada transformación
que exija onsentimento del autor la parodia de la obra
divulgada, mientras no implique riesgo de confusion con la
misma ni se infiera un daño a la obra original o a su autor'.
(WIPO-vertaling: 'The parody of a disclosed work shall not be
considered a transformation that requires the consent of the
author, provided that it involves no risk of confusion with
that work and does no harm to the original work or its
author').
[52] HR 13 april 1984,
NJ 1984, 524 m.nt. LWH (Suske & Wiske).
[53] T.a.p. ov. 3.3 en
3.4.
[54] Zie over de huidige
situatie in Nederland bijvoorbeeld: Quaedvlieg, RM Themis
1987, p. 279, Spoor (rechtsvraag) AA 1986, p. 467-470 en
Spoor/Verkade, p. 151-152.
[55] Zie Lucas & Lucas,
Traité de la propriété littéraire & artistique ,
Parijs: Litec 1994, p. 272-274.
[56] Zie Lucas & Lucas,
t.a.p. p. 272.
[57] Zie De Visscher &
Michaux, Précis du droit d'auteur , Brussel: Bruylant
2000, p. 116.
[58] Par. 56 Urhg.:'1) In
Geschäftsbetrieben, die Bild- oder Tonträger, Geräte zu deren
Herstellung oder Wiedergabe oder zum Empfang von Funksendungen
vertreiben oder instandsetzen, dürfen Werke auf Bild- oder
Tonträger übertragen und mittels Bild- oder Tonträger
öffentlich wiedergegeben sowie Funksendungen von Werken
öffentlich wahrnehmbar gemacht werden, soweit dies notwendig
ist, um Kunden diese Geräte und Vorrichtungen vorzuführen oder
um die Geräte instandzusetzen. 2) Nach Absatz 1 hergestellte
Bild- oder Tonträger sind unverzüglich zu löschen'. Oostenrijk
kent ook zo'n bepaling (met hetzelfde nummer) die ongeveer
hetzelfde luidt.
[59] Schricker, t.a.p.,
commentaar Melichar bij par. 56, p. 901-904, Fromm/Nordemann,
Urheberrecht, commentaar bij par. 56.
[60] Amtsgericht (Berlin)
Charlottenburg 21 december 1970 (Schulze AGZ 16, HiFi-Messe):
'Die Voraussetzungen des § 56 Abs. 1 UrhG sind nicht gegeben,
wenn es sich um eine allgemeine Kundenwerbung handelt, bei der
die Kunden durch die Musikdarbietungen üverhaupt erst
angelockt werden sollen'.
[61] S. 65 CDPA 1988:
'Anything done for the purposes of reconstructing a building
does not infringe any copyright a) in the building, or b) in
any drawings or plans in accordance with which the building
was, by or with the licence of the copyright owner,
constructed'.
[62] Art. 3:13 BW: '1)
Degene die een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen,
voor zover hij haar misbruikt. 2) Een bevoegdheid kan onder
meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander
doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan
waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking
nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de
uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar
redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.'
(curs. DV).
[63] Ik zie anders al
weer voor me hoe plotseling de 'StiBouwTe' (Stichting Incasso
Bouwtekening- gebruiksvergoedingen) te Amstelveen in het leven
geroepen wordt.
[64] Deze bepaling heeft
ook betrekking op eventuele andere instellingen bedoeld in
art. 5 lid 2 sub c.
[65] Weliswaar geldt voor
alle auteursrechtelijke beperkingen, voor zover ze niet van
dwingend recht zijn, dat ze gelden 'behoudens een
andersluidend contractueel beding', maar m.i. wordt in deze
bepaling in de richtlijn niet meer of anders bedoeld dan dat
en moet dat dan maar in de implementatie worden meegenomen. De
aanhef van art. 23 Aw kent een vergelijkbare overbodige
riedel.
[66] Ten aanzien van
satelliet-uitzendingen was de bepaling al gesneuveld bij de
wetswijziging van 20 juni 1996, (Stb. 364), de implementatie
van de kabel- en satellietrichtlijn.
[67] Mom is er
voorstander van deze bepaling af te schaffen, zie IER
1992, p. 97 e.v.
[68] Bijvoorbeeld in de
WIPO-verdragen uit 1996 en in de Databankrichtlijn.
[69] Zie over de
vermoedelijke (oorspronkelijke) betekenis van deze
drie-stappen-toets: Ricketson, The Berne Convention for the
Protection of Literary and Artistic Works: 1886-1986,
Kluwer 1987, p. 482-484.
[70] Te vinden op <http://www.wto.org>,
besproken in AMI 2000, nr 10, eerste genummerde pagina,
p. 49 (sic).
[71] AMI 2000, nr. 10,
eerste genummerde pagina, p. 49.
|