|
Belangrijke stap
Op 29 september
2000 heeft de Interne Markt Raad het gemeenschappelijk
standpunt van de Raad en de Europese Commissie aanvaard
inzake het voorstel voor de richtlijn harmonisatie van
bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten in
de informatiemaatschappij. Dit kan worden beschouwd als
een historische stap in de ontwikkeling van en naar een
Europees auteursrecht, die de betekenis van de reeds
bestaande (vijf) Europese richtlijnen overtreft en die de
aanzet vormt voor volgende Europese initiatieven die
voortvloeien uit de toepassing van het auteursrecht in de
digitale omgeving. Het gaat om de volgende vijf
richtlijnen: Richtlijn 91/250/EEG van 14 mei 1991
(bescherming computerprogrammatuur), Richtlijn 92/100/EEG
van 19 november 1992 (verhuur, uitleen en naburige
rechten), Richtlijn 93/83/EEG van 27 september 1993
(satellietomroep en kabeldoorgifte), Richtlijn 93/98/EEG
van 29 oktober 1993 (harmonisatie beschermingstermijn) en
Richtlijn 96/6/EG (bescherming databanken). Tevens is in
september 2000 een gemeenschappelijk standpunt inzake de
richtlijn volgrecht bereikt, zodat ook in dat opzicht
nieuwe Europese auteursrechtregels zijn te verwachten.
Definitieve vaststelling van de richtlijn harmonisatie van
bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten in
de informatiemaatschappij is overigens pas aan de orde als
het Europees Parlement zich over het gemeenschappelijk
standpunt heeft uitgelaten.
Pas onder het Portugese
voorzitterschap is het gelukt een compromis te bereiken.
Lidstaten krijgen na "formele" aanvaarding van
de richtlijn twee jaar de tijd hun nationale wetgeving aan
te passen aan dit moeizaam bereikte en fragiele compromis.
Dat is krap, gelet op de tientallen lastige
uitvoeringsvragen die kunnen rijzen.
Verband met
WIPO-verdragen
Zoals bekend, is
de richtlijn bedoeld ter uitvoering van de twee
WIPO-verdragen, gesloten in december 1996. Deze twee
verdragen, het WIPO Copyright Treaty en het WIPO Treaty on
Performances and Phonograms, kunnen worden gezien als een
noodzakelijke update van zowel de Berner Conventie
(voor auteurs) als de Conventie van Rome (voor uitvoerende
kunstenaars en fonogrammenproducenten). Voor de meeste
EU-lidstaten bevatten deze verdragen in feite niet veel
nieuws. Het doel van de verdragen was zeker te stellen dat
het auteursrecht en de naburige rechten in de digitale
omgeving van toepassing zijn, men noemde dit daarom wel de
"Internet-treaties". In werkelijkheid bevatten
de verdragen ook veel regels voor de "analoge"
omgeving.
Een richtlijnvoorstel dat
slechts zou zijn beperkt tot omzetting van de verdragen
zou naar alle waarschijnlijkheid binnen een mum van tijd
zijn aanvaard. Dat had voor de EU en voor de 15 lidstaten
de mogelijkheid geopend bijna net zo snel tot de
WIPO-verdragen toe te treden als bijvoorbeeld de Verenigde
Staten, die reeds in oktober 1998 hun wetgeving "op
orde" hadden (Digital Millennium Copyright Act).
Zoals mogelijk ook bekend, treden de verdragen pas in
werking drie maanden nadat 30 lidstaten hun akten van
ratificatie hebben neergelegd bij het secretariaat van de
WIPO. De Gemeenschap en de lidstaten hebben bovendien
beloofd slechts gezamenlijk tot de verdragen toe te
treden. Inmiddels zijn er 20 landen die zo ver zijn.
Europese rechthebbenden hadden dus nieuwe rechten kunnen
claimen in tal van landen buiten Europa als de richtlijn
eerder was afgerond.
Problemen bij
omzetting in EU-recht
De Europese
Commissie heeft voorgesteld in het richtlijnvoorstel
verschillende onderwerpen op te nemen die niet door de
WIPO-verdragen worden bestreken. Juist over deze
onderwerpen heeft zich de afgelopen twee-en-een-half jaar
een strijd tussen de lidstaten en de Commissie, tussen
lidstaten onderling en tussen belangengroeperingen
afgespeeld, die het proces van Europese regelgeving hebben
opgehouden. In een eerder stadium kon het Europees
Parlement zich niet onttrekken aan een intensieve lobby
van een diversiteit aan belangengroepen. De lidstaten en
de Commissie hebben zich de laatste maanden vooral gebogen
over de volgende kwesties:
- Moet er internationale
of Gemeenschapsuitputting worden geregeld (de
WIPO-verdragen laten de aangesloten staten geheel vrij
in hun keuze);
- Het reproductierecht
in de digitale omgeving (de WIPO-verdragen regelen
niets over het reproductierecht in de digitale
omgeving; wel is een algemene verklaring aangenomen
dat het reproductierecht ook in de digitale omgeving
van toepassing is);
- De vraag of en zo ja
wanneer beperkingen op de rechten aan een plicht tot
betaling van "fair compensation" moet worden
(de WIPO-verdragen regelen niets over een dergelijke
plicht tot "fair compensation");
- Welke wettelijke
beperkingen mogen lidstaten regelen (de WIPO-verdragen
regelen niets over beperkingen; er is slechts een
politieke verklaring aangenomen op grond waarvan
bestaande beperkingen op hun "digitale"
betekenis mogen worden getest en op grond waarvan
eventueel nieuwe beperkingen mogen worden aangenomen);
- Een bijzondere
regeling over het digitaal privé-kopiëren (de
WIPO-verdragen bevatten geen regeling over het
privé-kopiëren);
- Een zeer
gedetailleerde regeling over technische
beschermingsmaatregelen (de WIPO-verdragen bevatten
slechts een simpele, algemene regel);
De nieuwe
auteursrechtkwesties
Een kenmerk van
het moderne auteursrecht is dat meer en meer belangen
worden geraakt bij het zoeken naar de juiste regels en dat
deze belangen in omvang en betekenis toenemen. Het moderne
auteursrecht heeft ontegenzeggelijk een veel sterkere
economische impact gekregen dan een jaar of tien, vijftien
geleden. Het gaat erom de maatschappelijke werkelijkheid
te doorgronden, die sneller is veranderd dan het
regelgevend kader. De technische, culturele en economische
verwachtingen omtrent wat de komende tien jaar zal
brengen, zijn hooggespannen. Auteursrecht betekent
zeggenschap over informatie en de exploitatie daarvan.
Informatie staat centraal in de informatiemaatschappij.
Informatieproducenten, zoals uitgevers, cd- en
filmproducenten en omroeporganisaties, ruimen in hun
strategieën een belangrijke plaats in voor controle over
"content". Daarbij speelt overigens ook de
strijd over de distributiekanalen (kabel, satelliet,
telefoonlijnen), die in de publiciteit vooralsnog meer de
aandacht trekt, vooral als de combinatie tussen content en
distributie wordt gelegd (Telefonica/Endemol, AOL/Time
Warner, UPC/SBS6). Dit element zal verstrekkende gevolgen
hebben voor de relatie tussen het niveau waarop content
tot stand komt (het creatieve proces) en het niveau waarop
dat wordt vastgelegd, geassimileerd, aangeboden en
verspreid (de producenten). Omtrent deze relatie bevat de
richtlijn geen regels; teruggevallen zal moeten worden op
het nationale niveau. En er komt nog een ander element
bij: voor het kunnen "waarnemen" en anderszins
gebruiken van content zijn computers, beeldschermen,
scanners, mobiele telefoons, cd- en dvd-spelers,
opslagschijfjes en nog veel meer andere soorten hard ware
nodig. De waarde van content wordt mede bepaald door de
kwaliteit van de hard ware waarmee content kan worden
beluisterd, bekeken en bewerkt. Daarmee komt dus de vraag
op welke verantwoordelijkheid de hard ware industrie voor
het gebruik van content draagt; men denke aan heffingen op
lege dragers, printers en recorders die in de meeste
lidstaten van de EU reeds bestaan of aan een verplichting
om anti-kopieer maatregelen in te bouwen. Het is niet
onwaarschijnlijk dat het verschijnsel van heffingen op
hard ware in omvang en betekenis zal toenemen in een
omgeving waar steeds meer vormen van gebruik (kopiëren,
verspreiden, manipuleren, selecteren) ontstaan en die even
zovele aanknopingspunten voor het auteursrecht vormen.
Voorts bestaat veel
vertrouwen in de techniek als een wapen in de strijd tegen
piraterij. Het woord piraterij dient overigens niet
verkeerd te worden verstaan, omdat sommigen daarmee
aanduiden alles waarvoor rechthebbenden niet impliciet of
expliciet toestemming hebben verleend. Maar
ontegenzeggelijk zal het voortbestaan van het auteursrecht
afhangen van de mate waarin het kan worden gehandhaafd en
uitgeoefend. Ingenieuze technieken zijn in ontwikkeling
die het kopiëren aan banden kunnen leggen, verspreiding
slechts toestaan langs gecontroleerde distributiekanalen
en gebruik binden aan contractuele of andere voorwaarden.
Daarmee doemt tegelijkertijd het schrikbeeld van
tweedeling tussen "information haves" en
"information have-nots" op en raakt men aan de
grote maatschappelijke betekenis van informatie. De nieuwe
technieken bieden ook zeer aantrekkelijke mogelijkheden
informatie te consumeren, te combineren, te verrijken en
te distribueren. Niet alleen jongeren kennen inmiddels de
geneugten van on-line muziekdistributie via
software-applicaties als My.MP3.doc en Napster. Het
auteursrecht verandert langzaam maar heel zeker van een
soort klassiek eigendomsrecht waarmee anderen op
juridische gronden bepaalde handelingen kan worden
verboden, tot het spiegelbeeld daarvan: het
"recht" op toegang tot informatie, de grondstof
voor het volwaardig kunnen deelnemen aan de
informatiemaatschappij als tegenwicht voor de macht die
informatieconglomeraten kunnen uitoefenen.
Zo’n "recht"
wordt van essentieel belang voor bibliotheken, archieven,
onderwijs- en onderzoeksinstellingen, media-exploitanten,
informatietransporteurs, informatiedienstverlening en
consumenten. Aan de kwestie onder welke voorwaarden dat
recht mag worden uitgeoefend, besteedt de richtlijn echter
nauwelijks aandacht. Het zal vaak gaan om contractuele
relaties tussen rechthebbenden of content-providers en
informatie-afnemers en de wijze waarop collectief beheer
wordt ingericht en de wijze waarop op collectief beheer
toezicht wordt gehouden.
Toepassingsgebied
richtlijnvoorstel
Het
richtlijnvoorstel bestrijkt niet het gehele auteursrecht
zoals dat bekend is. Het bevat regels over de rechten
(reproductie, openbaarmaking en distributie), over de
wettelijke beperkingen die door de lidstaten op de rechten
mogen worden gemaakt en over de juridische bescherming
tegen het omzeilen van technische bescherming. Morele
rechten, collectief beheer, contractenrecht, het
werkbegrip, de verhouding tussen auteur en producent:
allemaal onderwerpen die door de richtlijn in beginsel
niet geraakt worden. De belangrijkste onderwerpen van de
richtlijn passeren hierna de revue.
Uitputting (artikel 4
lid 2)
Het mag bekend
zijn dat Nederland sinds een paar jaar in de discussie
over Europese en mondiale regels inzake intellectuele
eigendom het standpunt inneemt dat de voorkeur wordt
gegeven aan internationale uitputting van rechten: waar
ter wereld de rechthebbenden het met IE-rechten beschermde
product ook in het verkeer brengt, de verdere verhandeling
zou niet mogen worden belemmerd met een beroep op
diezelfde IE-rechten. Dit vanuit de gedachte dat
internationale uitputting goed is voor de handel, de
concurrentie stimuleert en daarmee voor prijsverlaging
zorgt. Dat is een wat ander standpunt dat door de Europese
Commissie en de meeste andere lidstaten (met name de grote
lidstaten) wordt ingenomen. De richtlijn zal een regel van
communautaire uitputting voorschrijven, waarmee dus Fort
Europa ook voor het auteursrecht in het leven wordt
geroepen. Import van fysieke dragers met auteursrechtelijk
beschermd materiaal van buiten de EEA zal daarmee onder
controle van rechthebbenden worden gebracht. De
uitputtingsregel laat toepassing van het mededingingsrecht
overigens onverlet. In ieder geval is aanpassing van de
bestaande Nederlandse auteursrechtelijke
uitputtingsregeling nodig.
Aansprakelijkheid van
Internet Service Providers (artikel 5 lid 1)
De richtlijn
bevat in artikel 2 een zeer ruime omschrijving van wat
onder het "reproductie"- of
"verveelvoudigings"-recht valt. Daarmee wordt in
feite elke, ook zeer kortstondige of vluchtige, zich puur
binnen het technisch functioneren van netwerken of hard
ware afspelende kopieerhandeling binnen het auteursrecht
gehaald. Het gevolg zou onder meer zijn dat elke
(betrokkenheid bij) doorgifte van beschermd materiaal en
elk functioneren (in gebruik hebben) van hard ware waarmee
gebruik van content wordt gemaakt, gevolgen kunnen hebben
voor het auteursrecht. Daarmee zou het auteursrecht
verregaand buiten haar natuurlijke oevers treden want het
gevolg van zo’n ruime definitie zou weer zijn dat
rechthebbenden in beginsel een volledige controle over
alle distributie en verwerking van content zouden krijgen.
De discussie tussen Commissie en Lid-Staten of dat
wenselijk is, is lange tijd vermengd geweest met de vraag
naar de aansprakelijkheid van Internet Service Providers
(ISP’s). ISP’s zijn voor degenen die in een
Internet-omgeving schade dreigen te lijden door aanbieden
en verspreiden van illegale informatie een "last
resort" in een wereld waarin geen grenzen meer
bestaan en waarbij de bron van die illegale informatie
steeds moeilijker valt aan te pakken. De
aansprakelijkheidspositie van ISP’s (zowel civiel- als
strafrechtelijk) is inmiddels geregeld in een andere
Europese richtlijn, namelijk die inzake juridische
aspecten van elektronische handel. De regels in die
richtlijn voorzien, naast regels over toepasselijk recht,
het sluiten van overeenkomsten, commerciële communicatie
en nog een aantal zaken, in een nauw omschreven
uitzondering van aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt
door betrokkenheid bij doorgifte van illegaal materiaal.
Deze regeling laat echter onverlet een
zorgvuldigheidsplicht voor ISP’s als het gaat om
meewerken aan het blokkeren van doorgifte of het
verwijderen van illegaal materiaal. Echter,
aansprakelijkheid (in feite: verantwoordelijkheid) voor
hetgeen via elektronische netwerken wordt doorgegeven is
wat anders dan waarvoor rechthebbenden een vergoeding
mogen vragen. Waar rechthebbenden belang bij zouden kunnen
hebben, is de mogelijkheid om licenties te verstrekken
voor het verkeer op Internet, in verband met de enorme
markt die het beheer van verkeer op elektronische
netwerken voorstelt en de megabedragen die zijn gemoeid
met het op de beurs brengen van Internetproviders. Dat
belang moet worden afgewogen tegen het belang dat wordt
gehecht verkeer via elektronische netwerken en de kans op
belemmering van (de ontwikkeling van) het
Internet-verkeer. De auteursrecht-richtlijn erkent het
verschil tussen aansprakelijkheid en reikwijdte van het
auteursrecht niet in alle opzichten, waarbij niet vergeten
mag worden dat de bepaling van artikel 5 lid 1 ook
betrekking heeft op het functioneren van hard ware. De
richtlijn voorziet echter in een verplichte beperking van
het auteursrecht (die enige, de overige beperkingen zijn
optioneel) die voorziet in een vrijstelling van het
auteursrecht van puur technische kopieën. De formulering
die daarvoor is gebruikt, is echter ingewikkeld. Waar het
op neer komt dat kopieën die slechts een functioneel of
technisch karakter dragen en die geen onafhankelijke
economische betekenis hebben, buiten het auteursrecht
vallen. Voorbeelden daarvan zijn browsing (het bladeren
door een elektronisch bestand) en verschillende zogenaamde
"caching"-handelingen (tijdelijk opslaan van
informatie), mits maar aan de vereisten van artikel 5 lid
1 is voldaan. Voor aansprakelijkheid van ISP’s is
aanpassing van de Auteurswet en de Wet naburige rechten
niet nodig.
Andere beperkingen op
het auteursrecht (artikel 5 leden 2, 3 en 4)
Artikel 5 bevat
naast die ene, door lidstaten verplicht over te nemen
beperking in artikel 5 lid 1, een groot aantal door
lidstaten facultatief over te nemen beperkingen. Lid 2
bevat beperkingen op het reproductierecht, lid 3 bevat
beperkingen op zowel het reproductierecht als het recht op
mededeling aan het publiek en het
terbeschikkingstellingsrecht en lid 4 bevat beperkingen op
het distributierecht. Het facultatieve karakter betekent
op het eerste gezicht dat van harmonisatie binnen Europa
weinig terecht zal komen. Dat is te verklaren omdat
lidstaten door de beperkingen die zij op het auteursrecht
maken, in feite hun nationale beleid terzake van
onderwijs, onderzoek, bibliotheken, omroep, persvrijheid,
mededinging en consumentenbescherming tot uitdrukking
brengen. Regels maken voor de interne markt is wel wat
anders dan het harmoniseren van de cultuur. Politiek
gesproken was een verplichte lijst van beperkingen
bovendien niet haalbaar. Puur vanuit een oogpunt van
harmonisatie zou er wel wat voor te zeggen zijn als alle
lidstaten trachten om zoveel mogelijk of juist zo weinig
mogelijk van de beperkingen over te nemen in hun nationale
wetgeving.
Kort gezegd, kan het in
artikel 5, leden 2, 3 en 4 gaan om beperkingen ten behoeve
van fotokopiëren, privé-gebruik, bibliotheek- en
archiefgebruik, efemere opnamen van omroepprogramma’s,
kopieën van omroepprogramma’s in sociale instellingen,
gebruik in het kader van onderwijs of wetenschap, gebruik
ten behoeve van gehandicapten, gebruik in de pers,
citaatvrijheid, gebruik in het kader van administratieve
of judiciële procedures, gebruik van politieke teksten,
gebruik in het kader van religieuze of officiële
gebeurtenissen, toevallig gebruik bij opnames of
verslagen, gebruik in het kader van karikaturen en
parodieën, gebruik in het kader van reparatie en
demonstratie, gebruik in het kader van reclame, gebruik
van afbeeldingen van openbare gebouwen en beeldhouwwerken
en lezen en luisteren in een bibliotheekomgeving. Een hele
waslijst, die in grote mate lijkt te weerspiegelen wat
conform de Nederlandse wetgeving als belangrijk wordt
ingeschat.
Deze beperkingen zijn
hier en daar aan restricties gebonden. Over het algemeen
lijkt het alsof Nederland de meeste bestaande beperkingen
zou kunnen handhaven. Daartoe bestaat overigens de
vrijheid. Nederland kan besluiten bestaande beperkingen
niet (volledig) te handhaven maar kan ook besluiten nieuwe
beperkingen te introduceren. Hoe dat voor Nederland
precies zal uitpakken, moet worden afgewacht en is
onderwerp van de discussie (ook op deze website).
Nieuw is dat een drietal
beperkingen uitdrukkelijk aan het beginsel van "fair
compensation" is gebonden: het fotokopiëëren
(artikel 5 lid 2a), privé-gebruik (artikel 5 lid 2b) en
kopiëren van omroepprogramma’s in sociale instellingen
(artikel 5 lid 2e). "Fair compensation" is een
uitvinding van het Europees Parlement, daartoe
gesouffleerd door de Commissie. Het is niet hetzelfde als
"redelijke vergoeding" ("equitable
remuneration", zie bijvoorbeeld de heffing op lege
dragers en de vergoeding voor het uitlenen van beschermd
materiaal) en kan, naast een zekere vergoeding ook bestaan
in bijzondere licentieregels, subsidies,
schadeloosstellingen van overheidswege. Het is in de drie
genoemde gevallen op vrij ruime terreinen van toepassing,
maar het biedt de mogelijkheid voor een lidstaat om binnen
dat terrein bepaalde handelingen geheel vrij te stellen,
bijvoorbeeld omdat in de afweging tussen de belangen van
gebruikers en rechthebbenden het nadeel voor de gebruiker
(om te betalen of te administreren hoeveel hij gebruikt)
niet opweegt tegen het voordeel van de rechthebbenden (bij
een vergoeding). Bovendien kan worden rekening gehouden
met de toepassing van technische beveiliging: als een werk
afdoende door techniek kan worden beschermd, is een
(immers per definitie grofkorrelige en forfaitaire)
vergoeding mogelijk niet nodig.
Vermelding verdient nog
dat de pogingen om in de richtlijn een "fair
use" achtige bepaling te introduceren, bijvoorbeeld
als handvat voor de rechter om te kunnen inspelen op
snelle technologische ontwikkelingen, het niet hebben
gehaald. Er bleek geen steun voor te bestaan, zelfs niet
voor een vangnet-bepaling die op de interne markt geen
enkele invloed zou hebben. Op dit punt blijft dus sprake
van een discrepantie tussen de auteursrechtsystemen in de
Verenigde Staten en in Europa. De richtlijn laat echter
onverlet de mogelijkheden van de rechter om op grond van
algemene regels, zoals misbruik van recht (artikel 3:13
Burgerlijk Wetboek) of misbruik van economische
machtspositie (op grond van de Mededingingswet) in te
grijpen.
Privé-gebruik
De exceptie voor
privé-gebruik is een van de beperkingen die is gebonden
aan het regelen van fair compensation. Privé-kopiëren is
omschreven als het voor privé-doeleinden op welk medium
dan ook kopiëren van beschermd materiaal door natuurlijke
personen en voor niet-commerciële doeleinden. Een
advocaat die voor een zaak over auteursrecht een handboek
op het kopieerapparaat legt, handelt voor commerciële
doeleinden; een rechtspersoon die voor "eigen
gebruik" kopieert, komt geen beroep toe op deze
regeling. De vraag is bijvoorbeeld wat een en ander
betekent voor Nederland omdat deze beperking is gebonden
aan de voorwaarde van "fair compensation". Op
grond van de Nederlandse wetgeving is slechts het
privé-kopiëren van muziek en beeld (cd’s, tv-programma’s
en films) op daarvoor bestemde dragers aan een
vergoedingsregeling (de heffing op lege dragers) gebonden.
Maar privé-kopiëren van boeken en tijdschriften, van
elektronische tekst, van informatie op een webpage op
Internet of het schilderen van een gedicht op de muur van
de woonkamer is vrij van auteursrecht. Ook draagt de
richtlijn op een verband te leggen tussen fair
compensation en toepassing van technische bescherming; als
technische bescherming in staat is het privé-kopiëren te
reguleren, is fair compensation niet meer nodig. In de
aanschafprijs van de cd, dvd of andere drager kan immers
met de kopieermogelijkheden worden rekening gehouden en is
aan een aanvullende collectieve heffing mogelijk geen
behoefte meer.
Technische bescherming
De bepaling over
de technische beschermingsmaatregelen heeft tot
uitgebreide discussies aanleiding gegeven. Het is ook het
belangrijkste onderdeel van de richtlijn. Wat is het
speelveld? Cd- en filmproducenten verwachten veel van
digitale distributie- en andere exploitatietechnieken.
Daarvan verwachten ook anderen, zoals de transporteurs en
de producenten van hard ware heel veel. Om lonende
exploitatie via digitale distributie mogelijk te maken is
technische beveiliging noodzakelijk, zoals algemeen wordt
aangenomen, om het risico van lekkage in te dammen. Ook
zou technische beveiliging het leveren van informatie en
entertainment op maat kunnen bevorderen. Rechthebbenden
hebben vanaf het begin gepleit voor een vorm van complete
controle op deze digitale distributie, dat wil zeggen
volledige controle op de markt voor technische beveiliging
en op de markt voor hard ware zonder dat lidstaten de
mogelijkheid zouden hebben tegen ongewenste toepassing of
zelfs misbruik van technische bescherming te kunnen
optreden. Dat was veel gevraagd, nog los van de vraag hoe
het eigenlijk zit met de belangen van consumenten en
andere eindgebruikers, die bestaande
privé-kopie-excepties in nationale wetgeving zullen
opvatten als een zeker "recht" om beschermd
materiaal thuis te kunnen bekijken, beluisteren en te
kopieren. Technische beveiliging werkt slechts in
samenhang met het apparaat waarin content wordt
opgeslagen, verwerkt, geraadpleegd of anderszins gebruikt.
Hard ware producenten en de content-industrie zijn van
elkaar afhankelijk; de kunst is regels te maken die het
juiste evenwicht tot stand zouden brengen en die ook recht
zou doen aan de belangen van consumenten.
De "oplossing"
neergelegd in de richtlijn luidt kort gezegd als volgt. De
richtlijn voorziet, naast het auteursrecht, in een nieuwe
vorm van bescherming, namelijk tegen omzeiling
("kraken") van technische bescherming en tegen
alle handelingen ter voorbereiding van omzeiling
(productie, distributie, verhandeling, verhuur, reclame,
dienstverlening). Wel is het zo dat omzeiling slechts
onrechtmatig is als het technische maatregelen betreft die
bedoeld zijn om auteursrecht en naburige rechten te
beschermen. Bovendien moeten de maatregelen aan zekere
"kwaliteitseisen" voldoen. De richtlijn voorziet
er op die manier op ingenieuze wijze in dat de hard ware
industrie en content-industrie in feite wel om de tafel
moeten gaan zitten om overeenstemming te bereiken over de
maatregelen die men wil toepassen. Als technische
beveiliging niet aan dergelijke eisen zou moeten voldoen,
zou (de producent van) elk apparaat waarin content wordt
gebruikt aansprakelijkheid riskeren als die beveiliging
niet zou worden herkend. Ook zou technische beveiliging
het normaal gebruik van hard ware kunnen belemmeren. Om
die reden bevat de richtlijn dan ook clausules die deze
ook mededingingsrechtelijk getinte problematiek trachten
te ondervangen.
Een probleem van wat
andere orde is dat digitale techniek (behalve interessante
piraterij-mogelijkheden) ook kan leiden tot het
afgrendelen van informatie, althans toegang tot informatie
afhankelijk laten zijn van voorwaarden die leiden tot
prijsstijgingen of inperkingen van de mogelijkheden van
toegang tot informatie. Beperkingen op de rechten zouden
zinledig worden als rechthebbenden informatieproducten
achter een elektronisch slot en grendel doen, zodat
wettelijk verankerde gebruiksvrijheden tot een dode letter
worden. De oplossing zou zijn dat gebruikers de
mogelijkheden zouden hebben om technische beveiligingen te
"kraken" (de richtlijn noemt dat omzeilen) om
van een wettelijk beperking gebruik te maken. Als die
mogelijkheid zou worden aanvaard, zou ook een markt kunnen
ontstaan van apparatuur waarmee "rechtmatig"
gekraakt zou kunnen worden. Deze optie is wel besproken
maar is uiteindelijk onhaalbaar gebleken. Het resultaat is
een nieuw "recht", namelijk een recht van
rechthebbenden om tegen omzeiling op te treden en tegen
het produceren, verhandelen en aanbieden van
kraakmiddelen. Of omzeiling dus geschiedt met een legitiem
doel doet niet terzake. Nog niet geheel duidelijk is de
(ingewikkelde) relatie tussen deze bepalingen en
bijvoorbeeld het algemene mededingingsrecht, de
bevoegdheden van nationale of communautaire
mededingingsautoriteiten of nationaal-rechtelijke noties
als "misbruik van recht". Als in de praktijk
blijkt dat toepassing van technische beveiliging tot
misstanden leidt (en de ratio van bepaalde beperkingen
geweld aan wordt gedaan), moeten lidstaten ingrijpen.
Gebruikers moeten erop vertrouwen dat lidstaten (in
beginsel op nationaal niveau) de juiste maatregelen nemen
om misbruik van technische beveiliging tegen te gaan. Deze
in deze richtlijn verankerde plicht van lidstaten is
overigens beperkt tot de gebieden van fotokopiëren,
bibliotheek- en archiefgebruik, efemere omroepopnamen,
gebruik in sociale instellingen, onderwijsgebruik, gebruik
ten behoeve van gehandicapten en gebruik in het kader van
administratieve of judiciële procedures. In alle andere
gevallen van beperkingen hebben lidstaten vooralsnog geen
enkele bevoegdheid en evenmin een plicht, althans niet op
grond van de richtlijn. Op die terreinen, zoals de
beperkingen ten behoeve van citeren, reclame, demonstratie
en reparatie en gebruik ter plekke van bibliotheken
bijvoorbeeld hangt het dus van rechthebbenden af in
hoeverre ze beperkingen zullen respecteren. Er bestaat nog
geen duidelijkheid over de consequenties voor het vrij
verkeer van goederen in geval auteursrecht-regimes, ook na
inwerkingtreden van de richtlijn, van lidstaat tot
lidstaat nog steeds zullen verschillen.
Tot het laatst toe is
gestreden over de mogelijkheid dat een individuele
lidstaat de vrijheid heeft in te grijpen in geval deze zou
menen dat consumentenbelangen in het gedrang zouden komen
terwijl de hard ware industrie in feite evenzeer aandrong
op gelijke regels in de gehele interne markt, zij het dat
de richtlijn juist zekere privé-kopie-excepties zou
moeten erkennen. Slechts ingeval door rechthebbenden
eenzijdig genomen maatregelen om met die
consumentenbelangen rekening te houden, uitblijven of
wanneer vrijwillige afspraken tussen rechthebbenden, hard
ware en consumenten achterwege blijven, kan een lidstaat
maatregelen nemen om het privé-gebruik toch mogelijk te
maken. De discussie over dit onderwerp is fel geweest
omdat de "thuisgebruik-markt" zo veelbelovend
wordt geacht. Helaas is de discussie vaak gevoerd in de
sleutel van wantrouwen; wantrouwen tegenover consumenten,
die door sommige lidstaten vooral als potentiële piraten
worden gezien; wantrouwen tegenover hard ware producenten
die zouden willen profiteren van zo ruim mogelijke
kopieervrijheden; wantrouwen tegenover lidstaten die de
werking van de interne markt zouden verstoren door het
eenzijdig afkondigen van maatregelen die tot effect zouden
hebben dat bijvoorbeeld een cd-recorder in de ene lidstaat
legaal, in de andere illegaal zou zijn. Men is nu
uitgekomen op een systeem van ‘stok-achter-de-deur’.
Lidstaten mogen (maar zijn niet verplicht) maatregelen
nemen om te bewerkstelligen dat consumenten redelijk
privé-gebruik kunnen maken. De hoogte van de prijs voor
het thuisgebruik zal daarbij een rol kunnen spelen. Het
valt zeer te betwijfelen dat lidstaten daartoe snel, laat
staan zonder daarover goed te hebben nagedacht, zullen
overgaan, zodat de vrees voor verstoring van de interne
markt en daarmee voor een redelijke return on investment
vergezocht lijkt, zij het dat uiteenlopende maatregelen
binnen de interne markt niet geheel zijn uit te sluiten.
In ieder geval zullen voor Nederland (ook) op dit terrein
lastige uitvoeringsvragen rijzen.
Verhouding met
bestaande richtlijnen
Een groot
probleem tijdens de onderhandelingen vormde de verhouding
tot bestaande richtlijnen ter bescherming van
computerprogrammatuur en van databanken. De richtlijn zal
immers meebrengen dat voor verschillende werken
(computerprogrammatuur, databanken, cd’s, films, boeken)
verschillende rechtenregimes gelden. Het belangrijke
artikel 5.1 bijvoorbeeld is niet van toepassing op
computerprogrammatuur en databanken. De regels over
technische beschermingsmaatregelen zijn zelfs
uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard op
computerprogrammatuur. Bovendien wijkt de formulering van
het reproductierecht en het distributierecht in deze
richtlijn af van de formuleringen in de andere
richtlijnen. De Commissie heeft dat verklaard door erop te
wijzen dat voor die andere richtlijnen aparte
evaluatieprocedures bestaan, binnen het kader waarvan een
aanpassing, indien nodig, moet plaatsvinden. De nationale
wetgevers mogen, op gevaar van infractieprocedures,
onvolkomenheden die thans zullen ontstaan, niet
corrigeren.
Contact Committee
Een volgende
noviteit, althans op het terrein van het auteursrecht, is
de instelling van een zogenaamd Contact Committee. Dit
comité is belast met een drietal taken, namelijk als
klankbord voor lidstaten bij de uitvoering van de
richtlijn, als forum voor informatieuitwisseling en als
monitor van de ontwikkelingen op digitale markten. Dit
comité kan heel succesvol zijn maar veel, zo niet alles
hangt van de personele invulling. Het comité is niet
bedoeld om middel om de Commissie te voorzien van
informatie die lidstaten verschaffen om op basis daarvan
infractieprocedures te starten (of om daarmee te dreigen).
Ook zal het comité zich vermoedelijk buigen over de
resultaten van de evaluatie, waartoe de Commissie opdracht
heeft gekregen.
Gevolgen voor
Nederlandse wetgeving
Het is, mede
gezien de stand van zaken in de procedure die moet leiden
tot definitieve aanvaarding van de richtlijn, nog heel
moeilijk in te schatten welke gevolgen de richtlijn voor
de Auteurswet en de Wet naburige rechten zal hebben. Maar
een aantal punten zal in het proces van uitvoering naar
alle waarschijnlijkheid aan de orde komen:
- Bij elke richtlijn
sinds 1991 is het moeilijker gebleken de Europese
regels in de bestaande auteursrechtelijke systematiek
te brengen; aangezien niet te verwachten is dat de
stroom aan Europese regels spoedig zal opdrogen komt
meer en meer de vraag naar boven of de Nederlandse
wetgeving (zowel Auteurswet als Wet naburige rechten)
niet fundamenteel in lijn moet worden gebracht met de
Europese terminologie en systematiek;
- In de Auteurswet zal
thans in het algemeen de regel van communautaire
uitputting moeten worden neergelegd;
- Zowel in de Auteurswet
als de Wet naburige rechten zal een uitdrukkelijke
beperking inzake louter technische en functionele
kopieën moeten worden opgenomen;
- De regeling van de
beperkingen in hoofdstuk VI van de Auteurswet (en
artikelen 10 en 11 Wet naburige rechten) moet in lijn
worden gebracht met de richtlijn, voor zover het
althans de rechten betreft die door de richtlijn
worden geraakt; dat zal betekenen dat sommige
beperkingen moeten worden aangepast (zoals die ter
zake van het fotokopiëren en de readerregeling) maar
het kan ook betekenen dat nieuwe beperkingen kunnen
worden geregeld (zoals ten behoeve van kopiëren van
tv-programma’s in zorginstellingen, van
gehandicapten en van "on-the-spot" use in
bibliotheken en archiefinstellingen);
- Op verschillende
punten moeten bestaande regels inzake
vergoedingsrechten (zoals terzake van thuiskopiëren)
opnieuw tegen het licht worden gehouden; ook zal het
toepassingsgebied inzake het wettelijk verplicht
collectief beheer moeten worden onderzocht;
- Nieuwe regels inzake
bescherming tegen omzeiling van technische beveiliging
zijn nodig; voorzieningen zijn nodig om te waarborgen
dat maatregelen worden genomen conform de regels die
lidstaten verplichten zorg te dragen dat technische
beveiliging niet leidt tot het zinledig maken van
wettelijke beperkingen;
- Ingegaan moet worden
of juridische maatregelen tegen omzeiling slechts
civielrechtelijk of tevens strafrechtelijk
gesanctioneerd moeten zijn;
- Nieuwe regels zijn
nodig om het manipuleren of verwijderen van zogenaamd
"rights management information" tegen te
gaan;
- In de Wet naburige
rechten moet een uitdrukkelijke voorziening worden
getroffen voor het zogenaamde
"terbeschikkingstellingsrecht", mede in
verband met de regeling van het wettelijk collectief
beheer ter zake van openbaarmaking van commerciële
fonogrammen; mogelijk moet dat ook – maar dan niet
beperkt tot fonogrammen - gebeuren in de Auteurswet;
- Een inventarisatie is
nodig van de verplichtingen die de richtlijn oplegt
aan nationale overheden; er moet worden nagedacht over
mogelijkheden tot monitoring van ontwikkelingen, tot
bemiddeling in conflicten, tot het faciliteren van het
maken van afspraken en om van overheidswege toezicht
uit te oefenen.
Herhaald zij, dat deze
opsomming geen volledigheid presenteert en evenmin een
aanwijzing bevat naar de stappen die de wetgever thans
overweegt te nemen. Daarover kan pas duidelijkheid worden
verschaft als de richtlijn formeel is aanvaard. Gelet
echter op de implementatietermijn van twee jaar en de
verwachting dat definitieve aanvaarding rond 1 januari
2001 valt te verwachten, zal inzicht in de uitvoering in
de Auteurswet en de Wet naburige rechten in het begin van
2001 moeten worden gegeven.
|