| Van 2-20 december 1996
vond in Genève in het kader van de World Intellectual Property
Organization (WIPO) een Diplomatieke Conferentie plaats over
drie ontwerp-verdragen op het gebied van auteursrecht,
naburige rechten en databanken (hierna 'Basic Proposals').[3]
Hierna volgt een verslag van de conferentie en een toelichting
op de resultaten.
1. Aanloop tot de conferentie
Sinds de laatste wijziging
van de Berner Conventie (in 1971) heeft de technologie zich
sterk ontwikkeld en is ook het besef van het belang van
auteursrecht en naburige rechten (zowel voor rechthebbenden
als voor gebruikers) gegroeid. Ondanks (sommigen zeggen:
dankzij) het toegenomen aantal aangesloten staten is begin
jaren negentig door het Internationaal Bureau van de World
Intellectual Property Organization de beslissing genomen om te
bezien of de Berner Conventie een update moest ondergaan en of
de bescherming van naburige rechten kon worden verbeterd.
Cohen Jehoram heeft dat proces mooi beschreven.[4]
De besprekingen in het kader van de WIPO hebben enige jaren
lang op een laag pitje gestaan. De meeste aandacht ging toen
uit naar de ontwikkelingen rond de Wereld Handels Organisatie
en met name naar het onderdeel van het Wereld Handels Verdrag
dat betrekking had op rechten van intellectuele eigendom (het
TRIPs-verdrag). Er wordt wel beweerd dat toen eenmaal in het
kader van de WHO de Verenigde Staten duidelijk werd dat op
auteursrechtelijk gebied niet méér kon worden binnengehaald,
zij hun aandacht verplaatsten naar de WIPO. Vanaf dat moment
maakten ook onderwerpen die betrekking hadden op de nieuwe
digitale technologieën onderwerp van de besprekingen uit (de
'digitale agenda'). In mei van 1996 - toen inmiddels een
behoorlijk aantal voorstellen voor nieuwe verdragsteksten op
tafel lagen - is besloten dat een Diplomatieke Conferentie
moest worden georganiseerd. Het was de delegatie van de VS een
lief ding geweest als de aangesloten staten vervolgens hadden
besloten dat een conferentie zou plaatsvinden nog vóór de
Presidentsverkiezingen in november van het vorig jaar. Dat is
net niet gelukt.
Vanaf de verspreiding van de
teksten van de ontwerp-verdragen (per 30 augustus 1996) zijn
in tal van nationale en internationale verbanden
consultatierondes georganiseerd. Daarvoor was echter niet erg
veel tijd beschikbaar, hetgeen bij sommige belanghebbenden de
indruk wekte dat met hun belangen geen of te weinig rekening
werd gehouden. Met name vanaf zo'n anderhalve maand voor de
conferentie verliepen de discussies over de pro's en contra's
van de voorstellen steeds turbulenter. Die turbulentie woedde
tijdens de conferentie onverdroten voort. Belangengroeperingen
- voorzover ze al niet deel uitmaakten van nationale
delegaties of deze bereid vonden hun standpunten tijdens de
beraadslagingen naar voren te brengen - lieten geen
mogelijkheid onbenut om delegatieleden te overtuigen van het
ene of juist het andere standpunt.
Waarschijnlijk het enige
parlement ter wereld (in ieder geval in de EG) dat zich vooraf
en plenair bemoeide met de voorstellen voor de conferentie,
was de Nederlandse Tweede Kamer. Op 10 december 1996 nam de
Kamer in een zogenaamd 'twee minuten-debat' een (op 4 december
1996 ingediende) kamerbrede motie aan met de strekking dat
Nederland moest zien te voorkomen dat consumptief gebruik van
werken (waaronder 'browsen') aan auteursrechtelijke
toestemming werd verbonden.[5]
De motie keerde zich ook tegen het (in één van de in de
ontwerp-verdragen neergelegde alternatieven voorgestelde)
recht van import: oftewel het distributierecht met nationale
uitputting.[6] De motie was
een steun in de rug voor het reeds bestaande beleid van de
Nederlandse regering.
2. Verloop van de
conferentie
Het begin van de conferentie
werd voorafgegaan door bijeenkomsten van enige 'informele' en
'formele' groepen van landen, waarin (afvaardigingen van)
delegaties de gelegenheid kregen hun standpunten over zowel
formele als materiële kwesties naar voren te brengen.
Nederland was vertegenwoordigd in de zogenaamde '15+15'
overleggroep (een groep van ontwikkelde en ontwikkelingslanden[7]
) en in de groep van gendustrialiseerde landen. Ook was
Nederland vertegenwoordigd in een formele overleggroep,
genaamd Groep B, die ook in andere organen van de Verenigde
Naties een rol speelt. De Lid-Staten van de Europese
Gemeenschap en de Europese Commissie kwamen daarnaast tijdens
de conferentie vaak enige malen per dag bijeen om de
standpunten te coördineren.
De eerste vier dagen van de
conferentie zijn voornamelijk besteed aan politieke kwesties,
waaronder het vaststellen van de procedureregels, het afleggen
van openingsverklaringen en het bezetten van posten in de
verschillende comités. Het ging wat betreft het laatste punt
vooral om enerzijds de bezetting van de posten van
president van de conferentie (een vooral ceremoniële functie,
die toeviel aan de Keniase ambassadrice bij de VN in Genève)
en het voorzitterschap van Main Committee I (waarin op de
inhoudelijke kant van de zaak werd ingegaan) en anderzijds
de verdeling van alle beschikbare posten over de regio's en
invloedssferen.[8] Dat het
voorzitterschap van Main Committee I toeviel aan de uit
Finland afkomstige Jukka Liedes[9]
was geen verrassing (en bovendien een gelukkige keuze) maar
daarvoor is wel een politieke prijs betaald.
De (inhoudelijke) informele
en formele onderhandelingen over de ontwerp-verdragsteksten
startten de facto op 6 december. Spoedig kwam vast te staan
dat het derde ontwerp-verdrag (over juridische bescherming van
databanken) op te weinig steun zou kunnen rekenen, zodat
daarover niet meer inhoudelijk is gesproken.[10]
In de tweede week van de
conferentie werd op inhoudelijk gebied nauwelijks enige
vooruitgang geboekt. Na de eerste volledige exercitie door de
ontwerp-verdragen over het auteursrecht en de naburige
rechten, presenteerde de voorzitter van Main Committee I op
donderdag 12 december herziene versies van de eerste twee
verdragen. Hoewel dat op dat moment niet aanstonds duidelijk
was, werden in deze versies de belangrijkste onderwerpen
(reproductierecht, openbaarmakingsrecht, distributierecht,
beperkingen, bescherming van filmacteurs, national treatment)
niet aangeraakt. De opzet van de voorzitter was om zoveel
mogelijk minder belangrijke punten uit de weg te ruimen,
waarna discussie over de hete hangijzers zou kunnen aanvangen.
Dat lukte echter niet. Aangezien bovendien de vele informele
contacten tussen landen en groepen niet tot (voorlopige)
compromissen leidden, besloot de voorzitter dat vanaf
zondagmiddag 15 december de delegaties buiten aanwezigheid van
niet-gouvernementele organisaties en pers verder moesten.
Vanaf dat moment werden de contouren van de nieuwe verdragen
langzaam maar zeker duidelijk.
Het is overigens nog lange
tijd onzeker geweest of sowieso verdragen tot stand zouden
komen. Ook is enige tijd rekening gehouden met slechts één
verdrag (over auteursrecht).
In zeker opzicht is het
jammer dat de meest interessante discussies dus nooit
gepubliceerd zullen worden. Er kan wel dit van gezegd worden
dat puur-juridische overwegingen niet de doorslag hebben
gegeven bij de totstandkoming van de uiteindelijke
tekstversies.
Op donderdagavond 19 december
werd informeel in grote lijnen overeenstemming over twee
verdragen bereikt. Pas op vrijdagavond kort voor het
middernachtelijk uur van de - officieel - laatste
conferentiedag werd overeenstemming over het laatste onderwerp
- een verklaring over het reproductierecht - bereikt en konden
twee nieuwe verdragen worden aangenomen.
3. Overzicht van de
resultaten; inleiding
In het hierna volgende
overzicht wordt ingegaan op de voor Nederland en de voor de
conferentie meest belangrijke punten. Ik zal voorbij gaan aan
de institutionele bepalingen, die betrekking hebben op
toetreding, stemrechten en andere voor auteursrechtbeoefenaren
minder wezenlijke punten. Hier en daar wordt verwezen - voor
het auteursrecht - naar de Berner Conventie (BC) en - voor de
naburige rechten - naar de Conventie van Rome (CvR). De
teksten van de totstandgekomen verdragen zijn inmiddels zowel
via de Internet home-page van WIPO als op papier beschikbaar.[11]
Van belang zijn ook de Agreed Statements die bij beide
verdragen zijn aangenomen.[12]
Zowel de verdragen als de Statements zijn als bijlagen bij
deze aflevering van Informatierecht/AMI opgenomen. De
titels van de twee nieuwe verdragen zijn zonder veel
omhaal van woorden vastgesteld.
4. WIPO Copyright Treaty
4.1 Preambule
In de preambule zijn ten
opzichte van het ontwerp-verdrag over auteursrecht nieuwe
overwegingen opgenomen, voornamelijk op initiatief van enige
ontwikkelingslanden. De achtergrond van deze teksten is dat
men er van verschillende kanten erg op heeft aangedrongen tot
uitdrukking te brengen dat enerzijds de noodzaak bestond tot
verhoging van het beschermingsniveau en tot
toepasselijkverklaring van het auteursrecht in de digitale
omgeving maar dat dit anderzijds niet ten koste mocht gaan van
de bescherming van algemene belangen, zoals die van onderwijs,
onderzoek en toegankelijkheid van informatie.
4.2 Reikwijdte van
auteursrecht
Voorts is een artikel
aangenomen (art. 2) dat expliciet tot uitdrukking brengt dat
auteursrechtbescherming zich niet uitstrekt tot ideeën,
procedures, werkwijzen of mathematische concepten als zodanig.
Voor de meeste landen betekent dit artikel niets bijzonders.
De bepaling heeft vooral een signaalfunctie.
4.3 Software en
gegevenscompilaties
Over de artikelen 4 (computerprogrammatuur)
en 5 (gegevenscompilaties) is lang gediscussieerd. Met
name ontwikkelingslanden verzetten zich tegen teksten die in
hun ogen verplichtingen inhielden die boven het in het
TRIPs-verdrag (1994)[13]
neergelegde niveau uitgingen. De uiteindelijke teksten wijken
niet veel af van de teksten in het Basic Proposal. In Agreed
Statements is nog eens herhaald dat deze bepalingen
inhoudelijk niet afwijken van de TRIPs-standaard.
4.4 Dwanglicenties
In het ontwerp-verdrag werd
aanvankelijk voorgesteld de schrapping van de mogelijkheid die
de Berner Conventie thans nog biedt om zowel terzake van
'primary broadcasting' als mechanische rechten dwanglicenties
te verlenen (zie art. 11bis BC). Voor dat voorstel
bleek uiteindelijk onvoldoende steun te bestaan. Veel landen
droegen het idee uit dat ook of zelfs juist in de digitale
omgeving dergelijke licenties een belangrijke rol kunnen
spelen. Het gaat daarbij onder meer om de betekenis van
bijvoorbeeld omroeparchieven. De Nederlandse delegatie
bepleitte schrapping van het voorgestelde artikel.
4.5 Reproductierecht
Dit onderwerp heeft zowel
voor, tijdens als na de conferentie[14]
de meeste aandacht getrokken. Vogels van zeer diverse pluimage
(bibliotheekwezen, archiefinstellingen, telecomindustrie,
elektronische consumentengoederenindustrie) liepen te hoop
tegen het voorgestelde art. 7 dat volgens hen tot allerlei
ondoordachte, onvoorziene en ongewenste gevolgen zou leiden.
Het kwam erop neer dat lid 1 van het voorstel elke
elektronische verveelvoudiging, inclusief de tijdelijke (zoals
opslag op een diskette) en de zelfs zeer tijdelijke (zoals
tijdens het informatieverkeer 'ergens' op de elektronische
snelweg), binnen het exclusieve recht haalde. Lid 2 van het
voorstel liet de nationale wetgeving toe uitzonderingen te
maken voor specifiek omschreven gevallen. Het voorstel is
echter uiteindelijk geheel geschrapt. In de discussies
over dat onderwerp tussen de aanwezige delegaties bleek een
diepgaand verschil van mening te bestaan. Waar een aantal
delegaties - zoals de Australische, Singaporese,
Zuid-Afrikaanse, Canadese, Noord-Europese en de Nederlandse -
meende dat bepaalde handelingen (zoals de louter technische of
functionele verveelvoudiging) wegens het ontbreken van enige
economische relevantie niet onder het bereik van het
auteursrecht thuishoorden, meenden andere delegaties dat
bepaalde handelingen slechts via expliciete uitzonderingen op
het recht ex art. 9 lid 2 BC jo. art. 12 lid 1 van het
ontwerp-verdrag konden worden vrijgesteld.[15]
Het is vooral de interne verdeeldheid binnen de Verenigde
Staten en - in iets mindere mate - de Europese Gemeenschap
geweest, alsmede de sterke lobby van de
telecommunicatie-industrie uit de VS, die uiteindelijk tot het
laten vallen van art. 7 heeft geleid. Wel is op de conferentie
over Statement gestemd, dat als volgt luidde: 'The
reproduction right, as set out in Article 9 of the Berne
Convention, and the exceptions permitted thereunder, fully
apply in the digital environment, in particular to the use of
works in digital form. It is understood that the storage of a
protected work in digital form in an electronic medium
constitutes a reproduction within the meaning of Article 9 of
the Berne Convention.'
Dit Statement[16]
vond steun bij een grote meerderheid van de aanwezige staten,
ook bij landen als Noorwegen, Zuid-Afrika en Australië, die
zich sterk tegen het aanvankelijke lid 2 van art. 7 hadden
gekeerd.
De Nederlandse delegatie
heeft bepleit dat handelingen zoals lezen, luisteren en
kijken, alsmede de slechts functionele tijdelijke opslag
buiten het bereik van het recht moesten blijven. Dit standpunt
vond steun in de eerdergenoemde motie van de Tweede Kamer van
4 december 1996. Nederland heeft bovendien gewaarschuwd tegen
overhaaste en gedetailleerde wetgeving op dit voor het
auteursrecht zeer belangrijke punt. Met het resultaat kan
iedereen in Nederland tevreden zijn, in het bijzonder met de
vaststelling dat het auteursrecht volledig van toepassing is
in de digitale omgeving. Op de conferentie werd duidelijk dat
de discussie over de wenselijkheid van een elektronisch
reproductierecht en de reikwijdte daarvan zich nog maar in een
beginstadium bevindt.[17]
4.6 Distributierecht
In het ontwerp-verdrag werden
twee alternatieven voor het distributierecht voorgesteld: één
dat de uitputting van dat recht beperkte tot in het
verkeer brengen binnen een nationaal of regionaal territoir,
en één dat uitputting op wereldwijde schaal mogelijk maakte.
Ook dit onderwerp heeft tot lange en verhitte discussies
aanleiding gegeven. Deze werden echter niet zo zeer door
belangenorganisaties geïnitieerd als wel door delegaties zèlf,
die immers nationale productie- of consumptiebelangen
verdedigden. De dreiging bestond dat in het geheel geen
distributierecht zou worden opgenomen omdat de voorstanders
van het ene en het andere alternatief ongeveer gelijk verdeeld
waren. Uiteindelijk is een voorstel (art. 6) aangenomen dat
een distributierecht introduceert (op zich uniek in het
auteursrecht) maar landen volledig de vrijheid laat uitputting
na de eerste verkoop te regelen.
De Nederlandse delegatie
heeft de mogelijkheid van internationale uitputting bepleit
(in lijn met de eerdergenoemde motie van 4 december 1996). De
aangenomen tekst laat de landen de vrijheid hun bestaande
regime van distributierecht en uitputting te handhaven of
nader te regelen. In een verklaring is nog eens bevestigd dat
het distributierecht (en de uitputtingsregel) beperkt is tot
stoffelijke voorwerpen.
4.7 Verhuurrecht
Het in het ontwerp-verdrag
opgenomen voorstel over het verhuurrecht (art. 7) is - wederom
onder druk van de ontwikkelingslanden - teruggebracht tot het
niveau dat reeds in (art. 14 lid 4 van) het TRIPs-verdrag is
verzekerd. In deze vorm heeft het artikel een enigszins
willekeurig karakter. Politiek bleek niet meer mogelijk. In
een Agreed Statement is neergelegd dat deze bepaling lidstaten
die geen verhuurrecht voor fonogrammen kennen niet verplicht
een dergelijk recht te introduceren.
4.8 Openbaarmakingsrecht /
interactieve ter beschikkingstelling
Het - sterk op een door de EG
in mei 1996 gemaakt voorstel geïnspireerde bepaling over het -
zogenaamde 'making available'-recht is door de conferentie
aanvaard (art. 8). Het gaat hier om de introductie van een
algemeen openbaarmakingsrecht, waaronder ook zogenaamde
on-demand- of interactieve systemen zouden vallen. Veel
betrokkenen beschouwen dit nieuwe openbaarmakingsrecht als de
grootste verworvenheid van de conferentie.
Er bestond onvoldoende steun
voor uitbreiding van dit recht tot zogenaamde
'near-on-demand-systemen'. Voorts is een Agreed Statement bij
dit artikel aangenomen dat inhoudt dat het enkele verschaffen
van de faciliteiten om een werk openbaar te maken of het
verschaffen van de middelen daartoe buiten het bereik van het
recht blijven. Het gaat bij dit laatste vooral om een
handreiking naar de telecommunicatie-industrie. Het luidt als
volgt: 'It is understood that the mere provision of
physical facilities for enabling or making a communication
does not in itself amount to communication within the meaning
of this Treaty or the Berne Convention. It is further
understood that nothing in Article 8 precludes a Contracting
Party from applying Article 11bis(2).'
De Nederlandse delegatie
ondersteunde het voorgestelde artikel. Het begrip
'openbaarmaken' in de Auteurswet is zodanig flexibel dat ook
nieuwe openbaarmakingsvormen als die via Internet of andere
elektronische netwerken (via draad of draadloos) onder dat
begrip vallen.[18] In een
overmoedige bui kan men zelfs volhouden dat de wereld de
Nederlandse standaard heeft overgenomen.
4.9 Beperkingen
In art. 10 zijn algemene
normen voor het maken van beperkingen op het auteursrecht
opgenomen. Par. 1 beoogt aan te sluiten bij de verwante
bepalingen in art. 9 lid 2 BC en art. 13 TRIPs-verdrag en
heeft een norm voor beperkingen die geldt voor de rechten die
in dit verdrag zijn geregeld. In een Agreed Statement wordt
tevens verwezen naar bepaalde bij het maken van beperkingen te
betrekken belangen, zoals onderwijs en onderzoek. Volgens dat
Statement zijn de op grond van de Berner Conventie toegelaten
beperkingen en uitzonderingen in beginsel ook in de digitale
omgeving van toepassing. Bovendien staat het de aangesloten
staten vrij nieuwe beperkingen op de rechten aan te brengen
indien daartoe in die omgeving aanleiding bestaat. Een
dergelijke flexibele norm is welkom omdat nog zo moeilijk is
te voorspellen waar in de toekomst de grens moet liggen.
Paragraaf 2 van art. 10
bedoelt een algemene norm te geven voor het gehele
auteursrecht. Ook over art. 10 is een venijnige discussie
gevoerd, waarin bijvoorbeeld lang is stilgestaan bij de vraag
of in art. 10 par. 1 het oorspronkelijk voorgestelde woordje
'only' (zoals aanvankelijk voorgesteld) per se moest
voorafgaan aan de woorden 'in certain special cases'.[19]
4.10 Technische
beschermingsmaatregelen
Het voorstel over technische
beschermingsmaatregelen (art. 11) is teruggebracht naar een
zeer algemene, open norm die landen verplicht in hun wetgeving
'effective remedies' op te nemen tegen middelen die zijn
bedoeld dergelijke maatregelen te ontwijken teneinde inbreuk
op rechten mogelijk te maken.
Het artikel is de neerslag
van een compromis tussen content providers in de VS
enerzijds en consumentenelectronica en andere
hardwarebedrijven in de VS anderzijds. Uitdrukkelijk is het
verband gelegd met het mogelijk maken van inbreuk op
(exclusieve of vergoedings)rechten. Nederland behoeft met een
dergelijke - bijna als beginselbepaling op te vatten -
regeling (die in de toekomst op andere, bijvoorbeeld Europese
niveaus wel nader uitgewerkt zal gaan worden) geen moeite te
hebben.
4.11 Beheer van
elektronische rechten
Het voorstel over middelen om
beheersinformatie over elektronische rechten tegen
vervalsing en verwijdering van die informatie te
beschermen is in iets gewijzigde vorm aangenomen. De
Nederlandse delegatie was geen grote voorstander van de
oorspronkelijke bepaling omdat nog niet zo duidelijk is
waarover het eigenlijk gaat. In het aangenomen voorstel is een
verband gelegd tussen 'wetenschap' en het mogelijk maken van
of bijdragen aan het maken van inbreuk, een eis waarmee goed
te leven valt. De strekking van dit artikel is beperkt tot de
exclusieve of vergoedingsrechten die aan dit verdrag of de
Berner Conventie kunnen worden ontleend. In een Agreed
Statement is bovendien neergelegd dat deze bepaling geen
aanknopingspunt biedt om formaliteiten op te leggen die niet
door de Berner Conventie zijn toegestaan (zoals een eis dat
werken die via het internet ter beschikking worden gesteld
dergelijke informatie moeten bevatten) of om het vrij verkeer
van goederen te belemmeren.
4.12 Handhaving van
rechten
Beide ontwerp-verdragen
behelsden de incorporatie van de artikelen 41-61 TRIPs-verdrag
over de handhaving van rechten. Veel landen maakten bezwaar
tegen de suggestie van de band met dat verdrag, met alle
verwikkelingen rond verwijzing van conflicten over
interpretatie naar de TRIPs-Council en dergelijke. Het verdrag
bevat thans een algemene 'instructienorm' die landen oplegt
effectieve handhavingsmiddelen in hun wetgeving op te nemen
ter bescherming van de in dit verdrag geregelde rechten.
De Nederlandse delegatie was
geen voorstander van letterlijke overneming van de
TRIPs-bepalingen gezien de onduidelijkheid die hier te lande
bestaat over de interpretatie van met name art. 50 lid 6 van
dat verdrag.[20]
In andere landen van de EG (zoals Duitsland) bestaan
overigens soortgelijke interpretatieproblemen. Veel andere
landen waren beducht voor de mogelijke toepassing van de
procedure voor de TRIPs-Council. De gevonden oplossing vond
algehele steun.
5. WIPO Performances and
Phonograms Treaty
5.1 Preambule
In de preambule is vrijwel
dezelfde laatste nieuwe overweging als bij het WIPO Copyright
Treaty opgenomen.
5.2 Bescherming van
filmacteurs
Het meest belangrijke en
gevoelige onderwerp van het ontwerp-verdrag over naburige
rechten is geweest de bescherming van uitvoerende
kunstenaars in audio-visuele producties. De EG was -
tezamen met onder meer de groepen van Afrikaanse en
Latijns-Amerikaanse landen - voorstander (het ene land nog wat
meer dan het andere) van deze bescherming, de Verenigde Staten
- 's werelds grootste producent van films en andere
audiovisuele producties - waren daarvan een tegenstander. De
VS voelden er weinig voor hun bestaande systeem, waarin de
belangen van filmacteurs in het kader van collectieve en
vakbondsonderhandelingen worden gewaarborgd, overboord te
gooien. Over deze kwestie is (wellicht te) lang onderhandeld,
vooral tussen de EG en de VS. Veel landen hebben de voortgang
van deze onderhandelingen afgewacht en voortgang op andere
punten geblokkeerd omdat men wilde dat de EG en de VS eerst op
dit punt moesten laten zien bereid waren tot onderhandelingen
en compromissen.
Hoewel de VS voorstellen
hebben gedaan die optisch in de richting van het EG-standpunt
bewogen en voor een aantal EG-Lid-Staten bespreekbaar waren,
is het niet tot overeenstemming gekomen. Een aantal andere EG
Lid-Staten zag vooral in punten van het VS-voorstel als het
beginsel van vrije overdracht van rechten, het
vermoeden van overdracht van rechten (aan producenten) en
de vrijheid van landen om aan bescherming op eigen wijze
vorm te geven (bijvoorbeeld door collectieve
onderhandelingen) een onoverkomelijk struikelblok. Hierbij
spelen nog twee andere kwesties. Het zou namelijk van de
formulering van de bepaling kunnen afhangen welk rechtsstelsel
op een rechtsverhouding van toepassing is. Met een voorbeeld
verduidelijkt: zelfs op een in Europa geschoten film, met
Europese acteurs en een Europees script, zou Amerikaans recht
van toepassing kunnen zijn indien aanknopingspunt is de
nationaliteit of vestigingsplaats van de producent. De
andere kwestie hangt samen met in veel landen bestaande
systemen ter vergoeding van door privé-kopiëren misgelopen
inkomsten (de thuiskopie).[21]
Op de conferentie is -
vermoedelijk toch méér dan slechts een doekje voor het bloeden
- een Resolutie aangenomen die de landen verplicht in de
eerste helft van het 1997 wederom bijeen te komen over deze
kwestie teneinde te bezien via welke weg op redelijke termijn
een oplossing kan worden gevonden.[22]
Het gevolg is evenwel dat het
tweede verdrag beperkt is tot bescherming van uitvoerende
kunstenaars van op fonogrammen opgenomen werken (zie de
definities van art. 2). De Nederlandse delegatie was
voorstander van bescherming van uitvoerende kunstenaars in
audio-visuele producties maar vond de VS-voorstellen op zich
geen breekpunt. Thans is evenwel in het verdrag gekozen voor
alternatief A van het ontwerp-verdrag, waarbij wordt
aangetekend dat niet is gekozen voor (verdere) beperking tot
'musical' performances. In een Agreed Statement is duidelijk
gemaakt dat landen verdergaande bescherming mogen toekennen.
Voorts is in een Agreed Statement bepaald dat incorporatie van
een fonogram in een film of ander audio-visueel werk de
regeling van het fonogrammenrecht niet beïnvloed.
Voor de goede orde: op de
conferentie is ook aanvaard dat onder uitvoerende kunstenaars
worden begrepen diegenen die uitingen van folklore uitvoeren.
De betekenis van deze toevoeging ligt vooral in een
handreiking naar de Afrikaanse delegaties, die erg op een
dergelijke voorziening hebben aangedrongen.
5.3 Nationale behandeling
Met de vorige kwestie stond
in nauw verband de kwestie van 'national treatment'.
Het in de Berner Conventie neergelegde beginsel dat onderdanen
van bij de BC aangesloten lidstaat A in bij de BC aangesloten
lidstaat B dezelfde bescherming moeten genieten als de
onderdanen van lid-staat B, is ook neergelegd in de Conventie
van Rome. Daar heeft het echter een andere (meer beperkter)
betekenis dan in de Berner Conventie en bovendien zijn op het
beginsel meer uitzonderingen van toepassing. Het gaat hier
vooral om de vraag wie gerechtigd is tot de opbrengsten uit
private copying schemes (thuiskopieregelingen) en ook over
de vraag of regels over de thuiskopie wel tot het gebied van
de naburige rechten behoren. Op deze conferentie bleek dat de
'betalende landen' (waaronder de EG-Lid-Staten) een oplossing
zochten die minstens even restrictief was als de Conventie van
Rome en het TRIPs-verdrag mogelijk maken. De 'ontvangers' (met
name de Verenigde Staten) stonden vanzelfsprekend een
ruimhartig(er) begrip (vergelijkbaar met het BC-model) voor.
Uiteindelijk heeft men zich kunnen vinden in een door de
Zwitserse delegatie voorgestelde restrictieve benadering. De
Nederlandse delegatie heeft de restrictieve EG-benadering
ondersteund en kon met het resultaat goed leven.
5.4 Verhuurrecht,
distributierecht en 'making available'-recht
Wat betreft het verhuurrecht,
het distributierecht en het 'making available'-recht[23]
zijn dezelfde bepalingen opgenomen als in het WIPO Copyright
Treaty. Voor het reproductierecht geldt dat een algemeen
reproductierecht zoals dat is neergelegd in de Berner
Conventie, niet is neergelegd in de Conventie van Rome
of het andere verdrag over naburige rechten, de Conventie van
Genève. Van de voorgestelde artikelen 7 (voor uitvoerende
kunstenaars) en 14 (voor fonogrammenproducenten) is het eerste
lid gehandhaafd met dien verstande dat daaruit de woorden
'whether permanent or temporary' zijn verwijderd. Die bepaling
vulde het gat in de verdragen terzake van het
reproductierecht. Tegelijkertijd is in een Statement
vastgesteld dat ook de naburige rechten (en de beperkingen
daarop) volledig van toepassing zijn in de digitale omgeving.
Het is niet de bedoeling
geweest de betekenis van deze bepaling ook maar op enigerlei
wijze anders te doen zijn als onder het WIPO Copyright Treaty.
5.5 Openbaarmakingsrecht
en omroep
Het recht van openbaarmaking
en omroep zoals dat was neergelegd in het ontwerp-verdrag (en
in feite is gebaseerd op de Conventie van Rome) is grotendeels
gehandhaafd (art. 15). De artikelen 12 en 19 zijn bij elkaar
gevoegd. Het aanvankelijke lid 4 in beide artikelen is
verdwenen. Openbaarmaken van fonogrammen is historisch een
heikel punt in de naburige rechten. Art. 12 CvR maakt mogelijk
dat lidstaten hiervoor een vergoedingsrecht in hun wetgeving
opnemen maar op dat uitgangspunt maakt art. 16 CvR
uitzonderingen (in de zin van: helemaal geen recht) mogelijk.
De fonogrammenindustrie vindt dat achterhaalde regelgeving.
Zij bepleit onder meer exclusieve rechten voor 'digital
broadcasting', waarbij omroepsignalen via nieuwe
technologieën worden verspreid. Het gaat vooral om een veel
ruimere keuze aan exploitatiemogelijkheden, zoals abonnee-tv,
pay-per-view en multichannel broadcasting. Hoewel het
ontwerp-verdrag het CvR-beginsel overnam, bracht art. 12 lid 4
van het voorstel bepaalde vormen van openbaarmaking ('which
can only be received on the basis of subscription and against
payment of a fee') buiten de mogelijkheid daarop het
vergoedingsrecht niet van toepassing te verklaren. Veel landen
achtten die bepaling niet helder genoeg.
De Verenigde Staten stelden
een wijziging van de artikelen 12 en 19 voor met als strekking
de creatie van een nieuw (in beginsel absoluut) recht van
digital broadcasting. Dat voorstel is bij gebreke aan
voldoende steun weer ingetrokken, hetgeen na het
hiervoorgaande geen verrassing zal zijn. Op de conferentie is
- met het oog op de toekomst - desondanks een Agreed Statement
aangenomen over dit onderwerp. Dat komt erop neer dat op deze
Conferentie slechts een 'status quo' is bereikt zonder dat de
discussie over dit onderwerp als afgesloten moet worden
beschouwd. In het Statement is verklaard dat de delegaties
over de reikwijdte van rechten, met name de vraag of en onder
welke omstandigheden aanleiding bestond verbodsrechten in het
leven te roepen, nog geen overeenstemming konden bereiken. Ook
hier geldt dus het credo: 'wordt vervolgd!'.
5.6 Morele rechten en
modificatierecht
In het verdrag is een
bepaling over morele rechten van uitvoerende kunstenaars
opgenomen (art. 5). Deze bepaling is iets beperkter van
strekking dan het voorstel in het ontwerp-verdrag. Met name de
VS hebben zich lang verzet tegen opneming van dit artikel.
Het voorstel over het
modificatierecht heeft onvoldoende steun gekregen. Wel is
tijdens de conferentie komen vast te staan dat de delegaties
van mening zijn dat bestaande rechten (met name het
reproductierecht en de morele rechten) voldoende bescherming
tegen onrechtmatige modificatie vormen. De Nederlandse
delegatie was geen voorstander van een dergelijk nieuw recht
en kon zich vinden in de opstelling van de meerderheid van de
delegaties.
5.7 Handhaving van rechten
Dezelfde bepaling over
handhaving van rechten als in het WIPO Copyright Treaty is ook
in het verdrag over naburige rechten opgenomen.
6. Juridische bescherming
van databanken
Zoals hiervoor al werd
gesteld, is op de conferentie het derde ontwerp-verdrag over
bescherming van databanken niet behandeld. De indruk vooraf
was al dat dit voorstel vooral was gedaan om tegenover de
ontwikkelingslanden wisselgeld te hebben bij het 'binnenhalen'
van de andere verdragen.
Nederland was zeer
terughoudend terzake van het derde ontwerp-verdrag. Geen
enkele aangesloten staat heeft ervaring met de voorgestelde
nieuwe beschermingsvorm. Over de betekenis van de EG-richtlijn
van maart van vorig jaar[24]
bestaat nog veel onduidelijkheid en onzekerheid.
Over bescherming van
databanken is evenwel een Aanbeveling aangenomen, met ongeveer
dezelfde strekking als de Resolutie over de bescherming van
uitvoerende kunstenaars in audio-visuele producties. De
Aanbeveling komt erop neer dat - aangezien databanken worden
gezien als een vitaal element in de ontwikkeling van de
informatiemaatschappij - nadere studie nodig is en dat in de
eerste helft van 1997 moet worden beslist over de vraag hoe
men alsnog een internationale regeling kan krijgen.[25]
7. Conclusie
Tot zover het verslag van de
conferentie. In EG-verband zal op korte termijn - onder
Nederlands voorzitterschap - worden gepraat over de vraag of
de EG en de Lid-Staten zullen toetreden tot beide verdragen.
Nederland zal afzonderlijk antwoord moeten geven op de vraag
of het de verdragen wil ondertekenen en ratificeren. Het staat
wel vast dat de verdragen voor Nederland niet tot ingrijpende
wijzigingen van de wetgeving zullen leiden. In de Wet Naburige
Rechten zal voor het making available-recht een bepaling
moeten worden gemaakt en moet iets over folklore worden
geregeld.[26] Ook de
bepaling over middelen tot bescherming van elektronische
beheersinformatie zal tot nieuwe wetgeving moeten leiden. Te
verwachten is echter dat in EG-verband in het kader van de
follow-up op het Groenboek een aantal nieuwe richtlijnen zal
worden besproken. De bedoeling van de Europese Commissie is om
deze na de zomer van 1997 te presenteren. Dan bestaat op
Europees niveau dus de noodzaak de invloed van de nieuwe
technologieën op het auteursrecht en de naburige rechten nader
te beschouwen.
Op WIPO-niveau zal binnenkort
verder worden gesproken over bescherming van filmacteurs en
van databanken. Er zijn ook plannen om besprekingen te openen
over (naburige) rechten van omroeporganisaties. De
internationale agenda is dus behoorlijk gevuld.
[1] De verdragen zijn
gepubliceerd in deze aflevering van Informatierecht/AMI.
[2] Mr E.J. Arkenbout
(Ministerie van Justitie) was lid van de Nederlandse delegatie
bij de Conferentie. Dit artikel is een bewerkte versie van een
verslag van de conferentie dat in een eerder stadium naar
belanghebbenden is verzonden.
[3] WIPO documenten
CRNR/DC/4-6, d.d. 30 augustus 1996. Voor een bespreking van
deze documenten, zie E.J. Arkenbout, 'Nieuwe internationale
regels over auteursrecht en naburige rechten', IER
1996/5, p. 176-182.
[4] H. Cohen Jehoram,
'Eerste reeks WIPO-voorstellen voor een Protocol bij de Berner
Conventie', Informatierecht/AMI 1992/1, p. 3-9 en 'Het
Protocol bij de Berner Conventie tussen crisis en hoop',
Informatierecht/AMI 1993/4, p. 68-72 (ook in: H. Cohen
Jehoram, Kernpunten van auteursrecht , Nijmegen: Ars
Aequi Libri 1993, p. 224 e.v. en p. 241 e.v.).
[5] TK 1996-1997, 25 154,
nr 1 - Nieuw verdrag auteursrecht (ook afgedrukt in
Informatierecht/AMI 1997/1, p. 18, red .) en het
verslag van de beraadslagingen, TK 34-2794.
[6] Zie ook hierna, par.
4.6.
[7] De bijeenkomst en
samenstelling van deze groep vloeide voort uit een in mei 1996
gesloten compromis tussen de wèl en de
niet-geïndustrialiseerde wereld, dat de organisatie van de
conferentie had mogelijk gemaakt. De ene groep van 15 bestond
uit telkens vijf afgevaardigden uit respectievelijk
Latijns-Amerika, Azië en Afrika, en de andere groep uit een
afvaardiging van zeven EG-afgevaardigden (inclusief de
Europese Commissie), de VS, Canada, Australië, Japan, Rusland,
Zwitserland en twee landen uit Oost- en Centraal Europa. De
bijeenkomst werd voorgezeten door J. Liedes (Finland) en een
Chinees (eveneens een onderdeel van het compromis).
[8] Daarbij werd niet te
lang geaarzeld over uitbreiding van het aantal posten als
daarmee een aanvaardbare verdeling van zetels mogelijk werd.
Voor de schrijver van dit stuk werd toen eens te meer
duidelijk hoeveel belangrijker kwesties dan het auteursrecht
in de wereld spelen.
[9] Jukka Liedes had reeds
vanaf 1991 ook de voorbereidende deskundigen-vergaderingen in
Genève voorgezeten.
[10] Zie ook hierna, par.
6.
[11] WIPO Copyright
Treaty, WIPO-document CRNR/DC/94, 23 december 1996; WIPO
Performances and Phonograms Treaty, WIPO-document CRNR/DC/95,
23 december 1996.
[12] Agreed Statements
concerning the WIPO Copyright Treaty, WIPO-document
CRNR/DC/96, 23 december 1996; Agreed Statements concerning the
WIPO Performances and Phonograms Treaty, WIPO-document
CRNR/DC/96, 23 december 1996.
[13] Zie Trb.
1995, 130.
[14] Zie bijvoorbeeld
Vrij Nederland van 1 februari 1997, p. 26.
[15] Vgl. voor het belang
van deze discussie bijv. Hugenholtz, 'Adapting
Copyright to the Information Superhighway', in:
The Future of Copyright in a Digital Environment (Information
Law Series, Kluwer, The Hague, London, Boston 1996), p.
81.
[16] Aangenomen bij art.
1 lid 4 van het verdrag.
[17] Verg. het recente
proefschrift van D.J.G. Visser, Auteursrecht op toegang, de
exploitatierechten van de auteur in het tijdperk van digitale
informatie en netwerkcommunicatie , Den Haag: VUGA
Uitgeverij, 1997. Visser bepleit afschaffing van het
reproductierecht.
[18] Zie Visser,
Auteursrecht op toegang , p. 83 e.v.
[19] Vgl. art. 9 BC en 13
TRIPs-verdrag, die dat woordje niet bevatten maar overigens
dezelfde bewoordingen hebben.
[20] Vgl. o.a. T. Cohen
Jehoram en W.J.M. Diekman, 'De directe werking van TRIPs',
Informatierecht/AMI 1996/7, p. 127-136.
[21] Over de kwestie van
nationale behandeling, zie ook hierna par. 5.3.
[22] Deze bijeenkomst
vond plaats op 20 en 21 maart 1997. Over de uitkomsten daarvan
zal waarschijnlijk ook in dit blad worden bericht.
[23] Over de 'andere'
rechten van openbaarmaking, zie de hierna volgende paragraaf.
[24]
Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11
maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken,
Pb.EG 1996 L 77/20 van 27 maart 1996.
[25] Net als voor de
bescherming van filmacteurs is op 20 en 21 maart 1997 in
Genève een besluit genomen over de verdere procedure. Op het
moment van schrijven van dit artikel was dat besluit nog niet
bekend.
[26] Zie hierover D.J.G.
Visser, 'WIPO wijzigingen voor de WNR', Informatierecht/AMI
1997/2, p. 27-28.
|