Nieuwe verdragen over auteursrecht en naburige rechten[1]
Informatierecht/AMI 1997

mr. E.J. Arkenbout[2]


Van 2-20 december 1996 vond in Genève in het kader van de World Intellectual Property Organization (WIPO) een Diplomatieke Conferentie plaats over drie ontwerp-verdragen op het gebied van auteursrecht, naburige rechten en databanken (hierna 'Basic Proposals').[3] Hierna volgt een verslag van de conferentie en een toelichting op de resultaten.

1. Aanloop tot de conferentie

Sinds de laatste wijziging van de Berner Conventie (in 1971) heeft de technologie zich sterk ontwikkeld en is ook het besef van het belang van auteursrecht en naburige rechten (zowel voor rechthebbenden als voor gebruikers) gegroeid. Ondanks (sommigen zeggen: dankzij) het toegenomen aantal aangesloten staten is begin jaren negentig door het Internationaal Bureau van de World Intellectual Property Organization de beslissing genomen om te bezien of de Berner Conventie een update moest ondergaan en of de bescherming van naburige rechten kon worden verbeterd. Cohen Jehoram heeft dat proces mooi beschreven.[4] De besprekingen in het kader van de WIPO hebben enige jaren lang op een laag pitje gestaan. De meeste aandacht ging toen uit naar de ontwikkelingen rond de Wereld Handels Organisatie en met name naar het onderdeel van het Wereld Handels Verdrag dat betrekking had op rechten van intellectuele eigendom (het TRIPs-verdrag). Er wordt wel beweerd dat toen eenmaal in het kader van de WHO de Verenigde Staten duidelijk werd dat op auteursrechtelijk gebied niet méér kon worden binnengehaald, zij hun aandacht verplaatsten naar de WIPO. Vanaf dat moment maakten ook onderwerpen die betrekking hadden op de nieuwe digitale technologieën onderwerp van de besprekingen uit (de 'digitale agenda'). In mei van 1996 - toen inmiddels een behoorlijk aantal voorstellen voor nieuwe verdragsteksten op tafel lagen - is besloten dat een Diplomatieke Conferentie moest worden georganiseerd. Het was de delegatie van de VS een lief ding geweest als de aangesloten staten vervolgens hadden besloten dat een conferentie zou plaatsvinden nog vóór de Presidentsverkiezingen in november van het vorig jaar. Dat is net niet gelukt.

Vanaf de verspreiding van de teksten van de ontwerp-verdragen (per 30 augustus 1996) zijn in tal van nationale en internationale verbanden consultatierondes georganiseerd. Daarvoor was echter niet erg veel tijd beschikbaar, hetgeen bij sommige belanghebbenden de indruk wekte dat met hun belangen geen of te weinig rekening werd gehouden. Met name vanaf zo'n anderhalve maand voor de conferentie verliepen de discussies over de pro's en contra's van de voorstellen steeds turbulenter. Die turbulentie woedde tijdens de conferentie onverdroten voort. Belangengroeperingen - voorzover ze al niet deel uitmaakten van nationale delegaties of deze bereid vonden hun standpunten tijdens de beraadslagingen naar voren te brengen - lieten geen mogelijkheid onbenut om delegatieleden te overtuigen van het ene of juist het andere standpunt.

Waarschijnlijk het enige parlement ter wereld (in ieder geval in de EG) dat zich vooraf en plenair bemoeide met de voorstellen voor de conferentie, was de Nederlandse Tweede Kamer. Op 10 december 1996 nam de Kamer in een zogenaamd 'twee minuten-debat' een (op 4 december 1996 ingediende) kamerbrede motie aan met de strekking dat Nederland moest zien te voorkomen dat consumptief gebruik van werken (waaronder 'browsen') aan auteursrechtelijke toestemming werd verbonden.[5] De motie keerde zich ook tegen het (in één van de in de ontwerp-verdragen neergelegde alternatieven voorgestelde) recht van import: oftewel het distributierecht met nationale uitputting.[6] De motie was een steun in de rug voor het reeds bestaande beleid van de Nederlandse regering.

2. Verloop van de conferentie

Het begin van de conferentie werd voorafgegaan door bijeenkomsten van enige 'informele' en 'formele' groepen van landen, waarin (afvaardigingen van) delegaties de gelegenheid kregen hun standpunten over zowel formele als materiële kwesties naar voren te brengen. Nederland was vertegenwoordigd in de zogenaamde '15+15' overleggroep (een groep van ontwikkelde en ontwikkelingslanden[7] ) en in de groep van gendustrialiseerde landen. Ook was Nederland vertegenwoordigd in een formele overleggroep, genaamd Groep B, die ook in andere organen van de Verenigde Naties een rol speelt. De Lid-Staten van de Europese Gemeenschap en de Europese Commissie kwamen daarnaast tijdens de conferentie vaak enige malen per dag bijeen om de standpunten te coördineren.

De eerste vier dagen van de conferentie zijn voornamelijk besteed aan politieke kwesties, waaronder het vaststellen van de procedureregels, het afleggen van openingsverklaringen en het bezetten van posten in de verschillende comités. Het ging wat betreft het laatste punt vooral om enerzijds de bezetting van de posten van president van de conferentie (een vooral ceremoniële functie, die toeviel aan de Keniase ambassadrice bij de VN in Genève) en het voorzitterschap van Main Committee I (waarin op de inhoudelijke kant van de zaak werd ingegaan) en anderzijds de verdeling van alle beschikbare posten over de regio's en invloedssferen.[8] Dat het voorzitterschap van Main Committee I toeviel aan de uit Finland afkomstige Jukka Liedes[9] was geen verrassing (en bovendien een gelukkige keuze) maar daarvoor is wel een politieke prijs betaald.

De (inhoudelijke) informele en formele onderhandelingen over de ontwerp-verdragsteksten startten de facto op 6 december. Spoedig kwam vast te staan dat het derde ontwerp-verdrag (over juridische bescherming van databanken) op te weinig steun zou kunnen rekenen, zodat daarover niet meer inhoudelijk is gesproken.[10]

In de tweede week van de conferentie werd op inhoudelijk gebied nauwelijks enige vooruitgang geboekt. Na de eerste volledige exercitie door de ontwerp-verdragen over het auteursrecht en de naburige rechten, presenteerde de voorzitter van Main Committee I op donderdag 12 december herziene versies van de eerste twee verdragen. Hoewel dat op dat moment niet aanstonds duidelijk was, werden in deze versies de belangrijkste onderwerpen (reproductierecht, openbaarmakingsrecht, distributierecht, beperkingen, bescherming van filmacteurs, national treatment) niet aangeraakt. De opzet van de voorzitter was om zoveel mogelijk minder belangrijke punten uit de weg te ruimen, waarna discussie over de hete hangijzers zou kunnen aanvangen. Dat lukte echter niet. Aangezien bovendien de vele informele contacten tussen landen en groepen niet tot (voorlopige) compromissen leidden, besloot de voorzitter dat vanaf zondagmiddag 15 december de delegaties buiten aanwezigheid van niet-gouvernementele organisaties en pers verder moesten. Vanaf dat moment werden de contouren van de nieuwe verdragen langzaam maar zeker duidelijk.

Het is overigens nog lange tijd onzeker geweest of sowieso verdragen tot stand zouden komen. Ook is enige tijd rekening gehouden met slechts één verdrag (over auteursrecht).

In zeker opzicht is het jammer dat de meest interessante discussies dus nooit gepubliceerd zullen worden. Er kan wel dit van gezegd worden dat puur-juridische overwegingen niet de doorslag hebben gegeven bij de totstandkoming van de uiteindelijke tekstversies.

Op donderdagavond 19 december werd informeel in grote lijnen overeenstemming over twee verdragen bereikt. Pas op vrijdagavond kort voor het middernachtelijk uur van de - officieel - laatste conferentiedag werd overeenstemming over het laatste onderwerp - een verklaring over het reproductierecht - bereikt en konden twee nieuwe verdragen worden aangenomen.

3. Overzicht van de resultaten; inleiding

In het hierna volgende overzicht wordt ingegaan op de voor Nederland en de voor de conferentie meest belangrijke punten. Ik zal voorbij gaan aan de institutionele bepalingen, die betrekking hebben op toetreding, stemrechten en andere voor auteursrechtbeoefenaren minder wezenlijke punten. Hier en daar wordt verwezen - voor het auteursrecht - naar de Berner Conventie (BC) en - voor de naburige rechten - naar de Conventie van Rome (CvR). De teksten van de totstandgekomen verdragen zijn inmiddels zowel via de Internet home-page van WIPO als op papier beschikbaar.[11] Van belang zijn ook de Agreed Statements die bij beide verdragen zijn aangenomen.[12] Zowel de verdragen als de Statements zijn als bijlagen bij deze aflevering van Informatierecht/AMI opgenomen. De titels van de twee nieuwe verdragen zijn zonder veel omhaal van woorden vastgesteld.

4. WIPO Copyright Treaty

4.1 Preambule

In de preambule zijn ten opzichte van het ontwerp-verdrag over auteursrecht nieuwe overwegingen opgenomen, voornamelijk op initiatief van enige ontwikkelingslanden. De achtergrond van deze teksten is dat men er van verschillende kanten erg op heeft aangedrongen tot uitdrukking te brengen dat enerzijds de noodzaak bestond tot verhoging van het beschermingsniveau en tot toepasselijkverklaring van het auteursrecht in de digitale omgeving maar dat dit anderzijds niet ten koste mocht gaan van de bescherming van algemene belangen, zoals die van onderwijs, onderzoek en toegankelijkheid van informatie.

4.2 Reikwijdte van auteursrecht

Voorts is een artikel aangenomen (art. 2) dat expliciet tot uitdrukking brengt dat auteursrechtbescherming zich niet uitstrekt tot ideeën, procedures, werkwijzen of mathematische concepten als zodanig. Voor de meeste landen betekent dit artikel niets bijzonders. De bepaling heeft vooral een signaalfunctie.

4.3 Software en gegevenscompilaties

Over de artikelen 4 (computerprogrammatuur) en 5 (gegevenscompilaties) is lang gediscussieerd. Met name ontwikkelingslanden verzetten zich tegen teksten die in hun ogen verplichtingen inhielden die boven het in het TRIPs-verdrag (1994)[13] neergelegde niveau uitgingen. De uiteindelijke teksten wijken niet veel af van de teksten in het Basic Proposal. In Agreed Statements is nog eens herhaald dat deze bepalingen inhoudelijk niet afwijken van de TRIPs-standaard.

4.4 Dwanglicenties

In het ontwerp-verdrag werd aanvankelijk voorgesteld de schrapping van de mogelijkheid die de Berner Conventie thans nog biedt om zowel terzake van 'primary broadcasting' als mechanische rechten dwanglicenties te verlenen (zie art. 11bis BC). Voor dat voorstel bleek uiteindelijk onvoldoende steun te bestaan. Veel landen droegen het idee uit dat ook of zelfs juist in de digitale omgeving dergelijke licenties een belangrijke rol kunnen spelen. Het gaat daarbij onder meer om de betekenis van bijvoorbeeld omroeparchieven. De Nederlandse delegatie bepleitte schrapping van het voorgestelde artikel.

4.5 Reproductierecht

Dit onderwerp heeft zowel voor, tijdens als na de conferentie[14] de meeste aandacht getrokken. Vogels van zeer diverse pluimage (bibliotheekwezen, archiefinstellingen, telecomindustrie, elektronische consumentengoederenindustrie) liepen te hoop tegen het voorgestelde art. 7 dat volgens hen tot allerlei ondoordachte, onvoorziene en ongewenste gevolgen zou leiden. Het kwam erop neer dat lid 1 van het voorstel elke elektronische verveelvoudiging, inclusief de tijdelijke (zoals opslag op een diskette) en de zelfs zeer tijdelijke (zoals tijdens het informatieverkeer 'ergens' op de elektronische snelweg), binnen het exclusieve recht haalde. Lid 2 van het voorstel liet de nationale wetgeving toe uitzonderingen te maken voor specifiek omschreven gevallen. Het voorstel is echter uiteindelijk geheel geschrapt. In de discussies over dat onderwerp tussen de aanwezige delegaties bleek een diepgaand verschil van mening te bestaan. Waar een aantal delegaties - zoals de Australische, Singaporese, Zuid-Afrikaanse, Canadese, Noord-Europese en de Nederlandse - meende dat bepaalde handelingen (zoals de louter technische of functionele verveelvoudiging) wegens het ontbreken van enige economische relevantie niet onder het bereik van het auteursrecht thuishoorden, meenden andere delegaties dat bepaalde handelingen slechts via expliciete uitzonderingen op het recht ex art. 9 lid 2 BC jo. art. 12 lid 1 van het ontwerp-verdrag konden worden vrijgesteld.[15] Het is vooral de interne verdeeldheid binnen de Verenigde Staten en - in iets mindere mate - de Europese Gemeenschap geweest, alsmede de sterke lobby van de telecommunicatie-industrie uit de VS, die uiteindelijk tot het laten vallen van art. 7 heeft geleid. Wel is op de conferentie over Statement gestemd, dat als volgt luidde: 'The reproduction right, as set out in Article 9 of the Berne Convention, and the exceptions permitted thereunder, fully apply in the digital environment, in particular to the use of works in digital form. It is understood that the storage of a protected work in digital form in an electronic medium constitutes a reproduction within the meaning of Article 9 of the Berne Convention.'

Dit Statement[16] vond steun bij een grote meerderheid van de aanwezige staten, ook bij landen als Noorwegen, Zuid-Afrika en Australië, die zich sterk tegen het aanvankelijke lid 2 van art. 7 hadden gekeerd.

De Nederlandse delegatie heeft bepleit dat handelingen zoals lezen, luisteren en kijken, alsmede de slechts functionele tijdelijke opslag buiten het bereik van het recht moesten blijven. Dit standpunt vond steun in de eerdergenoemde motie van de Tweede Kamer van 4 december 1996. Nederland heeft bovendien gewaarschuwd tegen overhaaste en gedetailleerde wetgeving op dit voor het auteursrecht zeer belangrijke punt. Met het resultaat kan iedereen in Nederland tevreden zijn, in het bijzonder met de vaststelling dat het auteursrecht volledig van toepassing is in de digitale omgeving. Op de conferentie werd duidelijk dat de discussie over de wenselijkheid van een elektronisch reproductierecht en de reikwijdte daarvan zich nog maar in een beginstadium bevindt.[17]

4.6 Distributierecht

In het ontwerp-verdrag werden twee alternatieven voor het distributierecht voorgesteld: één dat de uitputting van dat recht beperkte tot in het verkeer brengen binnen een nationaal of regionaal territoir, en één dat uitputting op wereldwijde schaal mogelijk maakte. Ook dit onderwerp heeft tot lange en verhitte discussies aanleiding gegeven. Deze werden echter niet zo zeer door belangenorganisaties geïnitieerd als wel door delegaties zèlf, die immers nationale productie- of consumptiebelangen verdedigden. De dreiging bestond dat in het geheel geen distributierecht zou worden opgenomen omdat de voorstanders van het ene en het andere alternatief ongeveer gelijk verdeeld waren. Uiteindelijk is een voorstel (art. 6) aangenomen dat een distributierecht introduceert (op zich uniek in het auteursrecht) maar landen volledig de vrijheid laat uitputting na de eerste verkoop te regelen.

De Nederlandse delegatie heeft de mogelijkheid van internationale uitputting bepleit (in lijn met de eerdergenoemde motie van 4 december 1996). De aangenomen tekst laat de landen de vrijheid hun bestaande regime van distributierecht en uitputting te handhaven of nader te regelen. In een verklaring is nog eens bevestigd dat het distributierecht (en de uitputtingsregel) beperkt is tot stoffelijke voorwerpen.

4.7 Verhuurrecht

Het in het ontwerp-verdrag opgenomen voorstel over het verhuurrecht (art. 7) is - wederom onder druk van de ontwikkelingslanden - teruggebracht tot het niveau dat reeds in (art. 14 lid 4 van) het TRIPs-verdrag is verzekerd. In deze vorm heeft het artikel een enigszins willekeurig karakter. Politiek bleek niet meer mogelijk. In een Agreed Statement is neergelegd dat deze bepaling lidstaten die geen verhuurrecht voor fonogrammen kennen niet verplicht een dergelijk recht te introduceren.

4.8 Openbaarmakingsrecht / interactieve ter beschikkingstelling

Het - sterk op een door de EG in mei 1996 gemaakt voorstel geïnspireerde bepaling over het - zogenaamde 'making available'-recht is door de conferentie aanvaard (art. 8). Het gaat hier om de introductie van een algemeen openbaarmakingsrecht, waaronder ook zogenaamde on-demand- of interactieve systemen zouden vallen. Veel betrokkenen beschouwen dit nieuwe openbaarmakingsrecht als de grootste verworvenheid van de conferentie.

Er bestond onvoldoende steun voor uitbreiding van dit recht tot zogenaamde 'near-on-demand-systemen'. Voorts is een Agreed Statement bij dit artikel aangenomen dat inhoudt dat het enkele verschaffen van de faciliteiten om een werk openbaar te maken of het verschaffen van de middelen daartoe buiten het bereik van het recht blijven. Het gaat bij dit laatste vooral om een handreiking naar de telecommunicatie-industrie. Het luidt als volgt: 'It is understood that the mere provision of physical facilities for enabling or making a communication does not in itself amount to communication within the meaning of this Treaty or the Berne Convention. It is further understood that nothing in Article 8 precludes a Contracting Party from applying Article 11bis(2).'

De Nederlandse delegatie ondersteunde het voorgestelde artikel. Het begrip 'openbaarmaken' in de Auteurswet is zodanig flexibel dat ook nieuwe openbaarmakingsvormen als die via Internet of andere elektronische netwerken (via draad of draadloos) onder dat begrip vallen.[18] In een overmoedige bui kan men zelfs volhouden dat de wereld de Nederlandse standaard heeft overgenomen.

4.9 Beperkingen

In art. 10 zijn algemene normen voor het maken van beperkingen op het auteursrecht opgenomen. Par. 1 beoogt aan te sluiten bij de verwante bepalingen in art. 9 lid 2 BC en art. 13 TRIPs-verdrag en heeft een norm voor beperkingen die geldt voor de rechten die in dit verdrag zijn geregeld. In een Agreed Statement wordt tevens verwezen naar bepaalde bij het maken van beperkingen te betrekken belangen, zoals onderwijs en onderzoek. Volgens dat Statement zijn de op grond van de Berner Conventie toegelaten beperkingen en uitzonderingen in beginsel ook in de digitale omgeving van toepassing. Bovendien staat het de aangesloten staten vrij nieuwe beperkingen op de rechten aan te brengen indien daartoe in die omgeving aanleiding bestaat. Een dergelijke flexibele norm is welkom omdat nog zo moeilijk is te voorspellen waar in de toekomst de grens moet liggen.

Paragraaf 2 van art. 10 bedoelt een algemene norm te geven voor het gehele auteursrecht. Ook over art. 10 is een venijnige discussie gevoerd, waarin bijvoorbeeld lang is stilgestaan bij de vraag of in art. 10 par. 1 het oorspronkelijk voorgestelde woordje 'only' (zoals aanvankelijk voorgesteld) per se moest voorafgaan aan de woorden 'in certain special cases'.[19]

4.10 Technische beschermingsmaatregelen

Het voorstel over technische beschermingsmaatregelen (art. 11) is teruggebracht naar een zeer algemene, open norm die landen verplicht in hun wetgeving 'effective remedies' op te nemen tegen middelen die zijn bedoeld dergelijke maatregelen te ontwijken teneinde inbreuk op rechten mogelijk te maken.

Het artikel is de neerslag van een compromis tussen content providers in de VS enerzijds en consumentenelectronica en andere hardwarebedrijven in de VS anderzijds. Uitdrukkelijk is het verband gelegd met het mogelijk maken van inbreuk op (exclusieve of vergoedings)rechten. Nederland behoeft met een dergelijke - bijna als beginselbepaling op te vatten - regeling (die in de toekomst op andere, bijvoorbeeld Europese niveaus wel nader uitgewerkt zal gaan worden) geen moeite te hebben.

4.11 Beheer van elektronische rechten

Het voorstel over middelen om beheersinformatie over elektronische rechten tegen vervalsing en verwijdering van die informatie te beschermen is in iets gewijzigde vorm aangenomen. De Nederlandse delegatie was geen grote voorstander van de oorspronkelijke bepaling omdat nog niet zo duidelijk is waarover het eigenlijk gaat. In het aangenomen voorstel is een verband gelegd tussen 'wetenschap' en het mogelijk maken van of bijdragen aan het maken van inbreuk, een eis waarmee goed te leven valt. De strekking van dit artikel is beperkt tot de exclusieve of vergoedingsrechten die aan dit verdrag of de Berner Conventie kunnen worden ontleend. In een Agreed Statement is bovendien neergelegd dat deze bepaling geen aanknopingspunt biedt om formaliteiten op te leggen die niet door de Berner Conventie zijn toegestaan (zoals een eis dat werken die via het internet ter beschikking worden gesteld dergelijke informatie moeten bevatten) of om het vrij verkeer van goederen te belemmeren.

4.12 Handhaving van rechten

Beide ontwerp-verdragen behelsden de incorporatie van de artikelen 41-61 TRIPs-verdrag over de handhaving van rechten. Veel landen maakten bezwaar tegen de suggestie van de band met dat verdrag, met alle verwikkelingen rond verwijzing van conflicten over interpretatie naar de TRIPs-Council en dergelijke. Het verdrag bevat thans een algemene 'instructienorm' die landen oplegt effectieve handhavingsmiddelen in hun wetgeving op te nemen ter bescherming van de in dit verdrag geregelde rechten.

De Nederlandse delegatie was geen voorstander van letterlijke overneming van de TRIPs-bepalingen gezien de onduidelijkheid die hier te lande bestaat over de interpretatie van met name art. 50 lid 6 van dat verdrag.[20] In andere landen van de EG (zoals Duitsland) bestaan overigens soortgelijke interpretatieproblemen. Veel andere landen waren beducht voor de mogelijke toepassing van de procedure voor de TRIPs-Council. De gevonden oplossing vond algehele steun.

5. WIPO Performances and Phonograms Treaty

5.1 Preambule

In de preambule is vrijwel dezelfde laatste nieuwe overweging als bij het WIPO Copyright Treaty opgenomen.

5.2 Bescherming van filmacteurs

Het meest belangrijke en gevoelige onderwerp van het ontwerp-verdrag over naburige rechten is geweest de bescherming van uitvoerende kunstenaars in audio-visuele producties. De EG was - tezamen met onder meer de groepen van Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse landen - voorstander (het ene land nog wat meer dan het andere) van deze bescherming, de Verenigde Staten - 's werelds grootste producent van films en andere audiovisuele producties - waren daarvan een tegenstander. De VS voelden er weinig voor hun bestaande systeem, waarin de belangen van filmacteurs in het kader van collectieve en vakbondsonderhandelingen worden gewaarborgd, overboord te gooien. Over deze kwestie is (wellicht te) lang onderhandeld, vooral tussen de EG en de VS. Veel landen hebben de voortgang van deze onderhandelingen afgewacht en voortgang op andere punten geblokkeerd omdat men wilde dat de EG en de VS eerst op dit punt moesten laten zien bereid waren tot onderhandelingen en compromissen.

Hoewel de VS voorstellen hebben gedaan die optisch in de richting van het EG-standpunt bewogen en voor een aantal EG-Lid-Staten bespreekbaar waren, is het niet tot overeenstemming gekomen. Een aantal andere EG Lid-Staten zag vooral in punten van het VS-voorstel als het beginsel van vrije overdracht van rechten, het vermoeden van overdracht van rechten (aan producenten) en de vrijheid van landen om aan bescherming op eigen wijze vorm te geven (bijvoorbeeld door collectieve onderhandelingen) een onoverkomelijk struikelblok. Hierbij spelen nog twee andere kwesties. Het zou namelijk van de formulering van de bepaling kunnen afhangen welk rechtsstelsel op een rechtsverhouding van toepassing is. Met een voorbeeld verduidelijkt: zelfs op een in Europa geschoten film, met Europese acteurs en een Europees script, zou Amerikaans recht van toepassing kunnen zijn indien aanknopingspunt is de nationaliteit of vestigingsplaats van de producent. De andere kwestie hangt samen met in veel landen bestaande systemen ter vergoeding van door privé-kopiëren misgelopen inkomsten (de thuiskopie).[21]

Op de conferentie is - vermoedelijk toch méér dan slechts een doekje voor het bloeden - een Resolutie aangenomen die de landen verplicht in de eerste helft van het 1997 wederom bijeen te komen over deze kwestie teneinde te bezien via welke weg op redelijke termijn een oplossing kan worden gevonden.[22]

Het gevolg is evenwel dat het tweede verdrag beperkt is tot bescherming van uitvoerende kunstenaars van op fonogrammen opgenomen werken (zie de definities van art. 2). De Nederlandse delegatie was voorstander van bescherming van uitvoerende kunstenaars in audio-visuele producties maar vond de VS-voorstellen op zich geen breekpunt. Thans is evenwel in het verdrag gekozen voor alternatief A van het ontwerp-verdrag, waarbij wordt aangetekend dat niet is gekozen voor (verdere) beperking tot 'musical' performances. In een Agreed Statement is duidelijk gemaakt dat landen verdergaande bescherming mogen toekennen. Voorts is in een Agreed Statement bepaald dat incorporatie van een fonogram in een film of ander audio-visueel werk de regeling van het fonogrammenrecht niet beïnvloed.

Voor de goede orde: op de conferentie is ook aanvaard dat onder uitvoerende kunstenaars worden begrepen diegenen die uitingen van folklore uitvoeren. De betekenis van deze toevoeging ligt vooral in een handreiking naar de Afrikaanse delegaties, die erg op een dergelijke voorziening hebben aangedrongen.

5.3 Nationale behandeling

Met de vorige kwestie stond in nauw verband de kwestie van 'national treatment'. Het in de Berner Conventie neergelegde beginsel dat onderdanen van bij de BC aangesloten lidstaat A in bij de BC aangesloten lidstaat B dezelfde bescherming moeten genieten als de onderdanen van lid-staat B, is ook neergelegd in de Conventie van Rome. Daar heeft het echter een andere (meer beperkter) betekenis dan in de Berner Conventie en bovendien zijn op het beginsel meer uitzonderingen van toepassing. Het gaat hier vooral om de vraag wie gerechtigd is tot de opbrengsten uit private copying schemes (thuiskopieregelingen) en ook over de vraag of regels over de thuiskopie wel tot het gebied van de naburige rechten behoren. Op deze conferentie bleek dat de 'betalende landen' (waaronder de EG-Lid-Staten) een oplossing zochten die minstens even restrictief was als de Conventie van Rome en het TRIPs-verdrag mogelijk maken. De 'ontvangers' (met name de Verenigde Staten) stonden vanzelfsprekend een ruimhartig(er) begrip (vergelijkbaar met het BC-model) voor. Uiteindelijk heeft men zich kunnen vinden in een door de Zwitserse delegatie voorgestelde restrictieve benadering. De Nederlandse delegatie heeft de restrictieve EG-benadering ondersteund en kon met het resultaat goed leven.

5.4 Verhuurrecht, distributierecht en 'making available'-recht

Wat betreft het verhuurrecht, het distributierecht en het 'making available'-recht[23] zijn dezelfde bepalingen opgenomen als in het WIPO Copyright Treaty. Voor het reproductierecht geldt dat een algemeen reproductierecht zoals dat is neergelegd in de Berner Conventie, niet is neergelegd in de Conventie van Rome of het andere verdrag over naburige rechten, de Conventie van Genève. Van de voorgestelde artikelen 7 (voor uitvoerende kunstenaars) en 14 (voor fonogrammenproducenten) is het eerste lid gehandhaafd met dien verstande dat daaruit de woorden 'whether permanent or temporary' zijn verwijderd. Die bepaling vulde het gat in de verdragen terzake van het reproductierecht. Tegelijkertijd is in een Statement vastgesteld dat ook de naburige rechten (en de beperkingen daarop) volledig van toepassing zijn in de digitale omgeving.

Het is niet de bedoeling geweest de betekenis van deze bepaling ook maar op enigerlei wijze anders te doen zijn als onder het WIPO Copyright Treaty.

5.5 Openbaarmakingsrecht en omroep

Het recht van openbaarmaking en omroep zoals dat was neergelegd in het ontwerp-verdrag (en in feite is gebaseerd op de Conventie van Rome) is grotendeels gehandhaafd (art. 15). De artikelen 12 en 19 zijn bij elkaar gevoegd. Het aanvankelijke lid 4 in beide artikelen is verdwenen. Openbaarmaken van fonogrammen is historisch een heikel punt in de naburige rechten. Art. 12 CvR maakt mogelijk dat lidstaten hiervoor een vergoedingsrecht in hun wetgeving opnemen maar op dat uitgangspunt maakt art. 16 CvR uitzonderingen (in de zin van: helemaal geen recht) mogelijk. De fonogrammenindustrie vindt dat achterhaalde regelgeving. Zij bepleit onder meer exclusieve rechten voor 'digital broadcasting', waarbij omroepsignalen via nieuwe technologieën worden verspreid. Het gaat vooral om een veel ruimere keuze aan exploitatiemogelijkheden, zoals abonnee-tv, pay-per-view en multichannel broadcasting. Hoewel het ontwerp-verdrag het CvR-beginsel overnam, bracht art. 12 lid 4 van het voorstel bepaalde vormen van openbaarmaking ('which can only be received on the basis of subscription and against payment of a fee') buiten de mogelijkheid daarop het vergoedingsrecht niet van toepassing te verklaren. Veel landen achtten die bepaling niet helder genoeg.

De Verenigde Staten stelden een wijziging van de artikelen 12 en 19 voor met als strekking de creatie van een nieuw (in beginsel absoluut) recht van digital broadcasting. Dat voorstel is bij gebreke aan voldoende steun weer ingetrokken, hetgeen na het hiervoorgaande geen verrassing zal zijn. Op de conferentie is - met het oog op de toekomst - desondanks een Agreed Statement aangenomen over dit onderwerp. Dat komt erop neer dat op deze Conferentie slechts een 'status quo' is bereikt zonder dat de discussie over dit onderwerp als afgesloten moet worden beschouwd. In het Statement is verklaard dat de delegaties over de reikwijdte van rechten, met name de vraag of en onder welke omstandigheden aanleiding bestond verbodsrechten in het leven te roepen, nog geen overeenstemming konden bereiken. Ook hier geldt dus het credo: 'wordt vervolgd!'.

5.6 Morele rechten en modificatierecht

In het verdrag is een bepaling over morele rechten van uitvoerende kunstenaars opgenomen (art. 5). Deze bepaling is iets beperkter van strekking dan het voorstel in het ontwerp-verdrag. Met name de VS hebben zich lang verzet tegen opneming van dit artikel.

Het voorstel over het modificatierecht heeft onvoldoende steun gekregen. Wel is tijdens de conferentie komen vast te staan dat de delegaties van mening zijn dat bestaande rechten (met name het reproductierecht en de morele rechten) voldoende bescherming tegen onrechtmatige modificatie vormen. De Nederlandse delegatie was geen voorstander van een dergelijk nieuw recht en kon zich vinden in de opstelling van de meerderheid van de delegaties.

5.7 Handhaving van rechten

Dezelfde bepaling over handhaving van rechten als in het WIPO Copyright Treaty is ook in het verdrag over naburige rechten opgenomen.

6. Juridische bescherming van databanken

Zoals hiervoor al werd gesteld, is op de conferentie het derde ontwerp-verdrag over bescherming van databanken niet behandeld. De indruk vooraf was al dat dit voorstel vooral was gedaan om tegenover de ontwikkelingslanden wisselgeld te hebben bij het 'binnenhalen' van de andere verdragen.

Nederland was zeer terughoudend terzake van het derde ontwerp-verdrag. Geen enkele aangesloten staat heeft ervaring met de voorgestelde nieuwe beschermingsvorm. Over de betekenis van de EG-richtlijn van maart van vorig jaar[24] bestaat nog veel onduidelijkheid en onzekerheid.

Over bescherming van databanken is evenwel een Aanbeveling aangenomen, met ongeveer dezelfde strekking als de Resolutie over de bescherming van uitvoerende kunstenaars in audio-visuele producties. De Aanbeveling komt erop neer dat - aangezien databanken worden gezien als een vitaal element in de ontwikkeling van de informatiemaatschappij - nadere studie nodig is en dat in de eerste helft van 1997 moet worden beslist over de vraag hoe men alsnog een internationale regeling kan krijgen.[25]

7. Conclusie

Tot zover het verslag van de conferentie. In EG-verband zal op korte termijn - onder Nederlands voorzitterschap - worden gepraat over de vraag of de EG en de Lid-Staten zullen toetreden tot beide verdragen. Nederland zal afzonderlijk antwoord moeten geven op de vraag of het de verdragen wil ondertekenen en ratificeren. Het staat wel vast dat de verdragen voor Nederland niet tot ingrijpende wijzigingen van de wetgeving zullen leiden. In de Wet Naburige Rechten zal voor het making available-recht een bepaling moeten worden gemaakt en moet iets over folklore worden geregeld.[26] Ook de bepaling over middelen tot bescherming van elektronische beheersinformatie zal tot nieuwe wetgeving moeten leiden. Te verwachten is echter dat in EG-verband in het kader van de follow-up op het Groenboek een aantal nieuwe richtlijnen zal worden besproken. De bedoeling van de Europese Commissie is om deze na de zomer van 1997 te presenteren. Dan bestaat op Europees niveau dus de noodzaak de invloed van de nieuwe technologieën op het auteursrecht en de naburige rechten nader te beschouwen.

Op WIPO-niveau zal binnenkort verder worden gesproken over bescherming van filmacteurs en van databanken. Er zijn ook plannen om besprekingen te openen over (naburige) rechten van omroeporganisaties. De internationale agenda is dus behoorlijk gevuld.


[1] De verdragen zijn gepubliceerd in deze aflevering van Informatierecht/AMI.

[2] Mr E.J. Arkenbout (Ministerie van Justitie) was lid van de Nederlandse delegatie bij de Conferentie. Dit artikel is een bewerkte versie van een verslag van de conferentie dat in een eerder stadium naar belanghebbenden is verzonden.

[3] WIPO documenten CRNR/DC/4-6, d.d. 30 augustus 1996. Voor een bespreking van deze documenten, zie E.J. Arkenbout, 'Nieuwe internationale regels over auteursrecht en naburige rechten', IER 1996/5, p. 176-182.

[4] H. Cohen Jehoram, 'Eerste reeks WIPO-voorstellen voor een Protocol bij de Berner Conventie', Informatierecht/AMI 1992/1, p. 3-9 en 'Het Protocol bij de Berner Conventie tussen crisis en hoop', Informatierecht/AMI 1993/4, p. 68-72 (ook in: H. Cohen Jehoram, Kernpunten van auteursrecht , Nijmegen: Ars Aequi Libri 1993, p. 224 e.v. en p. 241 e.v.).

[5] TK 1996-1997, 25 154, nr 1 - Nieuw verdrag auteursrecht (ook afgedrukt in Informatierecht/AMI 1997/1, p. 18, red .) en het verslag van de beraadslagingen, TK 34-2794.

[6] Zie ook hierna, par. 4.6.

[7] De bijeenkomst en samenstelling van deze groep vloeide voort uit een in mei 1996 gesloten compromis tussen de wèl en de niet-geïndustrialiseerde wereld, dat de organisatie van de conferentie had mogelijk gemaakt. De ene groep van 15 bestond uit telkens vijf afgevaardigden uit respectievelijk Latijns-Amerika, Azië en Afrika, en de andere groep uit een afvaardiging van zeven EG-afgevaardigden (inclusief de Europese Commissie), de VS, Canada, Australië, Japan, Rusland, Zwitserland en twee landen uit Oost- en Centraal Europa. De bijeenkomst werd voorgezeten door J. Liedes (Finland) en een Chinees (eveneens een onderdeel van het compromis).

[8] Daarbij werd niet te lang geaarzeld over uitbreiding van het aantal posten als daarmee een aanvaardbare verdeling van zetels mogelijk werd. Voor de schrijver van dit stuk werd toen eens te meer duidelijk hoeveel belangrijker kwesties dan het auteursrecht in de wereld spelen.

[9] Jukka Liedes had reeds vanaf 1991 ook de voorbereidende deskundigen-vergaderingen in Genève voorgezeten.

[10] Zie ook hierna, par. 6.

[11] WIPO Copyright Treaty, WIPO-document CRNR/DC/94, 23 december 1996; WIPO Performances and Phonograms Treaty, WIPO-document CRNR/DC/95, 23 december 1996.

[12] Agreed Statements concerning the WIPO Copyright Treaty, WIPO-document CRNR/DC/96, 23 december 1996; Agreed Statements concerning the WIPO Performances and Phonograms Treaty, WIPO-document CRNR/DC/96, 23 december 1996.

[13] Zie Trb. 1995, 130.

[14] Zie bijvoorbeeld Vrij Nederland van 1 februari 1997, p. 26.

[15] Vgl. voor het belang van deze discussie bijv. Hugenholtz, 'Adapting Copyright to the Information Superhighway', in: The Future of Copyright in a Digital Environment (Information Law Series, Kluwer, The Hague, London, Boston 1996), p. 81.

[16] Aangenomen bij art. 1 lid 4 van het verdrag.

[17] Verg. het recente proefschrift van D.J.G. Visser, Auteursrecht op toegang, de exploitatierechten van de auteur in het tijdperk van digitale informatie en netwerkcommunicatie , Den Haag: VUGA Uitgeverij, 1997. Visser bepleit afschaffing van het reproductierecht.

[18] Zie Visser, Auteursrecht op toegang , p. 83 e.v.

[19] Vgl. art. 9 BC en 13 TRIPs-verdrag, die dat woordje niet bevatten maar overigens dezelfde bewoordingen hebben.

[20] Vgl. o.a. T. Cohen Jehoram en W.J.M. Diekman, 'De directe werking van TRIPs', Informatierecht/AMI 1996/7, p. 127-136.

[21] Over de kwestie van nationale behandeling, zie ook hierna par. 5.3.

[22] Deze bijeenkomst vond plaats op 20 en 21 maart 1997. Over de uitkomsten daarvan zal waarschijnlijk ook in dit blad worden bericht.

[23] Over de 'andere' rechten van openbaarmaking, zie de hierna volgende paragraaf.

[24] Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, Pb.EG 1996 L 77/20 van 27 maart 1996.

[25] Net als voor de bescherming van filmacteurs is op 20 en 21 maart 1997 in Genève een besluit genomen over de verdere procedure. Op het moment van schrijven van dit artikel was dat besluit nog niet bekend.

[26] Zie hierover D.J.G. Visser, 'WIPO wijzigingen voor de WNR', Informatierecht/AMI 1997/2, p. 27-28.


Bijgewerkt 02.11.2007