1. Inleiding
Op het moment van
afronding van dit stuk (17 april 2001) was de
besluitvorming over de richtlijn
van de Raad en het Europees Parlement inzake harmonisatie
van bepaalde aspecten van auteursrecht en naburige rechten
in de informatiemaatschappij vrijwel afgerond. Op 16
maart heeft Coreper (de vergadering van ambassadeurs van
de lidstaten, die de vergaderingen voorbereiden van de
Raden van Ministers, voor deze richtlijn de Interne Markt
Raad) haar instemming met de amendementen uit het advies
in tweede lezing van het Europees Parlement betuigd; begin
april heeft de Raad definitief ingestemd met de richtlijn.
Het wachten is op ondertekening (door de voorzitter van
het Europees Parlement en het vigerende voorzitterschap
van de Raad) en op de publicatie van de richtlijn in alle
talen. Lidstaten hebben na publicatie maximaal achttien
maanden de tijd om de nationale wetgeving aan te passen,
dat betekent dat de richtlijn ongeveer in november 2002
moet zijn omgezet. Daarna is de weg vrij voor de Europese
Gemeenschap en de afzonderlijke lidstaten om (gezamenlijk)
toe te treden tot de twee WIPO verdragen die in december
1996 in het kader van de WIPO zijn aangenomen. Inmiddels
zijn meer dan 20 staten tot elk van deze verdragen
toegetreden. Toetreding door de EG en de lidstaten zal (zo’n
zes jaar na aanvaarding) inwerkingtreding van beide
verdragen voor alle alsdan aangesloten landen betekenen.
De facto zullen deze verdragen direct ook betekenis hebben
voor alle landen die op het punt staan toe te treden tot
de Europese Unie, aangezien zij verplicht zijn het acquis
communautaire in hun wetgeving over te nemen.
In dit artikel wordt een
korte schets gegeven van de inhoud van de richtlijn, met
inbegrip van de aanpassingen die het Europees Parlement
heeft voorgesteld. Interessant is natuurlijk ook hoe de
richtlijn in de nationale wetten van de lidstaten zal
worden uitgevoerd. In Nederland is deze operatie inmiddels
in volle gang. Sinds augustus 2000 organiseert het
Ministerie van Justitie een intensief proces van
consultatie van belanghebbenden, die deels via de website
van het Ministerie wordt gevoerd. Het auteursrecht is
immers geen materie die zich leent voor regelgeving die
totstandkomt zonder daarbij alle betrokken partijen (dat
wil zeggen rechthebbenden, organisaties van rechthebbenden
en gebruikers, toezichthouders, wetenschap, advocatuur,
rechterlijke macht) te betrekken. De wetgever heeft
daarbij tot taak de algemene wettelijke kaders te schetsen
en, binnen de beperkingen van het Europese kader, ordenend
en zo mogelijk en indien wenselijk, sturend op te treden.
De Minister van Justitie heeft "zijn" commissie
auteursrecht om advies gevraagd over de richtlijn. De
verwachting is dat het advies in juni 2001 gereed zal
zijn. Omtrent de inhoud van de aanpassingen van de
Auteurswet 1912, de Wet naburige rechten en de
Databankenwet (en mogelijk andere wetgeving) valt op dit
moment nog weinig te zeggen.
2. Voorgeschiedenis
De richtlijn
heeft inmiddels een imposante voorgeschiedenis (hopelijk
neemt de wetenschap ooit de gelegenheid daaraan tijd en
aandacht te besteden, vanuit rechtshistorisch en
rechtssociologisch oogpunt). Ik noem hier slechts het
Groenboek van de Europese Commissie uit 1995, de
"follow up" van de Europese Commissie uit
november 1996, de WIPO diplomatieke conferentie van
december 1996 (en de twee verdragen die toen zijn
aangenomen, ook wel, niet 100% correct, de
"Internet-treaties" genoemd), de publicatie van
het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie in
december 1997, de opzienbarende amenderingen door het
Europees Parlement bij haar advies in eerste lezing in
februari 1999, het uiterst moeizaam bereikte
gemeenschappelijk standpunt van de Raad van september 2000
en de opmerkelijke procedure bij het Europees Parlement
die leidde tot het advies in februari 2001. Van de bijna
200 ingediende amendementen bleven uiteindelijk 9 over,
die vervolgens door Raad en Commissie aanvaardbaar zijn
bevonden.
Frappant bij de
totstandkoming van deze richtlijn is de enorme strijd
tussen belangengroepen geweest, tussen rechthebbenden
(waaronder met name de muziekproducenten en collecting
societies) enerzijds en gebruikers, zoals bibliotheek- en
consumentenorganisaties, en de hardware-industrie, zoals
telecomproviders en producenten van consumentenelectronica
anderzijds. Brussel en Straatsburg zijn meer dan eens het
toneel geweest van een nogal stevig gevecht om aandacht.
De pijlen van de belangenorganisaties richtten zich
daarbij op de lidstaten maar met name op de (ambtelijke
diensten van de) Europese Commissie en de leden van het
Europees Parlement. Het auteursrecht en de naburige
rechten vormen een terrein waarop sentimenten, financiële
en economische belangen, culturele diversiteit en
maatschappelijke verschillen een rol spelen, vermoedelijk
meer dan bij zeer veel andere maatschappelijke terreinen.
Kennis van regelgeving alleen is dan ook onvoldoende om de
betekenis van auteursrecht en naburige rechten ten volle
te doorgronden. De praktijk van uitoefening en handhaving
van rechten speelt een onmisbare rol.
3. Opbouw van de
richtlijn
De richtlijn
bestaat uit een aantal onderdelen, te weten een algemeen
deel (artikel 1), een deel gewijd aan de rechten van de
rechthebbende (artikelen 2-4), een deel gewijd aan de
beperkingen die op de rechten gemaakt kunnen worden
(artikel 5), een deel gewijd aan technologische
bescherming (artikelen 6 en 7) alsmede een deel met
overige bepalingen, waaronder overgangsrecht, aanpassingen
in bestaande richtlijnen, de instelling van een contact
comite en regels omtrent uitvoering van de richtlijn in
nationale wetgeving (artikelen 8-13).
4. Verhouding met
bestaande richtlijnen
Het betreft hier
in feite de eerste richtlijn op het terrein van het
auteursrecht die een "horizontaal" karakter
draagt. Vorige richtlijnen betroffen slechts specifieke
onderdelen (computerprogrammatuur, verhuur- en leenrecht,
satellietomroep en kabeldoorgifte, beschermingsduur en
databanken), deze richtlijn bevat algemene regels voor de
rechten en de beperkingen, alsmede voor de bescherming
tegen het kraken of manipuleren van technische
beveiliging. Wel rijst de vraag naar de verhouding tussen
deze richtlijnen en de bestaande. Men kan stellen dat de
bestaande richtlijnen onverlet blijven, dus de specifieke
regels op die terrreinen blijven gehandhaafd.
Tegelijkertijd doet deze richtlijn aan
"gap-filling". Een voorbeeld is dat de
bescherming voor rechten van rechthebbenden op
computerprogrammatuur thans in ieder geval niet is beperkt
tot de rechten die zijn opgesomd in de richtlijn
computerprogrammatuur uit 1991. Tegelijkertijd vervangt
artikel 5 van deze richtlijn niet de regeling van de
beperkingen in de richtlijn computerprogrammatuur,
aangezien die regeling als "species" geldt. Dat
dit aspect nog tot de nodige problemen aanleiding kan
geven, moge wel duidelijk zijn. Het beste voorbeeld is nog
de regeling van artikel 5 lid 1 van deze richtlijn, die
niet (uitdrukkelijk) op de richtlijnen
computerprogrammatuur en databanken van toepassing is. Dit
kan tot gevolg hebben dat de vrijstelling die onder meer
voor telecomoperators van doorslaggevend belang is geacht,
niet van toepassing is op Internetverkeer van
computerprogrammatuur en (substantiele delen van)
databanken. Deze absurde (en in ieder geval geheel niet
onderbouwde) consequentie is het gevolg van een
hardnekkige poging van de Europese Commissie om
wijzigingen in bestaande richtlijnen slechts te laten
plaatsvinden in het kader van evaluatie van die bestaande
richtlijnen, zelfs al leidt zo’n opstelling tot
legislatieve misbaksels. Tegelijkertijd doet de algemene
regeling van de technische beschermingsmaatregelen
(artikel 6) op zichzelf niet af aan de bijzondere (en in
een aantal opzichten minder verstrekkende) regeling in de
EG-richtlijn bescherming computerprogrammatuur.
De richtlijn harmoniseert
nog steeds maar een deel van het terrein van het
auteursrecht en de naburige rechten. Kwesties als de
uitoefening van rechten, met name het collectief beheer,
internationaal privaatrecht, contractuele verhoudingen
tussen auteurs en uitvoerende kunstenaars enerzijds en
producenten anderzijds en handhaving van rechten worden
door deze richtlijn (vrijwel) niet geregeld.
5. De rechten
De richtlijn
schrijft voor dat rechthebbenden rechten op reproductie,
"communication to the public",
beschikbaarstelling en distributie (verspreiding van
fysieke exemplaren) toekomen.
Het begrip
"reproduceren" (zie artikel 2) lijkt elke, ook
puur technische of functionele en ook zeer tijdelijke
kopie te omvatten. Die indruk wordt versterkt door artikel
5 lid 1, waar hieronder nog op wordt teruggekomen.
Afgezien van nadere interpretatie woorden als
"reproduceren" is de vrijheid voor de rechter om
dit begrip "normatief" te interpreteren niet
groot.
Het woord
"communication to the public" (in artikel 3) is
hierboven bewust tussen aanhalingstekens geplaatst, omdat
het een term is die de Nederlandse wetgeving niet met
zoveel woorden kent. Het Nederlandse auteursrecht (voor de
regeling inzake naburige rechten geldt in beginsel
hetzelfde) gaat uit van een nog ruimer begrip
"openbaarmaken", dat elke publieke
toegankelijkmaking of beschikbaarstelling omvat, inclusief
uitvoering in het openbaar, distributie van fysieke
exemplaren en on-demand delivery. In de internationale
verdragen (en ook in veel andere landen) is dat anders
geregeld en gaat men onder meer uit van systemen waarin
openbaarmakings-rechten afzonderlijk in de wet zijn
opgesomd en ook onder afzonderlijke regimes vallen.
"Omroep", met de daaraan verbonden bijzondere
positie van met name publieke omroeporganisaties, is
daarvan een goed voorbeeld. Dat wil overigens niet zeggen
dat praktisch gesproken beide systemen op hetzelfde
resultaat (kunnen) uitkomen. In ieder geval is het zo dat
de reikwijdte van de richtlijn beperkt is tot de rechten
die in de richtlijn worden geregeld. Zo bevat de richtlijn
geen regels over het recht op uitvoering in het openbaar
of het recht op "tentoonstelling" (bijvoorbeeld
van schilderwerken of sculpturen). Lidstaten behouden op
die terreinen dus (vooralsnog) hun vrijheid.
In artikel 3 lid 2
verdient overigens de aandacht dat voor houders van
naburige rechten slechts het
"terbeschikkingstellingsrecht" is geregeld.
Andere openbaarmakingsrechten zijn reeds geregeld in
EG-richtlijn 92/100.
Van het distributierecht
(artikel 4), het recht op fysieke exemplaren te
verplaatsen (met name van belang voor tussen- en
detailhandel), kan worden gezegd dat een rechtseconomische
grens is gelegen in het verschijnsel
"uitputting", dat is de regel dat terzake van
een exemplaar van een werk de verdere verspreiding
"vrij" is, zodra het exemplaar voor de eerste
maal (door of met toestemming van de rechthebbende in het
verkeer is gebracht). De richtlijn schrijft de zogenaamde
"Gemeenschapsuitputting" voor, dat wil zeggen
dat het recht slechts is uitgeput bij eerste verhandeling
binnen de Europese Economische Ruimte. De rechthebbende
kan dus import van buiten die Ruimte blokkeren met een
beroep op auteursrecht of naburige rechten. Voor het
auteursrecht is dat in ieder geval voor Nederland nieuw.
6. De beperkingen
Zeer interessant
is de regeling van de beperkingen op de rechten. Artikel 5
bevat, hoewel het men niet direct zou onderkennen, een
structuur. Het eerste lid bevat de enige beperking op de
rechten die de lidstaten verplicht zijn in hun nationale
wetgeving over te nemen. De overige beperkingen zijn
allemaal facultatief. Het tweede lid bevat mogelijke
beperkingen op het reproductierecht. Het derde lid is (in
beginsel, want sommige zijn haar hun aard slechts voor
bepaalde rechten van belang) van toepassing op alle
rechten die in de richtlijn worden genoemd. Het vierde lid
is een bijzondere regel met betrekking tot beperkingen op
het distributierecht. Het vijfde lid fungeert als
"vangnet": alle beperkingen die lidstaten in hun
wetgeving opnemen of handhaven, dienen te voldoen aan de
zogenaamde "drie-stappen-test". Deze tot de
wetgever gerichte norm reeds was reeds bekend van artikel
9 Berner Conventie en artikel 13 TRIPs-verdrag.
Artikel 5 lid 1 is een
van de meest besproken beperkingen op het auteursrecht en
de naburige rechten. Het betreft reproducties die zich
binnen computers, netwerken of andere apparatuur kunnen
voordoen en die een louter functionele betekenis hebben.
Zonder deze beperking zou reeds het functioneren van
apparatuur onder het auteursrecht vallen. Dat zou een
aardverschuiving betekenen binnen dit terrein, waar tot
dusverre het functioneren van videorecorders, tv’s,
filmcamera’s maar ook potloden niet op zichzelf onder
een auteursrecht-heffing valt. Tegelijkertijd bevat het
artikellid (in samenhang met artikel 8 lid 3)
aanknopingspunten om te voorkomen dat de
verantwoordelijkheid van de adressaten van deze bepaling
wordt miskend. Met name de discussie omtrent het begrip
"caching" illustreert het gevaar dat is
verbonden aan technologie-specifieke wetgeving, die snel
veroudert. De lastige verhouding met de EG-richtlijn
juridische aspecten van de elektronische handel, in het
bijzonder de aansprakelijkheidsbepalingen in die
richtlijn, laat ik hier maar onbesproken.
Artikel 5 lid 2 bevat
beperkingen met betrekking tot onder meer het
fotokopiëren, het privé-kopiëren en het reproduceren
binnen bibliotheken en andere "not for
profit"-organisaties. Aandacht verdient hier het
begrip "fair compensation", een term die afwijkt
van de onder onze wetgeving bekende begrippen als
"redelijke" of "billijke vergoeding".
Het gaat om het begrip "compensation",
waaronder, geheel conform Europese logica, ook een
nul-vergoeding of een compensatie in een andere vorm dan
geld kan worden verstaan.
Artikel 5 lid 3 bevat een
lange lijst van generieke beperkingscategorieen voor onder
meer onderwijsdoeleinden, citeren, gebruik van beschermd
materiaal door gehandicapten en lees- en studiezaalgebruik
binnen openbare instellingen als bibliotheken. Deze
beperkingen (ook die in lid 2) reflecteren de culturele en
maatschappelijke verscheidenheid binnen de Europese Unie
en de verschillende gedachten over het verband tussen het
uitvaardigen van regels en het handhaven daarvan
(symboolwetgeving of afrekenbaar sturings- en
ordeningsinstrument). Een poging van Nederland om het
(althans op Europees niveau) gesloten systeem van
beperkingen te doorbreken door een beroep (door de
wetgever of door de rechter) op een auteursrechtelijke
hardheidsclausule of fair use clausule toe te laten werd
echter niet ondersteund. Een dergelijke clausule had juist
in een technologisch zo turbulente omgeving nuttige
diensten kunnen bewijzen, eventueel in combinatie met een
plicht tot melding aan de Europese Commissie. In zoverre
vormt de Europese Unie een gesloten blok jegens de
Verenigde Staten, waar zo’n clausule, zonder in strijd
te komen met de Berner Conventie, reeds decennialang door
de rechter wordt toegepast. Tegelijkertijd behoeft niet te
worden getwijfeld aan de mogelijkheid van toepassing van
correctiemechanismen uit bijvoorbeeld het
mededingingsrecht of het algemeen vermogensrecht, waarmee
hetzelfde resultaat kan worden bereikt.
7. Technologische
beschermingsmaatregelen
Naast alle
kritiek die op deze richtlijn mogelijk is, kan men in
ieder geval één innovatief aspect niet ontkennen. Dat
betreft namelijk de bescherming tegen het
"omzeilen" van technische bescherming. Van
technische bescherming wordt in een digitale omgeving veel
verwacht, als het gaat om het voorkomen van illegaal
gebruik, het ondersteunen van contractuele afspraken en
het reguleren van marktverhoudingen. Tegelijkertijd rijst
daar de vraag hoe men binnen een systeem van bescherming
tegen "omzeiling" (en de handelingen die dienen
om "omzeiling" mogelijk te maken) rekening kan
houden met de belangen van gebruikers en andere
betrokkenen bij exploitatie van beschermd materiaal.
De regeling van artikel 6
van de richtlijn komt kort gezegd op het volgende neer.
Indien een technische beschermingsmaatregel kwalificeert
als maatregel in de zin van de richtlijn (daarvoor is
onder meer nodig dat de maatregel niet te eenvoudig valt
te kraken, en is bedoeld als middel tot bescherming tegen
inbreuk op de rechten die de richtlijn regelt en
bijvoorbeeld niet slechts als bescherming tegen
niet-nakoming van een betalingsverplichting) dan is in
feite elke daad van "omzeiling" en daad ter
voorbereiding of facilitering van omzeiling onrechtmatig.
Lidstaten hebben vrijheid hoe zij deze regel omzetten in
nationaal recht: in aanmerking komen de creatie van een
exclusief recht, een onrechtmatige daadsnorm of (tevens)
een strafrechtelijk gesanctioneerde norm. Waar echter
blijven de belangen van gebruikers die in het
"analoge" tijdperk de wettelijk geregelde
vrijheid hebben een boek in de bibliotheek ter inzage te
leggen respectievelijk in te zien, om van een stuk muziek
een kopie voor privé-gebruik te maken of om uit een
wetenschappelijk werk te citeren? Dergelijke belangen
verdienen eveneens bescherming, vandaar dat artikel 6
tevens een verplichting op de lidstaten legt om ten eerste
toe te zien dat technische beveiliging geen onwenselijke
gevolgen heeft in termen van belemmeringen van toegang tot
informatie, onderwijs- en onderzoeksvrijheid en
consumentenbelangen. Indien dergelijke
"gebruikersbelangen" in het kader van
"zelfregulering" (standaardregelingen,
gebruikerslicenties, laagdrempelige toegangsafspraken)
onvoldoende worden behartigd, moeten lidstaten ingrijpen.
Men beraadt zich waarschijnlijk in alle lidstaten welke
maatregelen dan genomen kunnen worden. Op deze plicht (en
mogelijkheid) tot ingrijpen kent de richtlijn ook weer een
uitzondering en dat betreft het terrein van de
"on-demand delivery". Waar sprake is van
rechtstreekse contracteermogelijkheden (in feite het
Napster-model), worden de ontwikkelingen voorlopig aan de
markt overgelaten. Mochten die ontwikkelingen de verkeerde
richting in gaan, dan is ingrijpen op nationaal niveau
(althans op het terrein van auteursrecht) niet meer aan de
orde, maar zal de Europese overheid moeten ingrijpen.
8. Overige bepalingen
Van (iets) minder
belang (maar niet daarom onbelangrijk) zijn de overige
bepalingen van de richtlijn.
Artikel 8 bevat een
gebruikelijke zorgverplichting voor de lidstaten om voor
voldoende middelen tot handhaving zorg te dragen,
civielrechtelijk en/of strafrechtelijk.
Artikel 9 bevat een
eveneens niet ongebruikelijk bepaling dat bepalingen op
andere rechtsgebieden door deze richtlijnen onaangetast
blijven. De vraag rijst of dit een volstrekt overbodige
bepaling is of dat deze toch enige betekenis heeft. Ervan
uitgaande dat het laatste het geval is (de Europese burger
heeft daar wel recht op), heeft deze regel natuurlijk
slechts betekenis als bestaande bepalingen op andere
terreinen onaangetast blijven voorzover deze het terrein
van deze richtlijn raken of overlappen. Met andere
woorden: als toepassing van technologie het mogelijk zou
maken concurrentieverhoudingen tussen producenten van hard
ware en muziekproducenten te reguleren, doet deze
richtlijn niets af aan de toepassing van het
mededingingsrecht. Een ander voorbeeld: het auteursrecht
doet niets af aan de mogelijkheid om te opponeren tegen
bezwarende algemene voorwaarden in de relatie tussen
Internetaanbieders van beeldmateriaal en consumenten.
Artikel 12 is interessant
vanwege de creatie van een zogenaamd Contact Committee. De
rol van dat Committee kan zeer belangrijk en nuttig worden
als lidstaten en vooral Europese Commissie haar toelaten
dat te zijn. Denkbaar is dat het Committee vooral wordt
gebruikt om de lidstaten te controleren of zij hun
verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien wel
tijdig en correct uitvoeren. Ook is denkbaar dat lidstaten
problemen die rijzen bij handhaving en uitvoering op het
auteursrecht en de naburige rechten in dat Committee ter
sprake kunnen brengen om te bezien of een nationale
regeling wenselijk is of dat een communautaire oplossing
mogelijk is. Het Committee heeft in ieder geval een vrij
ruime taak meegekregen. Het is duidelijk dat wetgeving op
dit terrein binnen de EU in snel afnemende mate een taak
van nationale wetgevers is en dat het zwaartepunt van
regelgeving voortaan in Brussel ligt (als hoofdstuk van de
EU).
9. Laatste fase van
totstandkoming
Vanaf september
2000 is er een enorme druk geweest op het Europarlement
door allerlei groepen om de door hen wenselijk geachte
wijzigingen van het gemeenschappelijk standpunt alsnog
door te drukken. Het tussen de lidstaten en de Europese
Commissie bereikte compromis was met buitengewoon veel
moeite tot stand gekomen. Het lag dan ook in de rede dat
enig amendement van het Europees Parlement dat tot een
meer dan ondergeschikte aanpassing zou leiden op welk
onderdeel van de richtlijn dan ook onvermijdelijk tot een
conciliatieprocedure had geleid (met alle risico’s
vandien, daaronder uitdrukkelijk begrepen de mogelijkheid
dat de richtlijn in het geheel niet tot stand zou zijn
gekomen). Met dank aan de Europese Commissie zijn dan ook
amendementen van een meer dan ondergeschikte betekenis
uitgebleven, hoewel men zonder meer vraagtekens kan zetten
bij de opportuniteit van de voorgestelde aanpassingen.
Allereerst is er (op het
eerste gezicht) een aanscherping van de beperking voor het
prive-kopieren totstandgebracht. Klaarblijkelijk was de
bedoeling om onzekerheid te voorkomen over de reikwijdte
van de beperking zoals die was neergelegd in het
gemeenschappelijk standpunt. Het ging waarschijnlijk met
name om Napster-achtige mogelijkheden en de ruimte die een
beperking voor het privé-kopiëren voor dergelijke
technieken zou kunnen bieden. De nieuwe formulering leidt
echter weer tot andere vragen, zoals de vraag of reeds de
mogelijkheid dat een privé-kopie de aanschaf van een
tweede exemplaar voorkomt tot een "indirect
commercial advantage" zou leiden en of het enkele
feit producenten van kopieerapparaat "indirect"
profiteren van de wettelijke mogelijkheid om voor
privé-doeleinden te kopiëren een dergelijke kopie reeds
buiten de beperking zouden brengen. Daarmee zouden
maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen gegeven zijn, maar
dan blijft de vraag wat dan wel de bedoeling is geweest.
Het Europees Parlement
heeft ook een verduidelijking aangebracht op het terrein
van toepassing van artikel 6 lid 4, vierde paragraaf. Het
betreft de uitzondering op de uitzondering op het regime
van omzeiling van technische beveiligingen. In een aantal
gevallen hebben lidstaten de plicht om op te treden tegen
te ver gaande technische beveiligingen. Die plicht bestaat
echter niet terzake van interactieve on-line diensten,
zoals video-on-demand. Dat bleek kennelijk onvoldoende uit
de tekst die in het gemeenschappelijk standpunt was
neergelegd en die ook ongewijzigd is gebleven, maar die
door een nieuwe overweging is verduidelijkt.
Bepaald minder fraai zijn
vier amendementen die op het eerste gezicht tot een
merkwaardig verreikende plicht tot vermelding van de naam
van de auteur (de uitvoerende kunstenaar is over het hoofd
gezien) bij op grond van bepaalde beperkingen toegelaten
gebruik, zoals in het kader van onderwijsdoeleinden en
citeren. In de Nederlandse wetgeving is dit recht
overigens erkend (zie bijvoorbeeld artikel 25 lid 1a
Auteurswet) maar kan de "redelijkheid" daaraan
beperkingen geven, waarbij een ieder zich iets kan
voorstellen. De amendementen komen er letterlijk op neer
dat op degene die overneemt (onderwijsinstelling,
wetenschappelijke instelling, persorgaan, omroep, wie dan
ook) een loodzware plicht wordt gelegd om na te gaan welke
auteurs betrokken zijn bij het over te nemen werk. Slechts
wanneer de overnemer kan bewijzen dat
naamsvermelding "onmogelijk" is, is hij van die
taak ontheven. Uiteindelijk is niets
"onmogelijk" en bovendien lijken contractuele
afspraken (denk aan de "ghostwriters") niet van
belang te zijn. Het is maar de vraag in hoeverre aan
praktische problemen bij naamvermelding (alsof er een
wereldomspannende registratie bestaat van werken) kan
worden tegemoet gekomen. De Europese Commissie verdedigt
echter dat het begrip "onmogelijk" betrekkelijk
ruim mag worden uitgelegd, zodat men mag hopen dat de
betekenis van deze aanpassingen de facto niet werkelijk
iets voorstelt. De Europese rechter mag het te zijner tijd
bepalen.
Interessant is ook een op
zich niet veelzeggende aanpassing van artikel 12 lid 4. In
dat artikel zijn de taken van het zogenaamde "Contact
Committee" neergelegd. Binnen dit comite, waarvan het
voorzitterschap in handen van de Commissie is, maar elke
lidstaat een onderwerp op de agenda mag zetten, zal in
eerste instantie sprake zijn van informatie-uitwisseling,
maar belangrijker nog lijkt het mogelijke indirecte
effect, dat druk wordt uitgeoefend op lidstaten die
maatregelen zullen voorstellen die van de mainstream
afwijken.
Een voor Nederland
belangrijk amendement is de voorgestelde inkorting van de
termijn van implementatie van de richtlijn in de nationale
wetgeving. Nederland heeft zich in de Raad ingespannen om
die termijn op 24 maanden te stellen, een voor richtlijnen
die betrekking hebben op de interne markt gebruikelijke
termijn. De ervaring leert immers dat gelet op de
organisatie van het wetgevende en parlementaire proces het
vrijwel onmogelijk is om zo’n proces binnen 18 maanden
af te ronden. Het Europees Parlement heeft die termijn
echter ingekort. De verwachting is echter dat de Europese
Commissie in dit geval, waar sprake is van een compexe
materie en het feit dat interne wetgevingsprocedures het
niet altijd mogelijk maken om wetgeving binnen achttien
maanden tot stand te brengen, prudent met haar toezicht
zal omspringen.
10. Zijlijnen
Nu een nieuwe
fase in de Europeanisering van het auteursrecht is
aangebroken, is er aanleiding om kort te stil te staan bij
twee opvallende aspecten van het proces van totstandkoming
van de richtlijn.
Een eerste opvallend
aspect van het proces van totstandkoming van de richtlijn
is gelegen in de impact van het uitoefenen van invloed op
de politiek door belanghebbenden. Met name in de
benadering van de afgevaardigden in het Europees Parlement
is alle denkbare creativiteit aangewend. Dat heeft invloed
gehad op de kwaliteit van de interventies van het Europees
Parlement. In sommige gevallen mag de vraag rijzen of
afgevaardigden niet wat meer distantie in acht hadden
kunnen nemen van bepaalde particuliere belangen en of men
zich in die gevallen wel voldoende heeft aangetrokken van
andere ook gerechtvaardigde belangen. Ook blijkt het
Europarlement zich niet altijd te hebben bekommerd om
praktische en juridisch gevolgen van de voorstellen die
zijn ondersteund. Een mooi voorbeeld vormen de door enkele
Franse afgevaardigden ingediende amendementen terzake van
vermelding van de naam van de auteur in beperkingen
terzake van gebruik ten behoeve van onderwijs en
onderzoek, terzake van citeren, terzake van overnemen van
nieuwsberichten en terzake van het overnemen van publieke
toespraken. De nationale wetgever is verplicht om te
voorkomen dat dit soort onbenulligheden niet fatsoenlijke
wetgeving in de weg staan. Ook vanuit dit perspectief
bezien is het zeker een compliment aan de ambtenaren van
de Europese Commissie waard dat van de in totaal ongeveer
200 amendementen die aanvankelijk op tafel lagen, slechts
9 zijn overgebleven, zodat in zoverre de
"schade" beperkt is gebleven. De afstand tussen
de Europese wetgever en de nationale praktijk van
uitvoering en handhaving is wel erg groot gebleken. In
zoverre een belangrijke les voor de toekomst.
Voorts is opvallend de
positie die de internationale juridische wetenschap bij
het proces van totstandkoming heeft gespeeld, of beter
gezegd: niet heeft gespeeld. Door de snelheid van de
ontwikkelingen en de bij een aantal nog steeds bestaande
betrekkelijke onbekendheid met de procedures waarmee
wetgeving op Europees niveau tot stand komt, is de
betrokkenheid van de wetenschap bij de totstandkoming van
de richtlijn gering geweest. Slechts enkelingen zijn in
staat geweest een substantiële en invloedrijke bijdrage
aan een bijzonder belangrijke ontwikkeling te leveren. Men
moet vaststellen dat de wetenschap in het algemeen
(nogmaals, de uitzonderingen daargelaten) een aanzienlijke
achterstand heeft opgelopen op de invloed die anderen
hebben op het proces van wetgeving en daarbij dat het
verschil tussen theorie en praktijk niet kleiner is
geworden. Ook blijkt soms onbegrip over het proces van
Europese wetgeving en de factoren die daarbij een rol
kunnen spelen. Wat men ervan kan zeggen is dat hier een
enorme uitdaging ligt, zowel voor de wetenschap als voor
de broodnodige samenwerking tussen wetgever en wetenschap,
aangezien deze richtlijn wederom aantoont welk belang
gelegen is het belichten van gevolgen voor de systematiek,
interdisciplinariteit en dwarsverbanden en het voorkomen
dat als gevolg van de invloed van deelbelangen slechts de
waan van de dag wordt gevolgd. Prekend voor eigen
parochie, neem ik dan maar de vrijheid hier naar voren te
brengen dat de Nederlandse wetgever in ieder geval
gezegend is met een adviescommissie op dit terrein, waarin
hoge wetenschappelijke kwaliteit maar ook vele jaren
praktijkervaring is samengebald, en waarvan de adviezen
tot dusverre telkens een belangrijke steun in de rug van
het nationale wetgevingsproces zijn geweest.
Tot slot een opmerking
over de toekomst. Op het programma van de Europese
Commissie staan voorstellen tot regelgeving voor het
volgrecht (thans onderwerp van een conciliatie tussen
Raad, Commissie en Europarlement), handhaving van rechten,
collectief beheer, omroeporganisaties en folklore. Volgens
het Groenboek uit 1995 zou ook internationaal privaatrecht
nog een keer aan de orde moeten komen. Het resultaat van
die aangekondigde voorstellen zal uiteindelijk zijn dat
meer en meer gebieden onder de exclusieve competentie van
de Europese wetgever vallen, een onomkeerbare ontwikkeling
die evenwel, u mag dat van mij aannemen, nog vele jaren in
beslag zal nemen, gedurende welke de taak van de nationale
wetgever langzaam maar zeker van kleur zal verschieten.
Welke kleur dat zal zijn, laat ik op deze plaats graag aan
de fantasie van de lezer over.
|