Rechtbank 's-Gravenhage
(Voorzieningenrechter) 6 augustus 2003,
KG 2003, 196; ook:
http://www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AI0834).
Een
verordening van de gemeente Wassenaar verbiedt het
fotograferen rond de woning van kroonprins Willem-Alexander en
prinses Máxima. De Nederlandse Vereniging van Journalisten en
het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren vinden de
verordening in strijd met de vrijheid van nieuwsgaring en
eisen in kort geding dat zij met onmiddellijke ingang buiten
werking wordt gesteld. De vordering wordt toegewezen. De
garingsvrijheid wordt ook door het openbaringsrecht van
artikel 7 Grondwet beschermd. Daarnaast valt het onder de
bescherming van artikel 10 EVRM. Conflicterende grondrechten,
het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op
eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Feiten
Kroonprins Willem-Alexander
en zijn vrouw prinses Máxima wonen sinds kort op het adres
Eikenhorst 4 in Wassenaar. De villa is gelegen op het landgoed
De Horsten, dat privé- eigendom is van prinses Juliana. Dit
landgoed is opengesteld voor het publiek. Bij besluit van 30
juni 2003 heeft de raad van de Gemeente Wassenaar een
Verordening Fotografieverbod Eikenhorst 4 vastgesteld. Artikel
1 van deze verordening luidt: 'Het is verboden om op of rond
het perceel Eikenhorst 4, binnen een afstand zoals nader op
borden (…..) aangegeven, beeldmateriaal te verzamelen, vast te
leggen of door te zenden'. Blijkens een bijbehorende tekening
beperkt het verbod zich tot een deel van het landgoed De
Horsten. De verordening verstaat onder het verzamelen,
verzenden of vastleggen van beeldmateriaal 'elke vorm van
fotograferen, filmen, videofilmen of anderszins analoog of
digitaal op een drager vastleggen van beelden'. Op overtreding
is een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete
van de tweede categorie gesteld. Als reden voor de verordening
is door B&W van Wassenaar aangevoerd, dat de privacy van de
bewoners van Eikenhorst 4 zoveel mogelijk beschermd dient te
worden en dat instanties verantwoordelijk voor de bewaking van
het koninklijk huis om een dergelijk verbod hebben verzocht.
Op de eerste dag van de werking van de verordening heeft een
journalist van de Haagse Courant het fotografieverbod
overtreden om een proefproces uit te lokken.
Vonnis
(….)
2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer
Eiseressen vorderen -zakelijk weergegeven-
primair: de verordening met onmiddellijke ingang buiten
werking te stellen;
subsidiair: gedaagde met onmiddellijke ingang te verbieden
uitvoering te geven aan de verordening, op verbeurte van een
dwangsom.
Daartoe voeren eiseressen onder meer het volgende aan.
De verordening is onmiskenbaar onverbindend en onrechtmatig
jegens eiseressen. De verordening is onverenigbaar met de
vrijheid informatie te ontvangen, de vrijheid van nieuwsgaring
en de persvrijheid, welke vrijheden voortvloeien uit het recht
op vrije meningsuiting, dat neergelegd is in artikel 7 van de
Grondwet, artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
en artikel 19 van het Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De verordening is
te algemeen en daarmee in strijd met het
proportionaliteitsbeginsel. Daarnaast is de verordening in
strijd met het subsidiariteitsbeginsel omdat er andere
mogelijkheden zijn die de privacy en veiligheid van de
bewoners van [adres] kunnen beschermen. De verordening is ook
onverbindend omdat deze niet de huishouding van de gemeente
betreft maar ziet op het regelen van de bijzondere belangen
van (twee van) haar ingezetenen. Eiseressen hebben een
spoedeisend belang omdat de uitkomst van een mogelijke
strafzaak tegen een journalist die de verordening heeft
overtreden, te lang op zich zal laten wachten en serieuze
informatievoorziening daarom te lang te zeer beperkt zal zijn.
Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover
nodig, zal worden besproken.
3. De beoordeling van het geschil
3.1. Gedaagde heeft allereerst als verweer aangevoerd dat
eiseressen geen spoedeisend belang bij hun vordering hebben
omdat de uitkomst van het beoogde proefproces kan worden
afgewacht, zodat de strafrechter in beginsel de aangewezen
rechterlijke instantie is om een oordeel te geven over de
verbindendheid van de verordening. De stelling van eiseressen
dat de informatiegaring ter zake niet bezwaard zou mogen
worden door strafbedreiging via de verordening is voorshands
echter niet onredelijk. Zolang de beslechting van een geschil
over de al dan niet verbindendheid van een door de overheid
opgelegd voorschrift niet aan de rechter is opgedragen, moet
een burger (zie bijvoorbeeld HR 11 oktober 1996; NJ 1997,165)
in beginsel de vraag of het voorschrift verbindend is, door
middel van een vordering gegrond op onrechtmatig
overheidsoptreden kunnen voorleggen aan de burgerlijke
rechter. Van de burger kan niet worden verlangd dat hij het op
een strafvervolging laat aankomen om die onverbindendheid in
rechte te doen vaststellen. Daarbij komt dat het hier gaat om
een inbreuk op een wezenlijk grondrecht, waarmee de
spoedeisendheid gegeven is. Eiseressen kunnen dan ook
ontvangen worden in hun vordering.
3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het recht op
privacy een belangrijk grondrecht is. Daartegenover staat dat
het recht op vrije meningsuiting in een democratie van eminent
belang is.
Gedaagde heeft echter betwist, althans betwijfeld, dat het
recht op vrije nieuwsgaring geschaard kan worden onder het te
beschermen grondrecht van de vrije meningsuiting zoals
neergelegd in artikel 7 van de Grondwet of artikel 10 EVRM.
Volgens eiseressen is niet relevant of het recht op vrije
nieuwsgaring met zoveel woorden in artikel 7 van de Grondwet
is vastgelegd; zij stellen dat nieuws dat niet kan worden
gegaard ook niet openbaar kan worden gemaakt.
3.3. Vaststaat dat bij de grondwetsherziening van 1983 de
regering expliciet heeft opgemerkt dat de garingsvrijheid ook
door het openbaringsrecht van artikel 7 van de Grondwet wordt
beschermd. Daarnaast valt op grond van de literatuur over
artikel 10 EVRM aan te nemen dat dit artikel zo
geïnterpreteerd dient te worden dat hierdoor het recht op
vrije nieuwsgaring impliciet ook wordt beschermd.
3.4. Eiseressen hebben gesteld dat in de jurisprudentie van
het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM)
verschillende malen is uitgemaakt dat beperkingen op de vrije
nieuwsgaring -willen deze toelaatbaar zijn- moeten voldoen aan
dezelfde voorwaarden als die waaraan beperkingen van de vrije
meninguiting moeten voldoen. In het door eiseressen genoemde
Sunday Times arrest [NJ 1980,146] heeft het EHRM onder meer
overwogen: "Not only do the media have the task of imparting
such information and ideas: the public also has a right to
receive them." Kennelijk ziet het EHRM het verschaffen van
informatie als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting.
Het verschaffen van informatie is onlosmakelijk verbonden aan
vrije nieuwsgaring. Verschaffen van informatie is immers niet
mogelijk zonder de verwerving daarvan. Hieruit volgt naar het
oordeel van de voorzieningenrechter dat het recht op vrije
nieuwsgaring begrepen moet worden onder het recht op vrijheid
van meningsuiting.
De door gedaagde genoemde uitspraken van het EHRM in de zaken
Leander tegen Zweden [26 maart 1987; NJCM Bulletin 1988,148]
en Gaskin tegen Groot Brittannië [07 juli 1989; NJ 1991,659]
–waaruit volgens gedaagde zou blijken dat vrije nieuwsgaring
niet onder het recht op de vrijheid van meningsuiting zou
vallen- betreffen in relatie tot artikel 10 EVRM de vraag of
de overheid vertrouwelijke informatie dient over te leggen.
Deze vraag is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde.
3.5. Gedaagde heeft aangevoerd dat naast bescherming van de
privacy ook de veiligheid van de nieuwe bewoners van [adres]
noopt tot het fotografieverbod. Dat dit verbod een wezenlijke
bijdrage levert aan de gestelde veiligheid is evenwel niet
aannemelijk gemaakt. Desgevraagd heeft gedaagde ter zitting
niet kunnen ontkennen dat het door haar gestelde gevaar van
gespecialiseerde foto's met warmtestraling zich ook kan
voordoen in het gebied dat buiten het fotografieverbod valt.
3.6. In wezen gaat het in deze zaak om twee conflicterende
grondrechten, te weten enerzijds het recht op vrijheid van
meningsuiting -inclusief het recht op vrije nieuwsgaring- en
anderzijds het recht op eerbiediging en bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. Bij het stellen van beperkingen aan
het recht op vrije meningsuiting dienen de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit leidraad te zijn.
Vooralsnog wordt geoordeeld dat de door gedaagde vastgestelde
verordening betreffende het fotografieverbod een te ingrijpend
middel is om te bewerkstelligen dat de privacy van de nieuwe
bewoners van [adres] wordt beschermd. Daarbij is van belang
dat er andere mogelijkheden aangewend kunnen worden om tot
hetzelfde doel te geraken. Gesteld noch gebleken is dat geen
redelijk alternatief gevonden zou kunnen worden. Men zou
bijvoorbeeld kunnen denken aan dichtere begroeiing of
aanpassing van het bestaande hekwerk. Gedaagde heeft ter
zitting nog verklaard dat eventueel een groter gebied
afgesloten zou kunnen worden of dat aanvullende beperkingen
aan de toegang tot het voor het publiek opengestelde deel van
De Horsten verbonden zouden kunnen worden. Het door gedaagde
gesignaleerde nadeel dat daarmee een groot publiek wordt
benadeeld legt vooralsnog te weinig gewicht in de schaal. Het
verkleinen van het voor het publiek toegankelijke terrein met
enkele meters laat onverlet dat nog een groot deel van het
landgoed De Horsten voor het publiek toegankelijk zal kunnen
zijn.
Nu uit het voorgaande volgt dat er alternatieve mogelijkheden
zijn, hadden dergelijke mogelijkheden aangewend kunnen worden.
De gekozen weg om een verordening vast te stellen moet dan ook
als disproportioneel aangemerkt worden. Uit één en ander volgt
dat de verordening onmiskenbaar onverbindend is, zodat van
eiseressen niet gevergd kan worden dat zij zich naar de
–voorshands onmiskenbaar onrechtmatige- uitvoering daarvan
richten, terwijl er geen andere rechtsgang openstaat om met de
vereiste spoed hiervoor een voorziening te verkrijgen (zie HR
1 juli 1983; NJ 1984,360). In die situatie moet het oordeel
zijn dat de verordening buiten werking gesteld behoort te
worden.
3.7. Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of gedaagde met
de verordening is getreden in het regelen van situaties die
niet de huishouding van de gemeente betreffen, geen bespreking
meer.
3.8. Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij,
worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
Stelt met onmiddellijke ingang buiten werking de verordening
van de raad van gedaagde, getiteld Verordening
fotografieverbod [adres].
Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusverre
aan de zijde van eiseressen begroot op € 989,16, waarvan €
205,-- aan griffierecht en € 81,16 aan dagvaardingskosten.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter
openbare zitting van 6 augustus 2003 in tegenwoordigheid van
de griffier.
Noot
We zijn gewend te spreken van
vrijheid van meningsuiting, maar eigenlijk is het een pars pro
toto voor de communicatievrijheid die zowel de vrijheid om
meningen en informatie te uiten als die om meningen en
inlichtingen te ontvangen omvat. Van die ontvangstvrijheid is
de vrijheid van nieuwsgaring weer een bijzonder aspect. Het
beschermt de vrijheid om actief op informatie uit te gaan, een
vrijheid die voor iedereen geldt, maar waarvan vooral de media
gebruik maken. Die aspecten van het vrijheidsrecht hangen nauw
met elkaar samen. Zoals eisers in het onderhavige geding
stellen: 'Nieuws dat niet kan worden gegaard kan ook niet
openbaar worden gemaakt'. Dat begrijpt iedereen en zo wordt in
de literatuur de vrijheid van nieuwsgaring als een aspect van
de uitingsvrijheid gezien.
[2] Onder verwijzing naar de zaak-Sunday Times
overweegt de Voorzieningenrechter dat het verschaffen van
informatie onlosmakelijk verbonden is aan de vrijheid van
nieuwsgaring. Verschaffen van informatie is immers niet
mogelijk zonder de verwerving ervan (r.o. 3.4). Onze grondwet
spreekt echter in artikel 7 slechts van 'openbaren van
gedachten of gevoelens' en artikel 10 van het EVRM spreekt van
'de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te
verstrekken'. In dit geding was dus aan de orde of het
Wassenaarse fotografeerverbod de vrijheid van nieuwsgaring
beperkt en zo ja of deze beperking te rijmen valt met de
grondwettelijke en verdragsrechtelijke garanties inzake de
vrijheid van meningsuiting.
Dat het fotografeerverbod de
vrijheid van nieuwsgaring beperkt wordt zonder meer
aangenomen. Over de grondwettelijke bescherming van die
vrijheid overweegt de voorzieningenrechter: 'Vaststaat dat bij
de grondwetsherziening van 1983 de regering expliciet heeft
opgemerkt dat de garingsvrijheid ook door het openbaringsrecht
van artikel 7 van de Grondwet wordt beschermd'. Uit de
literatuur leidt de voorzieningenrechter af dat de vrijheid
van nieuwsgaring ook beschermd wordt door artikel 10 EVRM
(r.o. 3.3.).
Voor wat betreft artikel 10
EVRM had de voorzieningenrechter zich naast literatuur óók nog
kunnen beroepen op de tekst van artikel 10 lid 1, dat in elk
geval het 'ontvangen' expliciet noemt en op een
interpretatieve verklaring van de Raad van Europa , waarin
gezegd wordt dat de garingsvrijheid impliciet door artikel 10
wordt beschermd. [3]
De Vzr. had voorts nog de rechtspraak van het EHRM
kunnen vermelden (de zaak-Goodwin, de zaak- Roemen en Schmit
en de zaak-Ernst), waarin inbreuken op de garingsvrijheid
worden getoetst aan artikel 10 lid 2.
[4] Tenslotte had de
Vzr. nog kunnen wijzen op artikel 19 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat in lid
2 wél expliciet het garen, ontvangen en doorgeven noemt. Die
bepaling is immers óók een bepaling die eenieder kan verbinden
en die er op grond van artikel 94 Grondwet toe zou kunnen
leiden dat een daarmee in strijd zijnde Wassenaarse
verordening buiten toepassing moet worden gelaten.
Of artikel 7 van onze
Grondwet ook de bescherming van de vrijheid van nieuwsgaring
omvat is echter wat gecompliceerder dan de Vzr. doet
voorkomen. Bij de grondwetswijziging van 1983 is er
uitdrukkelijk van afgezien 'het recht om inlichtingen te garen
en te ontvangen en door te geven' in het grondwetsartikel op
te nemen. Het regeringsvoorstel week op dat punt af van het
voorstel van de Staatscommissie Cals-Donner van 1969.
[5] Als men de
totstandkomingsgeschiedenis van de wijziging in 1983 op dit
punt nog eens goed doorneemt moet men wel tot de conclusie
komen dat de regering met de ene hand geeft en de andere
neemt. In eerste lezing heet het dat het recht om inlichtingen
te garen, te ontvangen en door te geven reeds voor een
belangrijk deel besloten ligt in het voorgestelde artikel 1.7
(het huidige artikel 7 lid 1). Dat is het geven. Maar het is
toch niet opgenomen in het voorstel omdat een bezwaar
daartegen zou zijn dat een dergelijk recht, waarvoor
noodgedwongen een ruimere beperkingsbevoegdheid vereist zou
zijn dan in het eerste lid van artikel 7 - geen voorafgaand
verlof nodig, beperkingen bij formele wet -, niet met een
bevredigende mate van duidelijkheid van het eerste en tweede
lid kan worden afgebakend. Dat is het nemen.
[6]
In tweede lezing als er
vanuit de Tweede Kamer gevraagd wordt het allemaal nog eens
uiteen te zetten antwoordt de regering, dat het verzamelen van
inlichtingen in het journalistieke bedrijf veelal een
noodzakelijke voorwaarde is voor het opstellen van een krant
of tijdschrift en voor het uiteindelijke publiceren. 'Wij
menen daarom, dat in gevallen, waarin er een nauwe samenhang
is tussen het garen en ontvangen van inlichtingen of
denkbeelden en het uiten van gedachten en gevoelens, dat garen
en ontvangen, gelet op de strekking van de bepalingen over het
openbaren van gedachten of gevoelens, is te beschouwen als een
element van het openbaren van gedachten of gevoelens.' Dat is
weer het geven. Dan komt andermaal het nemen: als het garen,
ontvangen en doorgeven in het grondwetsartikel zou worden
opgenomen dan zou daarvoor een zeer ruime
beperkingsbevoegdheid moeten worden vastgelegd die het
precieze geheel van waarborgen in de voorgestelde formulering
zou ondergraven. 'Het garen van inlichtingen door bij
voorbeeld journalisten zal onder meer inhouden, dat deze
toegang moeten hebben tot of zich moeten kunnen bevinden op
allerlei plaatsen of zich moeten kunnen voortbewegen met
vervoermiddelen. Deze materie wordt beheerst door een veelheid
van voorschriften.' Men zou voor de beperkingsclausule daarom
moeten uitkomen bij zoiets als 'behoudens bij of krachtens de
wet gestelde beperkingen'. Een dergelijke ruime
beperkingsbevoegdheid zou afbreuk doen aan de garanties in de
voorgestelde leden van artikel 7 of tot grote
afbakeningsproblemen leiden.
[7] Conclusie:
volgens de regering valt de garingsvrijheid wel onder de
bescherming van de vrijheid van meningsuiting, maar zij wil
voor de beperkingen aan deze vrijheid een minder streng regime
dan voor het 'openbaren'. Welke beperkingsclausules de
regering zou willen, wordt er niet bij gezegd, behalve dan de
suggestie van een heel open 'bij of krachtens de wet'.
Dezelfde gedachtegang wordt
gevolgd in het rapport van de Commissie Grondrechten in het
digitale tijdperk (de commissie-Franken). Ook daar is het de
gekozen beperkingssystematiek die zich verzet tegen het
expliciet opnemen van de garingsvrijheid. Het opnemen van het
'verspreiden en ontvangen' leverde kennelijk niet dat probleem
op. [8] Het
kabinet heeft zich bij dit standpunt aangesloten.
[9] Dat het anders
kan laat het voorstel voor een nieuwe formulering van artikel
7 van de studiecommissie van de Vereniging voor Media- en
Communicatierecht zien.
[10]
Het probleem zit dus niet in
de vraag of het garen een aspect is van het gehele complex
communicatievrijheid (uiten en ontvangen, garen, doorgeven en
verspreiden e.d.), daar is iedereen het wel over eens. Het
probleem zit in de verschillende aspecten van die
communicatievrijheid, die de behoefte doen gevoelen aan
verschillende beperkingsregimes of beperkingsclausules op
maat. Dat is ook het geval met het verspreiden. Dat is
ontegenzeggelijk een aspect van de communicatievrijheid – hoe
zou men zich kunnen uiten als men zijn boodschap niet aan de
man mag brengen – maar als de verspreidingsvrijheid alleen
maar bij formele wet zou mogen worden beperkt, zou dat tot
problemen kunnen leiden. De Hoge Raad zag in dat er behoefte
bestaat gemeentelijke overheden de mogelijkheid te geven het
verspreiden in verband met bijvoorbeeld de openbare orde te
beperken en zelfs te binden aan een 'voorafgaand verlof'. En
zo werd van het verspreiden een 'connex' recht gemaakt, dat
wél, zij het onder voorwaarden, door lagere overheden kon
worden beperkt. [11]
Kortom, de
voorzieningenrechter gaat wat kort door de bocht als hij zegt
dat 'de garingsvrijheid' ook door het openbaringsrecht van
artikel 7 wordt beschermd. Als dat zo ongenuanceerd het geval
zou zijn, dan had hij consequent moeten zijn en zonder nadere
afwegingen de Wassenaarse verordening, als zijnde niet een
formele wet, onverbindend moeten verklaren. Nu hij dat niet
doet zou men verwachten dat hij de vrijheid van nieuwsgaring
zou beschouwen als een 'connex' recht en de beperking door een
gemeentelijke overheid aan de hand van het beoordelingspatroon
van de verspreidingsjurisprudentie zou hebben getoetst. Hij
zou dan hebben kunnen overwegen dat het hier om een beperking
vanwege de inhoud gaat en dat er een algemeen verbod is
uitgevaardigd, waardoor er voor dit zelfstandig middel van
vergaren geen gebruik van enige betekenis is overgelaten. Op
die grond zou hij dan de verordening wegens strijd met de
Grondwet onverbindend hebben kunnen verklaren. De Vzr. volgt
deze weg niet.
De
verspreidingsjurisprudentie is een begrijpelijke maar niet
zo'n fraaie constructie. Zij is een gevolg van het nogal
rigide beperkingsstelsel van onze grondwet. Een geheel ander
beperkingstelsel is vervat in artikel 10 EVRM. Het daar
gekozen stelsel is enerzijds soepeler: beperkingen zijn
mogelijk, zelfs voorafgaand verlof is mogelijk en beperkingen
hoeven niet bij formele wet te zijn gesteld, maar de
beperkingen zijn anderzijds wel geclausuleerd doordat zij
noodzakelijk ( 'dringend noodzakelijk' volgens de rechtspraak)
moeten zijn ter bescherming van met name genoemde belangen.
Wat aan de ene kant een verlies lijkt, het loslaten van de
formele wetgever als voorwaarde voor geldige beperkingen,
wordt aan de andere kant dubbel en dwars gecompenseerd door de
strenge noodzakelijkheidstoets, die inderdaad aan de hand van
maatstaven als proportionaliteit en subsidiarteit, moet worden
toegepast. Deze beperkingssystematiek is dus ook flexibeler
met behoud van een strenge toets aan de inhoudelijke
beperkingsclausules, terwijl onze grondwet eigenlijk slechts
een formele beperkingsmogelijkheid heeft: als het maar is bij
formele wet. [12]
In combinatie met artikel 94 van de Grondwet dient de
rechter een beperking van de vrijheid van meningsuiting,
inclusief de vrijheid van nieuwsgaring, ook al zou zij niet in
strijd met artikel 7 zijn, op deze wijze te toetsen aan
artikel 10 lid 2 EVRM. Ook deze weg is de Vzr. niet gegaan.
De Vzr. lijkt - niet geheel
ten onrechte - te overwegen, dat onze grondwetgever hem wat
betreft de beperkingsmogelijkheid van de garingsvrijheid de
vrije hand heeft gelaten. 'We nemen het maar niet op in het
grondwetsartikel omdat het formuleren van de beperkingen zo
problematisch is. Zoekt u het maar uit, dames en heren
rechters.' Een dergelijke benadering leidt ertoe dat de Vzr.
met grote-stappen-snel-thuis komt tot wat hij de kern van de
zaak noemt: 'In wezen gaat het om twee conflicterende
grondrechten' (r.o. 3.6). Aan de motivering in
kort-geding-vonnissen plegen minder strenge eisen te worden
gesteld en daarom valt het te begrijpen dat de Vzr. – wars van
bovenstaande dogmatische punten op de i - de Wassenaarse
verordening als een conflict van grondrechten ziet en toetst
aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De
Wassenaarse beperking op de vrije nieuwsgaring is volgens hem
niet proportioneel want te ingrijpend om te bewerkstelligen
dat de privacy van de Eikenhorstbewoners wordt beschermd (en
dat het noodzakelijk is voor hun veiligheid acht de Vzr. niet
aangetoond, r.o. 3.5). Gemeten aan het subsidariteitsbeginsel
is de maatregel volgens de Voorzieningenrechter niet nodig
omdat er alternatieven zijn, zoals bijvoorbeeld het afsluiten
van een groter gebied van het particuliere terrein De Horsten.
Er kleeft een bezwaar aan
deze motivering. Zou de verordening wél toelaatbaar zijn als
zij een minder groot gebied bestreek en als er géén
alternatieven waren? Ik denk dat de verordening dan nog steeds
als een 'verbod vanwege de inhoud' niet door de beugel kan.
Daar hoeft geen belangenafweging aan te pas te komen. De Vzr.
toetst hier een conflict van grondrechten als in een
civielrechtelijk geschil, zoals bijvoorbeeld het verbod om te
posten bij het internaat waar de zoon van prinses Irene
vertoefde [13]
of het verbod tot publicatie van foto's van Paul de Leeuw met
zijn zoontje in zijn huiskamer, genomen door een paparazzo met
een grote telelens vanaf de overkant van de Prinsengracht in
Amsterdam. [14]
In zulke gevallen is er, na belangenafweging, een
concrete onrechtmatigheid geconstateerd en kan de rechter een
verbod opleggen. In Wassenaar daarentegen was elke foto – van
het prinselijk paar, van bezoekers, zelfs van de oprijlaan en
het tuinhek - op voorhand verboden. Een dergelijke verordening
kán niet minder ingrijpend! Er is niet sprake van een inbreuk
op 'een wezenlijk grondrecht' ( r.o. 3.1) – ook de
privacybescherming is een wezenlijk grondrecht, welk
grondrecht eigenlijk niet? -, maar het wezen van een
grondrecht wordt hier aangetast en dat is zelfs met betrekking
tot 'connexe' rechten in strijd met de Grondwet en de
verdragen. Het wezen van de vrijheid van meningsuiting is
immers dat pas achteraf beoordeeld wordt of een publicatie
ongeoorloofd is. Een voorafgaand verbod kan bovendien slechts
door de rechter, niet door de uitvoerende macht, en slechts
bij dreigende, maar vastgestelde onrechtmatigheid, worden
opgelegd. En dan moet het verbod ook nog beperkt zijn en
precies aangeven wat verboden is.
[15] Ook Peters, in
zijn commentaar in Mediaforum, lijkt de zaak te bezien als een
civielrechtelijk conflict tussen privacybescherming en
vrijheid van meningsuiting en doet wat badinerend over de
groei van Máxima's buik die volgens eisers het volk niet mocht
worden onthouden. [16]
Er is civielrechtelijke rechtspraak te over waarin de
vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van nieuwsgaring
géén rechtvaardiging oplevert voor inbreuken op de
persoonlijke levenssfeer als daar niet enig algemeen belang
mee wordt gediend. [17]
Maar het is aan de rechter om daarover te oordelen aan
de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij het
Wassenaarse fotografeerverbod heeft echter de overheid die
belangenafweging onmogelijk gemaakt, zoals Griffiths in zijn
reactie op Peters terecht opmerkt, omdat álle foto's werden
verboden. [18]
Daalder valt in NJB-special over “Mediamacht en recht' in
dezelfde kuil als Peters, als hij schrijft dat de vrijheid van
meningsuiting niet is bedoeld is om de menselijke
nieuwsgierigheid naar de persoonlijke levenssfeer te
bevredigen. [19]
De stelling dat er geen vrijheid van meningsuiting is
voor de roddelpers, leidt onontkoombaar tot de conclusie dat
bijvoorbeeld censuur op de roddelbladen geoorloofd zou zijn.
Censuur is echter uit den boze, ongeacht het doel.
[20] In Wassenaar
werd daarmee een begin gemaakt en daarom heeft de Vzr. terecht
een eind gemaakt aan de verordening, al is er op zijn
motivering wat aan te merken.
Ander bezwaar tegen de
motivering van de Vzr. is dat men al gauw de gesuggereerde
alternatieven in overweging gaat nemen. Een debat over de
alternatieven is overbodig, want het is bij dit algeheel
verbod vanwege de inhoud niet ter zake doende. Daarover echter
toch nog het volgende. Als het dan toch om alternatieven gaat
dan kan worden gewezen op een reëel alternatief, dat is
aangedragen door de formele wetgever en geheel over het hoofd
is gezien, namelijk de onlangs aangescherpte bepaling van
artikel 139f WvSr. [21]
De nieuwe bepaling beoogt de privacy van personen in hun
woning en op hun privé-terrein te beschermen tegen het gebruik
van een verborgen camera en doet dat veel gerichter dan het
algemene fotografeerverbod van de Wassenaarse verordening.
[22] Die wijziging
van het Wetboek van Strafrecht (formele wetgever!) bevat uit
oogpunt van vrijheid van nieuwsgaring juist een interessante
clausule: het heimelijk fotograferen moet 'wederrechtelijk'
zijn geschied, volgens de toelichting onder meer omdat de
vrijheid van nieuwsgaring in voorkomende gevallen het gebruik
van een verborgen camera kan rechtvaardigen.
[23] Dus niet een
algeheel verbod! Of paparazzi ook een beroep op deze
rechtvaardigingsgrond kunnen doen zal uiteraard afhangen van
de omstandigheden van het geval, maar vooralsnog mag men er
van uit gaan, dat inbreuken op de privacy alleen
gerechtvaardigd zullen zijn door de vrijheid van nieuwsgaring
als het belang dat daarmee wordt gediend zwaarder weegt dan
die inbreuk. [24]
De Vzr. komt niet (meer) toe
aan de vraag of de verordening wel de huishouding van de
gemeente betreft. Peters werpt in een commentaar in Mediaforum
terecht de vraag op of bij niet onverbindend verklaren van de
verordening ook andere inwoners van Wassenaar en inwoners van
andere gemeenten het gemeentebestuur kunnen verzoeken om zo'n
particuliere bescherming van hun privacy.
[25] Het
gelijkheidsbeginsel was volgens hem méér in het geding dan de
vrijheid van nieuwsgaring. De Vzr. had ook kunnen beginnen met
op déze grond de Wassenaarse verordening onverbindend te
verklaren. We hadden dan echter, zoals Peters opmerkt, zijn
radicale uitspraak over de vrijheid van nieuwsgaring gemist.
[26]
Tenslotte staat ons nog een
interessant probleem te wachten als de koninklijke familie
besluit het aan prinses Juliana toebehorende landgoed De
Horsten voor het publiek te sluiten dan wel de toegang tot het
landgoed toe te staan onder de voorwaarde dat men niet zal
fotograferen, een niet onbekende clausule die ook wel gesteld
wordt door musea en schouwburgen en, wat filmen betreft niet
te vergeten, door stadions.
[27] Een
civielrechtelijk fotografeerverbod op landgoed De Horsten zou
– mede gezien uiteraard de achtergrond ervan - een beperking
van de vrijheid van nieuwsgaring zijn. Dan zouden we voor de
vraag gesteld worden of de bescherming van de vrijheid van
nieuwsgaring ook geldt in deze horizontale (!?) verhouding
tussen burgers (!?). Dat is een ander verhaal waarop ik hoop
te zijner tijd mijn licht te mogen laten schijnen.
[1] Prof. mr. G.A.I.
Schuijt is bijzonder hoogleraar mediarecht aan de Universiteit
Leiden en hoofdonderzoeker aan het Instituut voor
Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam.
[2] O.a. J.M. de Meij, 'Wat
is toch vrijheid van nieuwsgaring?'in: H. Daudt e.a. (red.),
Selectiviteit in de massacommunicatie (Rooij-bundel),
Deventer: Van Loghum Slaterus 1971, p. 228-241; J.M. de Meij
e.a., Uitingsvrijheid. De vrije informatiestroom in
grondwettelijk perspectief, Amsterdam: Cramwinckel 2000,
p. 129-138; L.F. Asscher, Constitutionele convergentie van
pers, omroep en telecommunicatie , Deventer: Kluwer 1999
p. 30-32.
[3] Zie daaover J.M. de
Meij e.a. Uitingsvrijheid (vorige noot), p. 142
[4] EHRM 27 maart 1996,
NJ 1996, 577 (ook NJCM-Bulletin 1996-5, p. 693-695
en 735-737); EHRM 25 februari 2003, Mediaforum 2003-4,
nr. 20; EHRM 15 juli 2003
http://www.echr.coe.int
(appl. nr. 33400/96.
[5] Tweede Rapport
Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet,
's-Gravenhage: Staatsuitgeverij 1969, p. 69-71.
[6] Kamerstukken
1975/76, 13 872, nr. 3, p. 33; nr. 4, p. 92; nr. 7, p. 26; nr.
55b, p. 37 (eerste lezing).
[7] Kamerstukken II
1981/82, 16 905, nr. 5, p. 13-15 (tweede lezing).
[8] Rapport
Commissie-Grondrechten in het digitale tijdperk, Den Haag,
Ministerie van Binnenlandse Zaken 2000, p. 98 (daarover J.M.
de Meij, 'Grondrechten in het digitale tijdperk',
NJCM-Bulletin 2001-3, p. 274-294.
[9] Kamerstukken II
2000/01, 27 460, nr. 1, par. 3.7.
[10] Studiecommissie VMC,
'Preadvies over de wijziging van de artikelen 7 en 13 van de
Grondwet', Mediaforum 1999-11/12, p. i-viii.
[11] Zie R.A. de Winter,
De heersende leer. Honderd jaar verspreidingsjurisprudentie
1892-1992, 's-Gravenhage: Sdu 1993.
[12] Zie daarover ook
L.F. Asscher, (zie noot 1), p. 48-50, alsmede E.J. Dommering
e.a. Informatierecht. Fundamentele rechten voor de
informatiesamenleving, Amsterdam: Cramwinckel 2000, p.
58-59.
[13] HR 4 maart 1988,
NJ 1989, 367 (kinderen prinses Irene).
[14] Rb. Amsterdam 7 mei
2003,
http://www.rechtspraak.nl
(LJN-nr. AF8332).
[15] Daarover recent HR 2
mei 2003, Mediaforum 2003-6, nr. 30 m. nt. G.A.I.
Schuijt; uitgebreider G.A.I. Schuijt, 'Het censuurverbod in de
Nederlandse Grondwet en de rechtspraak', in: A. Berenboom
e.a., Censuur. Referaten van het colloquium van 16 mei 2003,
Brussel: Larcier 2003, p. 125-154.
[16] J.A. Peters, 'Het
Wassenaarse fotgrafieverbod', Mediaforum 2003-9, p. 273
[17] HR 4 maart 1988, NJ
1989, 361 (Kinderen prinses Irene); zie verder Schuijt,
Onrechtmatige daad VII, aant. 110-114.
[18] D. Griffiths,
'Reactie op het Wassenaarse fotografieverbod', Mediaforum
2003-10, p. 324.
[19] E. Daalder, 'Vrije
nieuwsgaring? Hooguit van nieuws, maar niet van roddel',
NJB 2003-38, p. 2015.
[20] Vgl. in dit verband
HR 11 december 1987, Informatierecht/AMI 1988-2, p.
37-39 m. nt. A.W. Hins: voorafgaand toezicht om te zien of de
uitzending reclameboodschappen (die volgens artikel 7 lid 4
Grw. níet vallen onder de bescherming) bevat en het daarvan
afhankelijk stellen of mocht worden uitgezonden, is in strijd
met de grondwet.
[21] Stb. 2003,
198. De wijziging is op 1 januari 2004 in werking getreden,
Stb. 2003, 365.
[22] Het artikel
beschermt evenwel niet tegen openlijk gebruik van de camera,
wat de Wassenaarse verordening wél deed.
[23] Kamerstukken II
2000/01 27 732, nr. 1-3; zie daarover G.A.I. Schuijt, 'Het
ontwerp-wet cameratoezicht en de vrije nieuwsgaring',
Mediaforum 2001-10, p. 299-302.
[24] Daarover o.m. en HR
9 januari 1987, NJ 1987, 982 (Bespiede bijstandsmoeder)
en HR 4 maart 1988, NJ 1989, 367 (Kinderen prinses
Irene); een klacht van prinses Caroline van Hannover (Monaco)
dat de Duitse rechter haar privacy te weinig tegen de media
beschermt is door het EHRM ontvankelijk verklaard en in
behandeling genomen: EHRM 8 juli 2003,
http://www.echr.coe.int
(appl. nr. 59320/00).
[25] J.A. Peters, 'Het
Wassenaarse fotografieverbod', Mediaforum 2003-9, p.
373 (bovenstaande noot is geschreven vóór dat ik kennis nam
van de reactie op Peters's opinie in Mediaforum
2003-10.
[26] De Wassenaarse
verordening (niet het vonnis) is ook besproken door R. Ortlep,
NJB 2003-28, p. 1445-1446.
[27] HR 23 oktober 1987,
NJ 1988, 310 (ook in Informatierecht/AMI 1988-2,
p. 32-36 m. nt. G.A.I. Schuijt). De Hoge Raad houdt hier een
kleine ruimte voor de vrijheid van nieuwsgaring open. |